Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2903

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-10-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
14/02811
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:192, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:1769, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 27e, lid 1, AWR met ingang van 1 juli 2011. Informatiebeschikking. Onmiddellijke werking ook in bezwaarfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2015/50.5 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2015/2108
BNB 2016/3 met annotatie van E.B. Pechler
FED 2015/95 met annotatie van mr. M. Sanders
FutD 2015-2396 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/2710 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 oktober 2015

nr. 14/02811

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 april 2014, nr. BK‑13/00342, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 12/5205) betreffende de voor het jaar 2007 aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 2 maart 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende houdt een aandelenbelang in [A] B.V., gevestigd te [Q], en [B], gevestigd in Egypte.

2.1.2.

Bij brief van 20 juli 2010 heeft de Inspecteur belanghebbende medegedeeld dat naar aanleiding van zijn verzoek om informatie, verzonden op 24 augustus 2009, geen informatie is verstrekt en dat hij voornemens is af te wijken van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2007. Voorts heeft de Inspecteur belanghebbende in die brief erop gewezen dat een gevolg van het niet voldoen aan de informatieverplichting omkering van de bewijslast is.

2.1.3.

Met dagtekening 29 oktober 2010 is aan belanghebbende voor het jaar 2007 de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 22 mei 2012 heeft de Inspecteur de aanslag verminderd met een ‘aftrek elders belast’.

2.2.1.

Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 47 AWR. Omdat in fiscale kwesties waarin op 1 juli 2011 bezwaar aanhangig was artikel 25, lid 3, AWR van toepassing is zoals die bepaling luidde vóór 1 juli 2011, rust op belanghebbende de last overtuigend aan te tonen dat de aanslag onjuist is, aldus het Hof. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende daarin niet geslaagd.

2.2.2.

Het eerste middel is gericht tegen het hiervoor in onderdeel 2.2.1 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel houdt in dat de omkering van de bewijslast als bedoeld in artikel 27e, lid 1, AWR zoals die bepaling luidt vanaf 1 juli 2011, buiten toepassing dient te blijven nu ter zake van de in dit geding bestreden aanslag geen informatiebeschikking is genomen.

2.2.3.

Ingevolge de Wet van 27 mei 2011, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enige andere wetten ten behoeve van de rechtsbescherming met betrekking tot de administratieplicht en controlehandelingen van de fiscus (Stb. 2011, 265), zijn de artikelen 25, lid 3, en 27e AWR gewijzigd. Op grond van het nieuwe artikel 25, lid 3, AWR handhaaft de inspecteur de belastingaanslag of beschikking indien de vereiste aangifte niet is gedaan of indien sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking, tenzij is gebleken dat en in hoeverre die belastingaanslag of beschikking onjuist is. Het nieuwe artikel 27e, lid 1, AWR bepaalt voor zover hier van belang dat, behalve in gevallen waarin de vereiste aangifte niet is gedaan, voor omkering en verzwaring van de bewijslast in de beroepsfase sprake moet zijn van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking.

2.2.4.

Op grond van het Besluit van 14 juni 2011 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 27 mei 2011, Stb. 2011, 301, is de hiervoor in 2.2.3 bedoelde wetswijziging op 1 juli 2011 in werking getreden. In de Wet van 27 mei 2011 is niet voorzien in enige bepaling van overgangsrecht. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de wetgever geen aanleiding heeft gezien voor de toepassing van de in 2.2.3 genoemde, per 1 juli 2011 in werking getreden, bepalingen af te wijken van het uitgangspunt dat aan nieuwe regels onmiddellijke werking toekomt.

2.2.5.

Het overwogene onder 2.2.4 brengt mee dat voor elke vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar heeft te gelden dat de inspecteur zich slechts op de in artikel 25, lid 3, AWR voorziene omkering en verzwaring van de bewijslast kan beroepen indien hetzij een informatiebeschikking onherroepelijk geworden is, hetzij de vereiste aangifte niet is gedaan.

2.2.6

De Hoge Raad ziet aanleiding hierbij het volgende op te merken. In zaken waarin de inspecteur vóór 1 juli 2011 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, kan van een informatiebeschikking geen sprake zijn; het destijds geldende recht voorzag daarin niet en krachtens het sindsdien geldende artikel 52a AWR kan een informatiebeschikking alleen betrekking hebben op een nog te nemen beschikking. Strikte toepassing van het beginsel van onmiddellijke werking op de sedert 1 juli 2011 geldende tekst van artikel 27e, lid 1, AWR zou daarom meebrengen dat bij de behandeling in (hoger) beroep in de zojuist bedoelde gevallen, althans als de vereiste aangifte is gedaan, vanaf 1 juli 2011 nimmer sprake kan zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast, zelfs niet indien de inspecteur bij diens voor 1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar terecht heeft aangenomen dat die omkering en verzwaring van de bewijslast dwingend voortvloeit uit het toen geldende artikel 25, lid 3, letter b, AWR.

Er is geen aanwijzing dat de wetgever dit ongerijmde gevolg voor in (hoger) beroep te beoordelen zaken heeft voorzien en aanvaard. De aard van het door de belastingrechter uit te voeren onderzoek brengt mee dat de in de uitspraak op bezwaar vervatte beslissing van de inspecteur getoetst moet worden en de rechter zo nodig de beslissing neemt die de inspecteur had behoren te nemen. Het meest in overeenstemming daarmee is dat door die rechter wordt beoordeeld of de inspecteur bij zijn vóór 1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar diende uit te gaan van artikel 25, lid 3, letter b, AWR zoals die bepaling op dat moment gold. Daarom moet worden aangenomen dat de vanaf 1 juli 2011 in artikel 27e, lid 1, AWR opgenomen eis van een informatiebeschikking niet kan worden gesteld indien het (hoger) beroep is gericht tegen een uitspraak op bezwaar die is gedaan voor 1 juli 2011.

2.2.7.

Het Hof is bij zijn beoordeling uitgegaan van een andere rechtsopvatting dan hiervoor in 2.2.5 is weergegeven. Aangezien de uitspraak op bezwaar is gedaan ná 1 juli 2011, is de onder 2.2.6 beschreven uitzondering niet van toepassing.

2.3.

Het eerste middel slaagt daarom. De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. Het tweede middel behoeft geen bespreking.

2.4.

Verwijzing moet volgen voor een behandeling van de door het Hof niet behandelde stelling van de Inspecteur dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan en vervolgens een hernieuwde behandeling van de zaak in volle omvang met inachtneming van dit arrest.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 122, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2940 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2015.