Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2986

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2015
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
10/02941
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9557, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Art. 2, lid 1, Titel II, art. 13, lid 2, letter a en art. 14, lid 2, letter b, punt i), Verordening 1408/71. Art. 12, lid 1, Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekerden 1999.

Wijst de Verordening 1408/71 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving als toepasselijk aan bij een in Nederland wonende zeevarende die onder Panamese vlag vaart op een pijpenlegger voor een in Zwitserland gevestigde werkgever, deels buiten Europa en een deel van de tijd boven het continentale plat van Nederland en van het Verenigd Koninkrijk?

Wetsverwijzingen
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2013/19.21 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2013/897
V-N Vandaag 2015/2162
V-N 2015/51.13 met annotatie van Redactie
BNB 2015/232 met annotatie van P. KAVELAARS
FutD 2015-2469 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFRB 2015/37 met annotatie van dr. M.J.G.A.M. Weerepas
USZ 2015/370
NTFR 2015/2760 met annotatie van mr. J.C.L.M. Fijen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2015

nr. 10/02941bis

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van L. Kik te Ouwerkerk (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 1 juni 2010, nr. BK‑09/00802, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij na te melden arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde vragen.

1 Geding in cassatie

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 12 april 2013, nr. 10/02941, ECLI:NL:HR:2013:BZ6793, BNB 2013/144, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.

Bij arrest van 19 maart 2015, L. Kik tegen Staatssecretaris van Financiën, C-266/13, ECLI:EU:C:2015:188, BNB 2015/107 (hierna: het arrest), heeft het Hof van Justitie, uitspraak doende op die vragen, voor recht verklaard:

“1) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 307/1999 van de Raad van 8 februari 1999, moet in die zin worden uitgelegd dat een werknemer die, zoals Kik, onderdaan is van een lidstaat, waarin hij woont en waarin over zijn inkomsten belasting wordt geheven, die op verschillende plekken op de wereld, met name boven het continentaal plat van een aantal lidstaten, werkt op een onder de vlag van een derde staat varende pijpenlegger, die voorheen werkzaam was voor een in zijn woonstaat gevestigde onderneming maar van werkgever is veranderd en thans werkt voor een in Zwitserland gevestigde onderneming, doch blijft wonen in dezelfde lidstaat en blijft varen op hetzelfde schip, binnen de personele werkingssfeer van verordening nr. 1408/71, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 307/1999, valt.

2) De in titel II van verordening nr. 1408/71, in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 307/1999, vervatte bepalingen die regelen welke de toe te passen nationale wetgeving is, moeten in die zin worden uitgelegd dat de onderdaan van een lidstaat of van de Zwitserse Bondsstaat, welke staat voor de toepassing van deze verordening wordt gelijkgesteld met een lidstaat, die buiten het grondgebied van de Unie, daaronder begrepen boven het continentaal plat van een lidstaat, arbeid in loondienst verricht aan boord van een schip dat vaart onder de vlag van een derde staat, maar die in dienst is van een op het grondgebied van de Zwitserse Bondsstaat gevestigde onderneming, is onderworpen aan de wetgeving van de vestigingsstaat van zijn werkgever. Indien evenwel, in omstandigheden als die aan de orde in het hoofdgeding, de toepassing van die wetgeving volgens die verordening zou leiden tot aansluiting bij een stelsel van vrijwillige verzekering of ertoe zou leiden dat de betrokkene bij geen enkel stelsel van sociale zekerheid is aangesloten, is deze onderdaan onderworpen aan de wetgeving van zijn woonstaat.”

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest. Beide reacties zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2 Nadere beoordeling van de klachten

2.1.

Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat belanghebbende in de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 (hierna: de Verordening) in beginsel was onderworpen aan de socialezekerheidswetgeving van de vestigingsstaat van zijn werkgever, te weten de Zwitserse Bondsstaat. Een uitzondering geldt indien de toepassing van die wetgeving volgens de Verordening zou leiden tot aansluiting bij een stelsel van vrijwillige verzekering of ertoe zou leiden dat belanghebbende bij geen enkel stelsel van sociale zekerheid is aangesloten. In een dergelijk geval is belanghebbende onderworpen aan de wetgeving van zijn woonstaat, te weten Nederland.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in de genoemde periode premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. Het heeft zich daarbij kennelijk uitsluitend gebaseerd op de hoofdregel van de Nederlandse volksverzekeringswetten. Op grond van die hoofdregel zijn ingezetenen van Nederland verplicht verzekerd en premieplichtig voor de in die wetten voorziene verzekeringen.

2.3.

Uit het hiervoor in 2.1 overwogene volgt dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of de toepassing van de wetgeving van de Zwitserse Bondsstaat volgens de Verordening voor belanghebbende in de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 leidt tot aansluiting bij een stelsel van vrijwillige verzekering of ertoe leidt dat belanghebbende bij geen enkel stelsel van sociale zekerheid is aangesloten.

2.4.1.

Belanghebbendes primaire klacht is daarom gegrond. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor het hiervoor in 2.3 bedoelde onderzoek.

2.4.2.

Opmerking verdient dat partijen er in het geding in feitelijke instantie voorafgaande aan het arrest van het Hof van Justitie niet op bedacht hoefden te zijn dat de toepassing van het Zwitserse recht in dit geval van belang zou kunnen zijn. Daarom moet aan hen na verwijzing de gelegenheid worden geboden hun feitelijke stellingen met het oog daarop voor zover nodig aan te passen. Bij zijn oordeel over de toepassing van het Zwitserse recht in dit geval zal het verwijzingshof ook acht dienen te slaan op de hiervoor in punt 1 vermelde en aan dit arrest gehechte schriftelijke opmerkingen, die partijen hebben gemaakt naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie.

2.4.3.

Verder verdient opmerking dat bij de beoordeling door de Nederlandse autoriteiten of de toepassing van de wetgeving van de Zwitserse Bondsstaat volgens de Verordening voor belanghebbende in de periode van 1 juni 2004 tot en met 24 augustus 2004 leidt tot aansluiting bij een stelsel van verplichte verzekering, geen rekening mag worden gehouden met nationale voorschriften die de verzekeringsplicht afhankelijk stellen van territoriale voorwaarden, zoals de woonplaats van de betrokkene of de plaats van diens werkzaamheden. De bepalingen van titel II van de Verordening vormen immers een volledig stelsel van conflictregels, hetgeen ertoe leidt dat een lidstaat, waarmee de Zwitserse Bondsstaat in dit verband moet worden gelijkgesteld, niet meer bevoegd is om de draagwijdte en de toepassingsvoorwaarden van zijn nationale wetgeving te bepalen met betrekking tot de personen die eraan onderworpen zijn en het grondgebied waarbinnen de nationale bepalingen effect sorteren (vgl. HvJ 10 juli 1986, Luijten, C-60/85, ECLI:EU:C:1986:307, punt 14).

2.4.4.

Indien het verwijzingshof tot de slotsom komt dat belanghebbende op grond van de Verordening is onderworpen aan de wetgeving van Nederland, brengt de zojuist in 2.4.3 bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie mee dat belanghebbende – anders dan hij in zijn subsidiaire klacht in cassatie betoogt - niet vanwege de plaats van zijn werkzaamheden van de kring der verzekerden kan worden uitgesloten op grond van artikel 12, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB van 24 december 1998, Stb. 746).

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht gelet op de inhoud van het procesdossier termen aanwezig om ten aanzien van de kosten van belanghebbende ter zake van het geding in cassatie te beslissen als hierna zal worden vermeld.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 111, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 7350 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman en de raadsheren J.W. van den Berge, C. Schaap en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2015.