Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2989

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
13/01275
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2208, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten en antidumpingrechten. Aan schending van de rechten van de verdediging te verbinden gevolgen. Zou het besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten zonder de schending een andere afloop kunnen hebben gehad? HvJ 3 juli 2014, Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2165
V-N 2015/52.4 met annotatie van Redactie
BNB 2015/227 met annotatie van M.J.W. van Casteren
AB 2015/426 met annotatie van R. Ortlep
FutD 2015-2471 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/2714 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2015

nr. 13/01275

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 februari 2013, nr. 11/00597, op het hoger beroep van de Inspecteur en de Minister van Economische Zaken, en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 09/3499) betreffende uitnodigingen tot betaling van douanerechten en antidumpingrechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juli 2014, gevoegde zaken Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., C‑129/13 en C‑130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231.

Voorts heeft belanghebbende, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op de nadere conclusie van de Advocaat-Generaal M.E. van Hilten van 30 maart 2015, nrs. 10/02774bis en 10/02777bis, ECLI:NL:PHR:2015:354.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.1.

Het Hof heeft in overeenstemming met het oordeel van de Rechtbank vastgesteld dat belanghebbende niet voorafgaand aan de vaststelling en de uitreiking van de uitnodigingen tot betaling in staat is gesteld om naar behoren haar standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de Inspecteur zijn voorgenomen uitnodigingen tot betaling wilde baseren. Hiervan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden.

2.1.2.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat het dossier alleen bewijsstukken bevat met betrekking tot één aangifte ten invoer van spaarlampen uit Vietnam en geen enkel bewijsstuk met betrekking tot invoeren van spaarlampen uit de Filippijnen. Vermoedens daaromtrent, neergelegd in het FIOD-ECD overzichtsproces-verbaal nr. 29182, dat is ingebracht in de parallelle zaak AWB 09/3907, zijn daartoe naar het oordeel van de Rechtbank onvoldoende, aangezien de (bewijs)stukken, waarnaar in dat overzichtsproces-verbaal in dat kader wordt verwezen, zich niet in het procesdossier bevinden. Gelet op de omstandigheden, waarbij de feiten onvoldoende vaststaan, is naar het oordeel van de Rechtbank niet uit te sluiten dat het voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling aan belanghebbende gelegenheid bieden zich uit te laten over de elementen waarop de uitnodigingen tot betaling zijn gestoeld, tot een ander resultaat had kunnen leiden. Daardoor staat naar het oordeel van de Rechtbank niet bij voorbaat vast dat de schending van procedureregels geen gevolgen zou hebben gehad, waardoor belanghebbende door de gang van zaken niet zou zijn benadeeld. De Rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden sprake is van een benadeling welke een vernietiging van de uitnodigingen tot betaling rechtvaardigt, aangezien omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen belanghebbende en de Inspecteur verschil van mening bestaat.

2.1.3.

Het Hof heeft geoordeeld dat de hiervoor in 2.1.1 bedoelde schending niet noopt tot een vernietiging van de uitnodigingen tot betaling aangezien belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet is benadeeld. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de enkele omstandigheid dat belanghebbende niet de gelegenheid heeft gekregen reeds vóór het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling bij de Inspecteur bestaande misverstanden weg te nemen, op zichzelf geen wezenlijke schending van de verdedigingsbelangen van belanghebbende vormt aangezien belanghebbende in de beroepsfase erin is geslaagd die misverstanden weg te nemen, waar nodig onder verwijzing naar de stukken van het geding.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de stelling van belanghebbende dat haar de mogelijkheid is ontnomen om vooraf te stellen dat zij ten aanzien van één van de in geding zijnde aangiften niet als schuldenaar kan worden aangemerkt, een juridische stelling is die na het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling kan worden getoetst.

2.2.

Middel III kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (zie HR 24 oktober 2014, nr. 13/04854, ECLI:NL:HR:2014:3017, BNB 2014/263, onderdeel 2.3).

2.3.1.

De middelen I en II zijn gericht tegen de hiervoor in 2.1.3 weergegeven oordelen van het Hof dat onder de gegeven omstandigheden de uitnodigingen tot betaling niet moeten worden vernietigd wegens schending van de rechten van de verdediging van belanghebbende.

2.3.2.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 juli 2014, gevoegde zaken Kamino International Logistics B.V. en Datema Hellmann Worldwide Logistics B.V., C‑129/13 en C‑130/13, ECLI:EU:C:2014:2041, BNB 2014/231, volgt dat schending van de rechten van de verdediging bij de totstandkoming van een (bezwarend) besluit tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit leidt, wanneer deze procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad.

Voor het oordeel dat het besluitvormingsproces van de douaneautoriteiten zonder de schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad, is niet vereist dat de douaneautoriteiten zonder deze schending zouden hebben afgezien van het vaststellen van één of meer van de desbetreffende uitnodigingen tot betaling of dat zij deze op een lager bedrag zouden hebben gesteld. Voldoende is te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden degene tot wie de uitnodiging tot betaling is gericht, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de uitnodiging tot betaling van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. De rechter dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval (zie HR 26 juni 2015, nr. 10/02774bis, ECLI:NL:HR:2015:1666, BNB 2015/186, onderdelen 2.3.2 en 2.3.3).

2.3.3.

De hiervoor in 2.1.3 omschreven oordelen van het Hof geven, gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2, tweede alinea, is overwogen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het Hof niet de aldaar omschreven toetsing heeft uitgevoerd, maar heeft volstaan met de in cassatie niet bestreden vaststelling dat belanghebbende alsnog in de beroepsfase erin is geslaagd misverstanden bij de Inspecteur weg te nemen, en met het oordeel dat de inbreng van belanghebbende een juridische stelling betrof die ook na het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling kan worden getoetst. Met betrekking tot dit laatste heeft te gelden dat indien een inbreng een juridische stelling betreft beoordeeld dient te worden of deze stelling zodanig hout snijdt dat deze tot een andere afloop had kunnen leiden.

2.4.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.3 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 478, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1837,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2015.