Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2881

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
13/03790
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1592, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

HR herhaalt overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:833 omtrent het verrichten van onderzoek naar proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag. De Rechtbank heeft kennelijk aanleiding gezien te onderzoeken of voortzetting van het beslag op de inbeslaggenomen geldbedragen in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Haar oordeel daaromtrent is i.c. ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0425
RvdW 2015/1068
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 september 2015

Strafkamer

nr. S 13/03790 B

IC/DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 april 2013, nummer RK 13/141, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de klager, mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de motivering door de Rechtbank van de gegrondverklaring van het namens de klager ingediende klaagschrift voor zover die gegrondverklaring betrekking heeft op de inbeslaggenomen geldbedragen.

2.2.

De Rechtbank heeft het namens de klager ingediende klaagschrift, strekkende onder meer tot teruggave van de onder de klager op de voet van art. 94a Sv inbeslaggenomen geldbedragen van in totaal € 5.350,-, gegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

"De rechtbank geeft ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag aan dat de vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De vraag of het buiten redelijke twijfel is dat klager eigenaar is van het geldbedrag is, nu klager de beslagene is, niet aan de orde.

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat klager wordt verdacht van het witwassen van gelden die van misdrijf afkomstig zijn. Klager zou deze gelden onder andere hebben geïnvesteerd in de aankoop van onroerend goed. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter aan verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank is echter van mening dat het recht van verhaal voldoende wordt gewaarborgd door het beslag dat is gelegd op panden van klager en acht voortzetting van het beslag op voornoemd geldbedrag niet noodzakelijk voor voordeelsontneming. De rechtbank zal het klaagschrift ten aanzien van het geldbedrag eveneens gegrond verklaren en teruggave gelasten van voornoemd geldbedrag."

2.3.

De Rechtbank heeft bij de beoordeling van het klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste lid, Sv, de juiste maatstaf aangelegd. De toe te passen maatstaf vergt niet een (ambtshalve) onderzoek met betrekking tot de vraag of voortzetting (onder voorwaarden) van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat in verband met hetgeen door of namens de klager is aangevoerd de rechter in de motivering van zijn beslissing ervan blijk dient te geven een dergelijk onderzoek te hebben verricht (vgl. HR 1 oktober 2013,ECLI:NL:HR:2013:833, NJ 2014/278).

2.4.

De Rechtbank heeft kennelijk aanleiding gezien te onderzoeken of voortzetting van het beslag op de in beslag genomen geldbedragen in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Door in dit verband enkel te overwegen "dat het recht van verhaal voldoende wordt gewaarborgd door het beslag dat is gelegd op panden van klager en voortzetting van het beslag op voornoemde geldbedrag niet noodzakelijk [is] voor voordeelsontneming" heeft de Rechtbank haar oordeel daaromtrent ontoereikend gemotiveerd.

2.5.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ten aanzien van de inbeslaggenomen geldbedragen van in totaal € 5.350,–;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2015.