Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2868

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
14/05541
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1623, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:8237, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanhoudingsverzoek. Art. 28 en 41 Sv, art. 6.3 onder b en c EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2011:BT6406, NJ 2012/29. ’s Hofs in de motivering van de beslissing tot afwijzing van het aanhoudingsverzoek tot uitdrukking gebrachte oordeel dat de rm ondanks zijn mededeling dat hij de verdediging heeft neergelegd totdat de vergoeding van de door hem te verlenen rechtsbijstand met de Raad voor Rechtsbijstand geregeld is, nog wel als toegevoegde rm van de verdachte heeft te gelden en dat de verdachte bij de behandeling van de zaak t.tz. op zichzelf nog steeds aanspraak kon maken op rechtsbijstand door deze rm geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 41 Sv en is niet onbegrijpelijk. V.zv. het Hof in zijn overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat het gaat om het recht op rechtsbijstand van de verdachte en niet tevens om de feitelijk aan de verdachte verleende rechtsbijstand is dat oordeel evenwel onjuist. I.c. is sprake van ernstige misdrijven waarvoor in e.a. door de Rb een gevangenisstraf van 9 jaren en de maatregel TBS was opgelegd. Gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verdachte op het spel stond, lijdt het geen twijfel dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid. Uit het p-v van de tz. in h.b. blijkt dat de strafzaak tegen de verdachte behandeld is zonder dat de verdachte het hem toekomende recht op rechtsbijstand feitelijk heeft kunnen uitoefenen. Daarom klaagt het middel terecht dat in de gegeven omst. door afwijzing van het verzoek tot aanhouding door het Hof art. 6.3 onder b en c EVRM is geschonden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 28
Wetboek van Strafvordering 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1803
RvdW 2015/1053
NJ 2015/429 met annotatie van T.M. Schalken
NBSTRAF 2015/255 met annotatie van mr. C. van Oort
SR-Updates.nl 2015-0421
NbSr 2015/255 met annotatie van mr. C. van Oort
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 september 2015

Strafkamer

nr. S 14/05541

NGB/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 28 oktober 2014, nummer 21/000996-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat het Hof art. 6, derde lid onder b en c, EVRM heeft geschonden door de afwijzing van een verzoek om aanhouding van de zaak.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1.

hij op 24 oktober 2012 in de gemeente Hengelo (O), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een vrouw, genaamd [betrokkene] (ex-partner) van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, [betrokkene] meermalen, met messen, in het gezicht en de hals en de arm en de buik en elders in het hoofd en het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 24 oktober 2012 in de gemeente Hengelo (O) een vrouw, genaamd [betrokkene] (ex-partner) meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte telkens opzettelijk dreigend:

- aan de ouders van [betrokkene] sms-berichten toegezonden met in die berichten de tekst -zakelijk weergegeven- dat verdachte die [betrokkene] wilde vermoorden/dood maken, en

- een brief bestemd voor die [betrokkene] meegegeven met in die brief de tekst -zakelijk weergegeven- dat verdachte die [betrokkene] wilde vermoorden/dood maken, welke bedreigingen ter kennis van die [betrokkene] zijn gekomen."

2.3.

Het Hof heeft de verdachte ter zake van 1. 'poging tot moord' en 2. 'bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd' veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 8.052,- en oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, en voorts gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Het bestreden arrest houdt omtrent de oplegging van de straf en de maatregel van terbeschikkingstelling het volgende in:

"Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van goederen vereisen dat aan verdachte naast oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling van overheidswege opgelegd wordt, waartoe het hof ook zal overgaan. Voor wat betreft de motivering van de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de maatregel van terbeschikkingstelling sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en neemt deze over.

Gezien de aard van de bewezenverklaring betreft de veroordeling een geweldsmisdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Anders dan de rechtbank ziet het hof wel aanleiding om de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken. Hoewel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, zoals opgelegd door de rechtbank, recht doet aan de ernst van het feit, is het hof van oordeel dat in dit concrete geval gelet op de evidente relatie tussen het delict en de stoornis van verdachte zoals deze uit de rapportages naar voren komt, de nadruk meer dient te liggen op de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dan op de gevangenisstraf. Met een kortere onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan het behandeltraject van verdachte binnen een wat kortere en daarmee voor verdachte beter overzienbare tijd aanvangen. Het hof acht daarom naast de maatregel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren passend en geboden."

