Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2990

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
14/04108
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:2531, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bpm. Procesrecht. art. 30f, lid 5, AWR (oud); art. 8:75 Awb; art. 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht. Vergoeding van rente en proceskosten bij terugbetaling van BPM in (groot aantal) samenhangende zaken. Geen recht op wettelijke rente. Hof mag proceskostenvergoeding matigen op de grond dat onverkorte toepassing van het forfaitaire systeem in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht zou leiden tot een vergoeding die de werkelijke kosten ver overtreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2161
V-N 2015/52.21.6
BNB 2016/26 met annotatie van J.A.R. van Eijsden
FutD 2015-2472 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFRB 2016/39 met annotatie van mr.dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
NTFR 2015/2881 met annotatie van mr. J.M. van der Vegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2015

nr. 14/04108

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 juli 2014, nr. BK‑13/01347, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (SGR 12/6281 en SGR 12/6282) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft op 14 maart 2011 een bedrag van € 451 aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte voldaan.

2.1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 29 juni 2012, met toepassing van het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012, nr. 11/00785, ECLI:NL:HR:2012:BV7393, BNB 2012/147, een teruggaaf verleend van € 53. Daarbij heeft hij een rentevergoeding toegekend van € 2, alsmede een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar van € 54,50.

2.1.3.

Op 29 november 2013 heeft een regiezitting van het Hof plaatsgevonden waar alle BPM-zaken die op dat moment bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad – waaronder in de onderhavige zaak -, aan de orde zijn geweest. Dit heeft geleid tot een aantal afspraken tussen het Hof en partijen met het doel de afdoening van alle zaken te stroomlijnen. Partijen hebben vervolgens in onderling overleg zeven rechtsvragen geformuleerd waarover zij het oordeel van het Hof wilden vernemen en telkens daarbij een voorbeeldzaak gezocht. De overige zaken zijn door partijen ingetrokken. Een van de voorbeeldzaken is de onderhavige zaak. Tot de overige zaken behoorde één zaak van belanghebbende die is ingetrokken (hierna: de ingetrokken zaak).

2.2.

Voor het Hof was tussen partijen onder meer in geschil welke rentevoet zou leiden tot een passende vergoeding van het door belanghebbende geleden verlies als gevolg van de onverschuldigde betaling van belasting, alsmede het beloop van de vergoeding van de kosten van de voor de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep gemaakte kosten.

2.3.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat het verlies dat belanghebbende heeft geleden als gevolg van de onverschuldigde betaling van belasting wordt gecompenseerd door wettelijke rente te vergoeden. Het heeft vervolgens geoordeeld dat indien geen sprake is van een handelstransactie, maar van belasting die in strijd met het Unierecht is geheven en (onverschuldigd) is betaald, toepassing van de rentevoet die geldt voor handelstransacties alleen aangewezen is in bijzondere gevallen waarin het beloop van het verlies bepaalbaar is en waarin tevens vast komt te staan dat het verlies in belangrijke mate mede onder invloed van een handelstransactie is ontstaan. Het ligt op de weg van belanghebbende om feiten te stellen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat van een dergelijk bijzonder geval sprake is. Belanghebbende heeft echter geen feiten gesteld, en die blijken ook niet uit de gedingstukken, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat hiervan sprake is, aldus nog steeds het Hof.

2.3.2.

Na te hebben overwogen dat niet kan worden overgegaan tot veroordeling van de Inspecteur in de werkelijke proceskosten heeft het Hof met betrekking tot de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep geoordeeld dat in beginsel het beloop van de vergoeding van deze kosten wordt bepaald met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem, en dat ingeval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond van artikel 2, lid 3, van het Besluit kan worden afgeweken van dat puntensysteem. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat in het geval van belanghebbende sprake is van bijzondere omstandigheden. Het heeft daarbij in aanmerking genomen dat (i) de gemachtigde van belanghebbende in enkele duizenden soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent, (ii) tussen partijen geen verschil van inzicht bestaat over de feiten, (iii) in alle zaken in wisselende combinaties steeds dezelfde, zuiver juridische geschilpunten voorkomen, (iv) de in alle zaken namens de onderscheidene belanghebbenden gebezigde argumenten per rechtsvraag in belangrijke mate met elkaar overeenkomen, en (v) in de bezwaarfase voor alle door de gemachtigde als rechtsbijstandsverlener in den lande ingediende bezwaarschriften tezamen niet meer dan twee hoorgesprekken hebben plaatsgevonden. Indien, zo vervolgt het Hof, met deze bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan het puntensysteem, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Overwegende dat dit, gelet op het doel en de strekking van het Besluit, onwenselijk is, is het Hof afgeweken van het puntensysteem. Niettemin heeft het Hof zich bij de vaststelling van de vergoeding georiënteerd op het puntensysteem van het Besluit teneinde te komen tot een proceskostenveroordeling die naar het oordeel van het Hof recht doet aan doel en strekking van het Besluit.

