Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2978

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
13/05809
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1474, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:8706, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Una via beginsel. Art. 243.2 Sv. Art. 5:44 Awb. De klacht berust op de opvatting dat het ‘una via-beginsel’ a.b.i. in art. 243.2 Sv en art. 5:44, eerste lid, Awb in onderlinge samenhang bezien, zo moet worden uitgelegd dat een opgelegde bestuurlijke boete steeds aan een strafvervolging in de weg staat, ook als op het moment waarop de bestuurlijke boete is opgelegd, de strafvervolging reeds is ingesteld en het onderzoek t.t.z. is begonnen. Die opvatting is onjuist. Nu in cassatie als onbestreden vaststaat dat in deze zaak vóór het opleggen van de bestuurlijke boete de strafvervolging is ingesteld en het onderzoek t.t.z. is begonnen, faalt de klacht. 2. Slagende bewijsklacht medeplegen. 3. Slagende bewijsklacht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 243
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1865
RvdW 2015/1102
NJ 2016/130 met annotatie van J.M. Reijntjes
NBSTRAF 2015/256 met annotatie van mr. R. van den Munckhof
JOR 2016/8 met annotatie van mr. R.P.A. Kraaijeveld
SR-Updates.nl 2015-0428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 oktober 2015

Strafkamer

nr. S 13/05809

CeH/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 18 november 2013, nummer 21/003990-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1 Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep "voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 en 4 ten laste gelegde en het onder 5 ten laste gelegde voor zover het de maanden september 2003 tot en met december 2004 betreft" - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer over de verwerping door het Hof van het verweer dat het 'una via-beginsel' is geschonden en dat de Officier van Justitie op die grond niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 5 tenlastegelegde.

2.2.1.

In de tenlastelegging onder 5 is de aan de verdachte verweten gedraging omschreven als - kort gezegd - het in de periode van 29 oktober 2003 tot en met 25 juli 2007 opdracht geven tot en/of feitelijk leiding geven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat in hoger beroep - gelet op de door de Rechtbank Arnhem in deze zaak bij vonnis van 20 oktober 2011 uitgesproken partiële niet-ontvankelijkheid van de Officier van Justitie in de vervolging ter zake van het onder 5 tenlastegelegde - louter de bij de belastingwet voorziene aangifte omzetbelasting over de maanden maart 2005 tot en met juni 2007 ter beoordeling van het Hof staat. Dat oordeel is in cassatie niet bestreden.

2.3.

Het Hof heeft het in de klacht bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie, naast de reeds door de rechtbank uitgesproken gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid, eveneens niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van de overige periode die onder feit 5 is tenlastegelegd. Hiertoe is aangevoerd dat de Belastingdienst op 30 juni 2010 geen boete meer had mogen opleggen na de aanvang van de strafvervolging op 20 mei 2010 en dat er beter overleg had moeten plaatsvinden tussen het openbaar ministerie en de Belastingdienst. Doordat ten aanzien van eerdere periodes al een bestuursrechtelijke afdoening had plaats gevonden heeft de overheid vertrouwen bij verdachte geschapen dat hij niet strafrechtelijk vervolgd zou worden, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aldus de verdediging.

Het hof verwerpt het verweer. De stelling van de raadsvrouw vindt geen steun in het recht. Het openbaar ministerie is tot strafvervolging overgegaan en mocht ook tot strafvervolging overgaan voor die feiten die nog niet administratiefrechtelijk door de Belastingdienst waren afgedaan. Dat de Belastingdienst daarna nog een bestuursrechtelijke boete aan verdachte heeft opgelegd is niet aan het openbaar ministerie toe te rekenen en raakt niet aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging.

2.4.

Wat betreft het 'una via-beginsel' zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 243, tweede lid, Sv:

"Indien terzake van het feit aan de verdachte een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een mededeling als bedoeld in (...) is verzonden, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging."

- art. 5:44 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb):

"1. Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.

2. Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan de officier van justitie voorgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift is bepaald, dan wel met het openbaar ministerie is overeengekomen, dat daarvan kan worden afgezien.

3. Voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, legt het bestuursorgaan slechts een bestuurlijke boete op indien:

a. de officier van justitie aan het bestuursorgaan heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien, of

b. het bestuursorgaan niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen."

2.5.

De klacht berust op de opvatting dat het 'una via-beginsel' zoals neergelegd in art. 243, tweede lid, Sv en art. 5:44, eerste lid, Awb in onderlinge samenhang bezien, zo moet worden uitgelegd dat een opgelegde bestuurlijke boete steeds aan een strafvervolging in de weg staat, ook als op het moment waarop de bestuurlijke boete is opgelegd, de strafvervolging reeds is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. Die opvatting is onjuist. Nu in cassatie als onbestreden vaststaat dat - voor zover thans van belang - in deze zaak vóór het opleggen van de bestuurlijke boete de strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, faalt de klacht.

2.6.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 6 tenlastegelegde - kort gezegd - "medeplegen" van de daar omschreven feiten niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

- onder 1 dat:

"hij in de periode van 18 september 2004 tot en met 17 april 2007 te Heijen, gemeente Gennep, tezamen en in vereniging met een ander in voormelde periode telkens,

de navolgende auto heeft verworven en voorhanden gehad:

- MAZDA 323 met kenteken [0001]

en

onderdelen van de navolgende auto's heeft verworven en voorhanden gehad:

- BMW met kenteken [0002] en

- Peugeot Expert met kenteken [0003] en

- Peugeot 407 met kenteken [0004] en

- Audi A6 met kenteken [0005] en

- BMW 116i met kenteken [0006] en

- Volkswagen Sharan met kenteken [0007] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0008] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0009] en

- Volkswagen Golf met kenteken [0010] en

- Renault Vel Satis met kenteken [0011] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0012] en

- Seat Leon met kenteken [0013] en

- Volkswagen Caddy met kenteken [0014] en

- Volkswagen Golf met kenteken [0015] en

- Volkswagen Golf met kenteken [0016] en

- Suzuki SX4 met kenteken [0017] en

- Mazda 3 met kenteken [0018] en

- Volkswagen Eos Cabrio met kenteken [0019] en

- Volkswagen Touran met kenteken [0020] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0021] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0022] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0023] en

terwijl hij ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van voormelde goederen wist dat deze door diefstal, in elk geval door enig misdrijf waren verkregen."

- onder 2 dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 2 december 2004 tot en met 10 juni 2008 te Nijmegen en te Weurt, gemeente Beuningen, tezamen en in vereniging met een ander, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, hierin bestaande dat verdachte en zijn mededader op meerdere tijdstippen in voormelde periode telkens,

de navolgende auto's hebben verworven en/of voorhanden gehad:

- BMW met kenteken [0024] en

- Kia Sorento met kenteken [0025]

en

onderdelen van de navolgende auto's hebben verworven en/of voorhanden gehad:

- Audi Q7 met kenteken [0026] en

- Audi A6 met kenteken [0027] en

- Mazda 3 met kenteken [0028] en

- BMW met kenteken [0029]

en

toebehoren aan de navolgende auto's hebben verworven en/of voorhanden gehad:

- Mitsubishi Space Start met kenteken [0030] en

- Seat Leon met kenteken [0031]

terwijl zij ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van voormelde goederen wisten dat deze door diefstal, in elk geval door enig misdrijf waren verkregen."

- en onder 6 dat:

"hij in de periode 1 januari 2003 tot en met 9 juni 2008 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een natuurlijke persoon en een rechtspersoon, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders

A.

van de navolgende gestolen auto's:

- MAZDA 323 met kenteken [0001] en

- BMW met kenteken [0024] en

- Kia Sorento met kenteken [0025]

en

van onderdelen van de navolgende gestolen auto's:

- BMW met kenteken [0002] en

- Peugeot Expert met kenteken [0032] en

- Peugeot 407 met kenteken [0004] en

- Audi A6 met kenteken [0005] en

- BMW 116i met kenteken [0006] en

- Volkswagen Sharan met kenteken [0007] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0008] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0009] en

