Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2904

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-10-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
14/05262
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:548, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:3073, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verzekering volksverzekeringen. Art. 11, lid 2, Rijnvarendenverdrag, art. 7, lid 2, Verordening (EEG) 1408/71. Expolitant schip in Nederland. Werkgever in Cyprus, dat wél EU-lidstaat is, maar geen partij is bij Rijnvarendenverdrag. Betekenis van door Luxemburg afgegeven E106-verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2106
V-N 2015/55.14 met annotatie van Redactie
BNB 2015/231 met annotatie van P. KAVELAARS
FutD 2015-2399 met annotatie van Fiscaal up to Date
USZ 2015/369
NTFR 2015/2689 met annotatie van mr. J.C.L.M. Fijen
NTFRB 2016/12 met annotatie van dr. M.J.G.A.M. Weerepas
PS-Updates.nl 2019-0405
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 oktober 2015

nr. 14/05262

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 2 september 2014, nr. BK‑13/01726, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/3814) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 21 april 2015 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in 2009 in Nederland. Hij was in dat jaar in de Europese Unie in dienstbetrekking werkzaam op een binnenvaartschip (hierna: het schip). Het schip is eigendom van [B] B.V. (hierna: [B] ) te [Q] .

2.1.2.

Van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2009 was belanghebbende in dienst bij [C] Sarl (hierna: [C] ), gevestigd te Luxemburg. Van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009 was hij in dienst bij [D] Limited, gevestigd te Cyprus.

2.1.3.

Het toenmalige Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op 10 augustus 2007 een rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, lid 1, van de Wet vervoer binnenvaart afgegeven (hierna: de rijnvaartverklaring). De rijnvaartverklaring vermeldt [B] als eigenaar van het schip en [C] als exploitant van het schip. Op 24 juli 2009 is de rijnvaartverklaring ingetrokken.

2.1.4.

Voor het jaar 2009 is voor het schip een certificaat afgegeven als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte.

2.1.5.

Voor het jaar 2009 hebben de Luxemburgse autoriteiten aan belanghebbende een verklaring afgegeven op het formulier voor een zogenoemde E106‑verklaring (hierna: de E106-verklaring), welke verklaring inhoudt dat recht bestaat op verstrekkingen wegens ziekte en moederschap op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 (hierna: de Verordening).

2.1.6.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2009 verzocht om vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen op de grond dat hij het hele jaar niet in Nederland maar in achtereenvolgens Luxemburg en Cyprus was verzekerd. De Inspecteur heeft een aanslag opgelegd waarbij hij de verzochte vrijstelling niet heeft verleend voor de periode 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009.

2.1.7.

Niet in geschil is dat belanghebbende in 2009 een rijnvarende was in de zin van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (Trb. 1981, 43; hierna: het Rijnvarendenverdrag).

2.2.

Voor het Hof was in geschil of belanghebbende in de periode 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009 in Nederland verplicht verzekerd en daardoor premieplichtig was voor de volksverzekeringen. Daarbij ging het onder meer om de vragen of het Rijnvarendenverdrag in voormelde periode ook vanaf 1 oktober 2009 op belanghebbende van toepassing was en of Nederland met betrekking tot die gehele periode van premieheffing moest afzien als gevolg van de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E106‑verklaring.

2.3.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat niet in geschil is dat belanghebbende een rijnvarende is in de zin van het Rijnvarendenverdrag, zodat de voor de periode 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009 op hem toepasselijke wetgeving wordt bepaald op de voet van dat verdrag.

Voor de periode vanaf 1 oktober 2009 heeft belanghebbende zich voor het Hof beroepen op de omstandigheid dat Cyprus geen partij is bij het Rijnvarendenverdrag. Daarom wordt de aanwijzing van de toepasselijke wetgeving naar zijn oordeel gedurende die periode beheerst door de andersluidende regeling in Titel II van de Verordening. Het Hof heeft dit betoog verworpen aangezien Cyprus zich heeft geconformeerd aan de Verordening en aan de uitzonderingen die daarin zijn opgenomen, derhalve ook aan artikel 7, lid 2, van de Verordening, waarin is bepaald dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft.

2.3.2.

Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat gedurende de in geding zijnde periode op grond van artikel 11, lid 2, van het Rijnvarendenverdrag de Nederlandse wetgeving op belanghebbende van toepassing was, aangezien het schip toen werd geëxploiteerd voor rekening en risico van [B] , een in Nederland gevestigde BV. Dit leidt er volgens het Hof toe dat belanghebbende in die periode – en dus ook vanaf 1 oktober 2009 - in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen.

2.3.3.

Hieraan kan niet afdoen dat aan belanghebbende door de Luxemburgse autoriteiten voor het jaar 2009 een E106‑verklaring was afgegeven omdat deze verklaring is gegrond op de Verordening, die ingevolge artikel 7, lid 2, van de Verordening evenwel niet van toepassing is, aldus nog steeds het Hof.

2.4.1.

Middel IV klaagt erover dat het Hof niet is ingegaan op belanghebbendes beroep op de - op 24 juli 2009 ingetrokken - rijnvaartverklaring, die [C] als exploitant van het schip vermeldt. Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.4.2.

Bij de verdere beoordeling in cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat belanghebbende op grond van artikel 11, lid 2, van het Rijnvarendenverdrag tijdens de in geding zijnde periode uitsluitend was onderworpen aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving; het hiervoor in 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat de in Nederland gevestigde BV [B] toen - gelet op de feiten en omstandigheden van het geval - de ondernemer was voor wiens rekening het schip werd geëxploiteerd, wordt in cassatie niet bestreden.

2.5.

Middel I keert zich tegen ’s Hofs hiervoor in 2.3.1 vermelde oordeel dat de op belanghebbende toepasselijke wetgeving – ook vanaf 1 oktober 2009 - wordt bepaald op de voet van het Rijnvarendenverdrag en niet op de voet van de Verordening. Het middel faalt, aangezien dit oordeel juist is. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 september 2015, X en Van Dijk, C-72/14 en C-197/14, ECLI:EU:C:2015:564, punt 45 en 46, volgt dat de in artikel 7, lid 2, van de Verordening bedoelde toepasselijkheid van het Rijnvarendenverdrag meebrengt dat een rijnvarende niet valt onder de werkingssfeer van de Verordening, en de vaststelling van de op hem toepasselijke wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid daarom niet geschiedt overeenkomstig Titel II van die verordening. Gelet op de algemeen geformuleerde bewoordingen van de punten 45 en 46 van dit arrest, is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat Titel II van de Verordening ook niet toepasbaar is op een rijnvarende indien de toepassing van die titel zou leiden tot aanwijzing van de wetgeving van een lidstaat die geen partij is bij het Rijnvarendenverdrag.

2.6.

Middel II richt zich onder meer tegen het hiervoor in 2.3.3 weergegeven oordeel van het Hof over de betekenis van de Luxemburgse E106-verklaring. Het middel faalt in zoverre, aangezien ook dit oordeel juist is (zie HR 9 december 2011, nr. 10/03927, ECLI:NL:HR:2011:BQ2938, BNB 2012/56; vgl. ook punt 47 en 48 van het hiervoor in 2.5 genoemde arrest van het Hof van Justitie in de zaken X en Van Dijk over de betekenis van een verklaring die aan een rijnvarende is afgegeven in de vorm van een E101-verklaring).

2.7.

Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2015.