Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2979

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
14/03847
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1501
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:4445, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ambtshalve vernietiging. In aanmerking genomen dat de HR in de zaak van de medeverdachte onder ECLI:NL:HR:2015:2821 de klacht dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 423.4 Sv gegrond heeft bevonden, ziet de HR aanleiding de bestreden ambtshalve te vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1864
RvdW 2015/1103
NJ 2016/71 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
SR-Updates.nl 2015-0427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 oktober 2015

Strafkamer

nr. S 14/03847

KD/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 juni 2014, nummer 21/009328-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij heeft mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsvrouwe van de verdachte en de advocaat van de benadeelde partij hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen en het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1.

In deze zaak heeft het Hof eerder, op 31 mei 2012, arrest gewezen. Die uitspraak houdt het volgende in:

"Bewezenverklaring

1 primair

hij op 13 januari 2008 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met een vuurwapen op/door het (boven-)lichaam van [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden.(...)

2:

hij op 21 maart 2008 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Zastava, model 70), en munitie van categorie III, te weten kogelpatronen heeft overgedragen aan [betrokkene 1] .(...)

3:

hij op 16 april 2008 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Pietro Beretta) en munitie van categorie III, te weten vier patronen voorhanden heeft gehad.(...)

4 primair:

hij op 6 februari 2008 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan een andere deelnemer van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader

- met een auto naar de woning van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] (gelegen aan de [a-straat 1] ) gereden en

- vervolgens uit die auto gestapt en in de richting van die woning gelopen en

- (al lopende) een capuchon over zijn hoofd getrokken en

- een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) ter hand genomen en

- vervolgens dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) doorgeladen en

- met dat (op een) getrokken vuurwapen (gelijkend voorwerp) aangebeld bij die woning zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.(...)

6:

hij op 13 februari 2008 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon en een bedrag aan geld (van 200 euro) en een halsketting (koningsketting), toebehorende aan [slachtoffer 4] welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

en

met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft gedwongen tot afgifte van mobiele telefoons toebehorende aan [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte

- terwijl hij, verdachte samen met [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] in een auto zat

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand heeft genomen en

- dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft doorgeladen en

- (vervolgens) dat vuurwapen, althans dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [slachtoffer 4] heeft gericht en gericht gehouden en

- (daarbij) tegen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] heeft gezegd: "handen achter je hoofd of in je nek" en/of "geef je telefoon aan in een rustige beweging want anders krijg je die kogel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en

- die halsketting met kracht van de nek van [slachtoffer 4] heeft getrokken.(...)

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren.

De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep geëist dat de verdachte ter zake van de feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren. Daarbij heeft de advocaat-generaal gewezen op de zeer ernstige en onherstelbare gevolgen voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] , de omstandigheid dat verdachte slechts een aantal weken na de moord op [slachtoffer 1] een gewapende overval heeft gepleegd en heeft geprobeerd om samen met een ander een gewapende overval op een woning te plegen, dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld en dat hij lange tijd geen openheid van zaken heeft willen geven. Nu de verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn persoon en weigert mee te werken aan gedragsdeskundig onderzoek dient volgens de advocaat-generaal reeds vanuit oogpunt van preventie een zeer langdurige gevangenisstraf opgelegd te worden. De advocaat-generaal komt tot een hogere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist en door de rechtbank is opgelegd. Volgens de advocaat-generaal is hiervoor redengevend dat hij de rol van de verdachte bij de moord op [slachtoffer 1] groter acht dan in eerste aanleg kon worden aangenomen en dat hij verdachte de herhaling van feiten zwaarder aanrekent dan de officier van justitie en de rechtbank hebben gedaan.

De verdediging heeft betoogd dat bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte. Volgens de verdediging is de nog zeer jonge verdachte een door zijn jeugd beschadigd persoon. Voorts heeft de verdediging als strafverminderende factoren genoemd dat verdachte niet degene is geweest die heeft geschoten en dat [slachtoffer 1] zelf gewapend de confrontatie met verdachte en [medeverdachte] is aangegaan.