- Volkswagen Golf met kenteken [0010] en

- Renault Vel Satis met kenteken [0011] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0012] en

- Seat Leon met kenteken [0013] en

- Volkswagen Caddy met kenteken [0014]

- Volkswagen Golf met kenteken [0015] en

- Volkswagen Golf met kenteken [0016] en

- Suzuki SX4 met kenteken [0017] en

- Mazda 3 sport met kenteken [0018] en

- Volkswagen met kenteken [0033] en

- Volkswagen Touran met kenteken [0020] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0021] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0022] en

- Volkswagen Passat met kenteken [0023] en

- Audi Q7 met kenteken [0026] en

- Audi A6 met kenteken [0027] en

- Mazda 3 met kenteken [0034] en

- Hyundai Tucson met kenteken [0035] en

- Skoda Octavia met kenteken [0036] en

- BMW met kenteken [0029],

en

van geld,

de aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld, immers hebben verdachte en/of zijn mededaders;

- gestolen auto's in onderdelen voorhanden gehad, waardoor de herkomst van deze onderdelen verborgen en/of verhuld werden;

- door middel van valse inkoopfacturen een legale herkomst van deze auto's en/of van onderdelen van deze auto's gesuggereerd;

- door middel van valse schuldbekentenissen wegens geldlening gesuggereerd dat ontvangen gelden legaal zijn;

terwijl zij wisten dat bovenomschreven voorwerpen

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

B.

Geld, ongeveer 100.000 euro, overgedragen en/of omgezet, door dit geld aan te wenden voor betaling van een woonwagen, en deze woonwagen na koop vervolgens over te dragen aan [betrokkene 1] en [verdachte], terwijl zij wisten dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

3.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering die - voor zover te dezen van belang - is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 26 en 28.

3.3.

Aangezien de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte "tezamen en in vereniging met een ander" de in de bewezenverklaring genoemde goederen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsvoering, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Ditzelfde geldt voor de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte "tezamen en in vereniging met een ander een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling", alsmede voor de bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte "tezamen en in vereniging met een natuurlijke persoon en een rechtspersoon van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt". Ook in zoverre is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel klaagt onder meer dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen met betrekking tot het onder 5 bewezenverklaarde niet kan volgen dat alle in de bewezenverklaring genoemde aangiften omzetbelasting onjuist zijn gedaan.

4.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 5 bewezenverklaard dat:

"[A] BV in de periode van 30 maart 2005 tot en met 25 juli 2007 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte omzetbelasting, als bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, te weten de aangifte omzetbelasting over de maanden maart 2005 en april 2005 en mei 2005 en juni 2005 en december 2005 en februari 2006 en april 2006 en juni 2006 en juli 2006 en augustus 2006 en september 2006 en oktober 2006 en november 2006 en december 2006 en januari 2007 en februari 2007 en maart 2007 en juni 2007, onjuist heeft gedaan aan de Inspecteur der Belastingen van de Belastingdienst, terwijl dat feit er toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting werd geheven, welke onjuistheid hierin bestaat dat in genoemd aangiftebiljet over die maanden, een onjuiste omzet en een te hoog bedrag aan voorbelasting, was opgegeven, aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven."

4.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen - voor zover te dezen van belang - waarnaar wordt verwezen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 38 onderscheidenlijk aldaar zijn weergegeven.

4.3.

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat [A] BV (naar de Hoge Raad begrijpt: in een fiscale eenheid met de verdachte) "de aangifte omzetbelasting over de maanden maart 2005 en april 2005 en mei 2005 en juni 2005 en december 2005 en februari 2006 en april 2006 en juni 2006 en juli 2006 en augustus 2006 en september 2006 en oktober 2006 en november 2006 en december 2006 en januari 2007 en februari 2007 en maart 2007 en juni 2007, onjuist heeft gedaan" niet zonder meer kan worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4.4.

Voor zover het middel hierover klaagt is het terecht voorgesteld.

5 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover - zoals hiervoor onder 1 vermeld - aan zijn oordeel onderworpen;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 oktober 2015.

Mr. Ilsink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.