2.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2014 houdt het volgende in:

"De voorzitter merkt op dat het hof kennis heeft genomen van de volgende brieven van mr R.F. Speijdel, advocaat te Enschede:

• Een brief van 1 oktober 2014. Hierin zet de raadsman uiteen dat hij onderhavige zaak heeft overgenomen van mr Hendrickx. Op 2 september 2014 heeft hij de stukken ontvangen. Op 9 september 2014 ontving hij van het hof een wijziging last toevoeging. Thans is het zo dat de raadsman bij de Raad voor Rechtsbijstand heeft verzocht om door de overheid gefinancierde rechtsbijstand omdat de forfaitaire vergoeding door de vorige raadsman al geheel is gedeclareerd. De door hem verzochte toestemming extra uren heeft hij echter nog niet gekregen. Hij verwacht niet dat deze toestemming tijdig voor de zitting van 14 oktober 2014 alsnog zal worden verleend. De raadsman is niet bereid om de zaak te behandelen zonder dat daar de normale vergoeding van de raad tegenover staat. Daarom verzoekt hij om aanhouding van de zaak.

Het verzoek is door de voorzitter afgewezen met het argument dat deze problematiek de eigen verantwoordelijkheid is van de raadsman en niet bij het hof dient te worden neergelegd.

• Een brief van 7 oktober 2014 waarin hij aangeeft principieel niet bereid te zijn om rechtsbijstand te verlenen ingeval niet zeker is dat er door de Raad voor Rechtsbijstand daar een vergoeding voor wordt toegekend en hij weet wat de hoogte daarvan (ongeveer) is. Daarvoor voert hij verschillende redenen aan. De raadsman verzoekt wederom om aanhouding en schrijft dat indien het hof het verzoek afwijst (of nader ter zitting wenst te bespreken) hij voor de komende zitting de verdediging zal neerleggen. Het verzoek om aanhouding is door de voorzitter wederom afgewezen.

• Een brief van 9 oktober 2014 waarin de raadsman heeft laten weten dat hij de verdediging van verdachte met onmiddellijke ingang heeft neergelegd.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik weet dat mijn raadsman de verdediging heeft neergelegd. Wij hebben hierover gesproken. Hij vertelde mij dat hij het dossier pas zeer kort in zijn bezit had en dat er problemen waren met de betaling. Ik wil dat de zaak vandaag wordt aangehouden.

U houdt mij voor dat ik in eerste aanleg drie verschillende advocaten heb gehad en dat in hoger beroep mr Speijdel ook al mijn tweede advocaat is. Dat klopt. Dat hebben mijn ouders gedaan. Zij willen iedere keer wisselen van advocaat. Ik heb na het bericht van mr Speijdel geen contact opgenomen met of gezocht naar een andere advocaat. Mr Speijdel heeft mij gezegd om aanhouding van de zaak te verzoeken en ik wil ook aanhouding van de zaak. Ik heb het zo begrepen dat zodra hij toezegging heeft van de Raad voor de Rechtsbijstand over de betaling, hij mijn zaak weer oppakt.

De advocaat-generaal deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik ben van oordeel dat gelet op de hele gang van zaken op dit moment aanhouding moet worden verleend. Ik geef verdachte nu nog het voordeel van de twijfel. Het is de eerste keer dat hij in hoger beroep om aanhouding van de zaak vraagt. Maar een eventuele volgende keer zal ik minder coulant zijn.

De voorzitter onderbreekt de terechtzitting voor het houden van beraad.

De voorzitter hervat het onderzoek.

De voorzitter deelt als beslissing van het hof het volgende mede. Verschillende belangen moeten worden afgewogen bij de beoordeling van een verzoek om aanhouding van de zaak. Daarbij is in het onderhavige geval enerzijds aan de orde het belang van de verdachte om zich ter zitting bij te laten staan door zijn raadsman. Daarbij moet worden opgemerkt dat het niet gaat om het feitelijke recht op rechtsbijstand. Immers verdachte heeft wel degelijk een advocaat, namelijk mr Speijdel. Hoewel mr Speijdel in zijn brief van 9 oktober 2014 aangeeft de verdediging neer te leggen, is er wel sprake van toevoeging. Nu er nog geen opvolgend raadsman is, blijft mr Speijdel de raadsman van verdachte. Daarbij komt dat verdachte ter zitting heeft aangegeven niet op zoek te zijn naar een andere advocaat omdat er is afgesproken dat mr Speijdel de verdediging weer oppakt zodra de vergoeding is geregeld. Anderzijds spelen er andere belangen, te weten het belang van de strafrechtspleging bij een goede en voortvarende afdoening van de zaak, het belang van de organisatie van de rechtspraak en het belang van de benadeelde partij.