Het hof overweegt als volgt. Verdachte zich schuldig gemaakt aan moord door op 13 januari 2008 samen met [medeverdachte] [slachtoffer 1] met een vuurwapen om het leven te brengen. Dit geschiedde op de openbare weg en vele mensen waren hiervan getuige. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen Met zijn handelen heeft de verdachte onpeilbaar leed toegebracht aan de dierbaren van het slachtoffer, in het bijzonder aan zijn echtgenote en zijn jonge kinderen. Ook de rechtsorde is hierdoor ernstig geschokt.

Voorts heeft verdachte zich op 6 februari 2008 samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een poging tot beroving met gebruikmaking van een doorgeladen vuurwapen. Op 13 februari 2008 heeft verdachte daadwerkelijk een beroving gepleegd. Verder heeft verdachte op 21 maart 2008 samen met [medeverdachte] een vuurwapen en munitie overgedragen en heeft hij op 16 april 2008 een vuurwapen en munitie voorhanden gehad.

Moord, zoals onder 1 primair bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. Als uitgangspunt voor de strafoplegging bij een enkelvoudige moord hanteert het hof een gevangenisstraf van tussen de twaalf en achttien jaren, zoals ook wordt weergegeven in de databank consistente straftoemeting, waarin straffen zijn opgenomen die eerder voor dit soort feiten zijn opgelegd. In de onderhavige zaak neemt het hof een aantal strafverzwarende factoren in aanmerking. Zwaarwegend acht het hof dat verdachte na de moord op [slachtoffer 1] is doorgegaan met het plegen van geweldsdelicten, waarbij steeds weer gebruik is gemaakt van een vuurwapen. Voorts blijkt uit een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 april 2012 dat verdachte al eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld. Daar staat tegenover de jonge leeftijd van verdachte en zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden zoals deze door de verdediging bij pleidooi nader zijn verwoord en zoals ze ook blijken uit het in het PBC-rapport opgenomen milieuonderzoek: verdachte: die door deskundigen wordt ingeschat als zwakbegaafd, heeft zijn jeugd doorgebracht in verscheidene internaten. Zowel de vader als een oom van verdachte werd vermoord toen verdachte een tiener was. De moeder van verdachte onttrok zich vrijwel volledig aan zijn opvoeding. Verdachte heeft maar beperkt onderwijs genoten.

Het hof zal bij de strafbepaling geen rekening houden met het ad informandum gevoegde feit, nu de verdachte niet heeft bekend dit feit te hebben gepleegd.

Alles afwegend, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar passend en geboden.

(...)"

3.2.

Tegen die uitspraak is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1754, NJ 2014/162, heeft de Hoge Raad - voor zover hier van belang - als volgt beslist:

"vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;".

3.3.

Het thans in cassatie bestreden arrest houdt het volgende in:

"Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- het volgende in aanmerking genomen.

De officier van justitie heeft in eerste aanleg gevorderd dat de verdachte ter zake van de bewezen verklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren.

De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep geëist dat voor het geval het hof komt tot een vrijspraak voor het primair en subsidiair tenlastegelegde en tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde, de verdachte ter zake van het onder I meer subsidiair bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren en zes maanden en voor de onder 2, 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van driejaren en zes maanden.

Daarbij heeft de advocaat-generaal gewezen op de zeer ernstige en onherstelbare gevolgen voor de nabestaanden van [slachtoffer 1] , de omstandigheid dat verdachte slechts een aantal weken na de dood van [slachtoffer 1] een gewapende overval heeft gepleegd en heeft geprobeerd om samen met een ander een gewapende overval op een woning te plegen, dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld en dat hij lange tijd geen openheid van zaken heeft willen geven. Nu de verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn persoon en weigert mee te werken aan gedragsdeskundig onderzoek dient volgens de advocaat-generaal reeds vanuit het oogpunt van preventie een zeer langdurige gevangenisstraf opgelegd te worden.