2.4.1.

De eerste klacht richt zich tegen de hiervoor in 2.3.1 weergegeven oordelen van het Hof met betrekking tot de bij de te verlenen rentevergoeding in aanmerking te nemen rentevoet.

2.4.2.

In het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014, nr. 13/06055, ECLI:NL:HR:2014:3606, BNB 2015/76, is beslist dat voor een geval als het onderhavige de in artikel 30f, lid 5, AWR (tekst 2011 en 2012) neergelegde rentevoet – alsmede de methode van enkelvoudige berekening – voldoen. Het Hof heeft, door belanghebbende een rentevergoeding toe te kennen met toepassing van de – hogere - wettelijke rente, een hogere rentevergoeding toegekend dan waarop belanghebbende in rechte aanspraak kan doen gelden. Reeds hierom faalt de eerste klacht.

2.5.

De tweede klacht en de zesde klacht falen ook. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.6.1.

De overige klachten richten zich tegen het hiervoor in 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit (hierna: bijzondere omstandigheden) die meebrengen dat van de toepassing van het in de bijlage bij het Besluit opgenomen puntensysteem moet worden afgeweken.

2.6.2.

Voor zover de klachten inhouden dat het Hof ten onrechte of op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat sprake is van bijzondere omstandigheden falen zij, omdat zij eraan voorbij zien dat, ook indien rekening wordt gehouden met de terughoudendheid die bij de toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit geboden is, het oordeel van het Hof dat – onder de daarbij in aanmerking genomen omstandigheden – ten aanzien van de onderhavige zaak en de ingetrokken zaak van het hiervoor in 2.6.1 bedoelde puntensysteem moet worden afgeweken, aangezien het voor elke individuele zaak vasthouden aan dat puntensysteem leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen de omstandigheid dat de vergoedingen op grond van het Besluit het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten (zie HR 25 september 2015, nr. 14/04107, ECLI:NL:HR:2015:2794).

2.6.3.

De vierde klacht houdt in dat het Hof ten onrechte proceshandelingen in de bezwaarfase volgens het Besluit heeft vergoed door toekenning van 1 punt, terwijl volgens de regels van het Besluit voor het indienen van een bezwaarschrift en het voeren van een hoorgesprek 2 punten hadden moeten worden toegekend. De achtste klacht houdt in dat het Hof voor de beoordeling of sprake is van samenhangende zaken ten onrechte is voorbijgegaan aan de voorwaarden die dienaangaande worden gesteld in artikel 3, lid 2, van het Besluit.

Beide klachten falen, aangezien zij miskennen dat het Hof in verband met de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand heeft vastgesteld op een van de regels van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit - en daarmee ook van artikel 3 van het Besluit - afwijkende wijze, waarbij die regels slechts dienden ter oriëntatie.

2.6.4.

Evenmin is juist de in de vijfde en de zevende klacht verdedigde opvatting dat ingeval sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 2, van het Besluit matiging van de proceskostenvergoeding in verband met die omstandigheid slechts kan geschieden op de voet van die bepaling, en artikel 2, lid 3, van het Besluit geen toepassing kan vinden.

2.6.5.

Voor het overige is het hiervoor in 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof verweven met waarderingen van feitelijke aard, die in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Het oordeel is voorts niet onbegrijpelijk.

2.6.6.

Op grond van het hiervoor in 2.6.2 tot en met 2.6.5 overwogene falen de klachten ook voor het overige.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2015.