Het hof heeft de verschillende belangen tegen elkaar afgewogen en heeft in zijn oordeel betrokken dat de verdachte inmiddels al vier keer is gewisseld van advocaat, drie keer in eerste aanleg en één keer in hoger beroep. In eerste aanleg is de zitting hiervoor twee maal aangehouden. Mr Speijdel is aldus inmiddels de vijfde advocaat. Alles afgewogen komt het hof tot de conclusie dat in dit geval het belang van de strafrechtspleging bij een goede en voortvarende afdoening van de zaak, het belang van de organisatie van de rechtspraak en het belang van de benadeelde partij zwaarwegender zijn dan het aan de orde zijnde belang van verdachte om zijn advocaat aanwezig te hebben op de zitting. Het verzoek om aanhouding zal dus worden afgewezen en de zaak zal vandaag inhoudelijk worden behandeld.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven.

Verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld.

De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van de stukken van de zaak, waaronder:

(...)

De verdachte verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt:

Op 24 oktober 2012 kwam ik om acht uur in de ochtend vrij uit detentie. Diezelfde middag om half twee mocht ik de kinderen zien. Om half zeven 's avonds gingen de kinderen weer naar mijn ex-partner. Om zeven uur 's avonds was ik bij de kappers-zaak. Daar ben ik omstreeks half negen, negen uur weer weggegaan. U houdt mij voor dat de taxichauffeur heeft verklaard dat hij omstreeks 19:50 uur van de centralist de opdracht kreeg te gaan naar de kapper aan de Deldenerstraat te Hengelo, alwaar hij mij heeft opgehaald en heeft weggebracht naar de kopse kant van de Botstraat. Ik kan u zeggen dat er niets klopt van de verklaring van de taxichauffeur. Het klopt ook niet wat mijn halfzussen hebben verklaard. Ik heb geen contact meer met hen. Ik ga me beroepen op mijn zwijgrecht. Ik heb geen raadsman. Hoe kan ik mezelf verdedigen? Ik heb de zaak niet eens besproken met mijn raadsman. Het is niet rechtvaardig. In eerste aanleg heb ik ook geen eerlijk proces gehad.

Ik wil u nog zeggen dat ik tot half zeven 's avonds de kinderen heb gehad. Daarna gingen ze weer terug naar hun moeder, mijn ex-partner. Als ik van plan zou zijn om mijn ex-partner iets aan te doen, zou ik dat toch nooit doen waar de kinderen bij zijn? Mijn vader heeft 18 kinderen en alle jongens lijken op elkaar. Misschien was het wel een van mijn (half)broers. U houdt mij voor dat er ook sprake is van een dreigend sms-je naar de stiefvader van het slachtoffer. Ik kan u daarover zeggen dat ik al eerder van iets dergelijks beschuldigd ben. Toen ben ik daarvoor vrijgesproken. Vermoedelijk is dat berichtje gestuurd met de computer via hot sms. Mijn telefoontoestel heb ik tijdens mijn detentie aan mijn broertje gegeven. Hij heeft het weggegooid. Ik weet dat mijn ex-partner een dubbele simkaart heeft. Ze stuurt ook regelmatig sms-jes via hot sms. Ik weet natuurlijk niet of zij ook die dreig-sms naar haar stiefvader heeft gestuurd, maar het is niet onmogelijk.

Het klopt dat de relatie tussen mij en het slachtoffer over was. Het is niet zo dat ik geen genoegen nam met het feit dat het over was. Ik weet niet of mijn ex is gestoken door een ander. Dat kan natuurlijk wel. Ik denk wel dat zij daadwerkelijk is gestoken. Dat zeiden ze namelijk bij de rechtbank. Bij mijn aanhouding wist ik dat allemaal nog niet. Dat er DNA van mij is aangetroffen in het huis van het slachtoffer wil ik wel geloven. Ik was er immers vaak in huis geweest.

Zowel de taxichauffeur, mijn ex-partner, haar vriendin en mijn halfzusters liegen allemaal. Ten aanzien van de verklaring van mijn moeder kan ik u zeggen dat zij geen Nederlands kan. Ik wil nogmaals opmerken dat ik niet wil praten zonder mijn advocaat.