De verdediging heeft betoogd dat bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte. Volgens de verdediging is de nog zeer jonge verdachte een door zijn jeugd beschadigd persoon. Voorts heeft de verdediging als Strafverminderende factoren genoemd dat verdachte niet degene is geweest die heeft geschoten en dat [slachtoffer 1] zelf gewapend de confrontatie met verdachte en [medeverdachte] is aangegaan.

Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag, door op 13 januari 2008 te Utrecht samen met zijn mededader, [slachtoffer 1] met een opgelegd schot dood te schieten.

Alhoewel er verschillende mogelijke achterliggende scenario's de revue zijn gepasseerd (een conflict in verband met een mislukte drugs- of juist een ripdeal), is tijdens het onderzoek op de zitting niet duidelijk geworden wat nu het precieze motief voor dit schietincident is geweest.

Doodslag is een misdrijf dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, nu het opzettelijk ontnemen van iemands leven een onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is.

Dit feit maakt daarmee een diepe deuk in de rechtsorde.

De verdachte heeft de familieleden van het slachtoffer groot leed aangedaan.

Zijn verlies, de pijn en het verdriet over zijn gewelddadige dood zullen zij allen de rest van hun leven met zich moeten dragen.

Ook in de maatschappij leveren dergelijke feiten veel angst en onrust op.

Meerdere mensen die zich op 13 januari 2008 in de buurt van het incident bevonden zijn immers ongewild getuige geweest van het incident en weten dat daarbij iemand het leven heeft verloren. Zij hebben ofwel de medeverdachte zien schieten ofwel de afgevuurde schoten gehoord. De ervaring leert dat getuigen hiervan nog langdurig psychische schade kunnen ondervinden.

Blijkens het op zijn naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 maart 2014 is de verdachte al eerder veroordeeld voor gewelddadige diefstallen en wapenbezit.

Ook is acht geslagen op de inhoud van de omtrent de persoon van verdachte opgemaakte PBC-rapportage.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum van 15 jaar en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, kan, ondanks het tijdverloop, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof na te melden gevangenisstraf dan ook passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2]

(...)

Bepaling van de hoofdstraf op grond van het bepaalde in art. 423, vierde lid, Sv.

Nu het vonnis waarvan beroep gedeeltelijk wordt vernietigd en daarbij één hoofdstraf werd opgelegd bij samenloop van meerdere misdrijven, moet het hof op grond van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, opnieuw de hoofdstraf bepalen voor de bij dat vonnis onder 2, 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde.

De hierna te melden straf is bepaald in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op depersoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich, ondanks dat hij al eerder ter zake van al dan niet gewelddadige vermogensdelicten en wapenbezit tot straf is veroordeeld, wederom schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten, op grond waarvan het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden acht.

(...)

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaling hoofdstraf ten aanzien van de onder 2, 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde feiten. Bepaalt het gedeelte van de door de eerste rechter opgelegde straf, hetwelk geacht moet worden te zijn toegemeten voor de onder 2, 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde feiten op een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren. (...)"

3.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 december 2013, zoals in 3.2 is weergegeven, de door het Hof in zijn uitspraak van 31 mei 2012 opgelegde straf vernietigd. Het Hof heeft kennelijk - en ten onrechte - geoordeeld dat in dat arrest alleen de strafoplegging voor zover die betrekking had op het in onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde, is vernietigd, en overeenkomstig art. 423, vierde lid, Sv de straf voor het niet aan zijn oordeel onderworpen, door de "eerste rechter onder 2, 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde feiten" bepaald in plaats van één straf op te leggen voor alle feiten en de strafoplegging te motiveren. In aanmerking genomen dat de Hoge Raad in de zaak van de medeverdachte, onder ECLI:NL:HR:2015:2821, de klacht dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 423, vierde lid, Sv, gegrond heeft bevonden, ziet de Hoge Raad aanleiding de bestreden uitspraak ambtshalve in zoverre te vernietigen.

4 Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de betreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, daaronder begrepen de bepaling van de straf ter zake van de feiten 2, 3, 4 primair en 6 alsmede de strafoplegging en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. van Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2015.