Ten aanzien van mijn persoonlijke omstandigheden kan ik u zeggen dat ik het niet eens ben met wat er in het PBC-rapport staat. Het klopt wel dat ik niet wilde meewerken aan het onderzoek in het PBC. Ik heb in het verleden één keer meegewerkt. Dat was in 2004 of zo. Toen hebben ze me twee minuten gesproken en vervolgens allemaal conclusies getrokken die niet kloppen. Er was toen geen enkele test gedaan. Er klopt dus niets van wat er in de rapportages is geschreven. Ik voel me miskent en niemand begrijpt mij. Mijn vertrouwen in psychiaters en de psychologen is weg. Ik wil niet alsnog meewerken. Ik heb geen persoonlijkheidsstoornis. Ik wil ook niet meer in Nederland blijven. Ik wil weg hier. Ik wil naar Turkije. Er is al om uitlevering gevraagd. Ik heb hier niets meer te zoeken. Mijn Nederlandse paspoort mogen ze hebben.

De voorzitter legt verdachte uit dat meewerken aan een onderzoek bij het PBC ook kan opleveren dat er geen sprake is van een stoornis; zoals de verdachte vindt. De voorzitter vraagt nogmaals aan verdachte of hij zeker is dat hij zich niet wil laten onderzoeken in het PBC.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Neen, ik wil niet meewerken. Ik wil weg uit Nederland.

De voorzitter houdt verdachte voor dat de benadeelde partij een vordering ingediend heeft van € 8.052,00. Deze vordering is door de rechtbank in zijn geheel toegewezen en is in hoger beroep dus opnieuw aan de orde.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Het is zo onrechtvaardig dat zij een vordering indient.

De advocaat-generaal voert het woord, leest de vordering voor en legt die aan het hof over.

De verdachte voert het woord tot verdediging, zakelijk weergegeven:

De advocaat-generaal maakt een monster van mij. Daar herken ik me absoluut niet in. Ik vraag me af of er DNA is aangetroffen in de taxi. Als dat zo zou zijn, kan dat ook afkomstig zijn van een klein wondje of een bloedneus. In het huis van het slachtoffer ligt overal DNA van mij. Het is juist van belang dat er op zoek wordt gegaan naar DNA materiaal van een onbekende persoon.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik hoop dat u de juiste beslissing neemt. Met die TBS die boven mij hoofd hangt, heb ik helemaal niks om aan vast te klampen. Ik bedoel daarmee, dat ik dan geen einddatum heb. Ik wil emigreren. Ik wil naar Turkije. Ik heb hier niets meer.

Het hof verklaart het onderzoek gesloten (...)"

2.5.

Art. 6, derde lid onder c, EVRM kent de verdachte het recht toe om zichzelf te verdedigen dan wel zich te laten bijstaan door een advocaat. Die verdragswaarborg komt ook tot uitdrukking in het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge art. 28, eerste lid, Sv is de verdachte bevoegd zich door een of meer gekozen of toegevoegde raadslieden te doen bijstaan. De in dat wetboek voorziene toevoeging van een raadsman aan de verdachte is in een aantal gevallen verplicht, onder meer wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt of heeft bevonden (art. 41 Sv). Of een verdachte zichzelf ter terechtzitting wil verdedigen dan wel zich wil laten verdedigen door een raadsman, is ter vrije keuze van de verdachte. (Vgl. HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6406, NJ 2012/29.)

2.6.

Het Hof heeft het verzoek van de verdachte de behandeling van de zaak aan te houden teneinde zich van rechtsbijstand te kunnen voorzien, afgewezen. Het Hof heeft in de motivering van die beslissing tot uitdrukking gebracht dat de raadsman ondanks zijn mededeling dat hij de verdediging heeft neergelegd totdat de vergoeding van de door hem te verlenen rechtsbijstand met de Raad voor Rechtsbijstand geregeld is, nog wel als toegevoegde raadsman van de verdachte heeft te gelden en dat de verdachte bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting op zichzelf nog steeds aanspraak kon maken op rechtsbijstand door deze raadsman. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent art. 41 Sv en is niet onbegrijpelijk. Voor zover het Hof in zijn overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat het gaat om het recht op rechtsbijstand van de verdachte en niet tevens om de feitelijk aan de verdachte verleende rechtsbijstand, is dat oordeel evenwel onjuist.

2.7.

In deze zaak is sprake van ernstige misdrijven waarvoor in eerste aanleg door de Rechtbank een gevangenisstraf van negen jaren en de maatregel van terbeschikkingstelling was opgelegd. Gelet op de juridische merites van de zaak en hetgeen er voor de verdachte op het spel stond, lijdt het geen twijfel dat met rechtsbijstand ter terechtzitting een wezenlijk belang was gemoeid. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de strafzaak tegen de verdachte behandeld is zonder dat de verdachte het hem toekomende recht op rechtsbijstand feitelijk heeft kunnen uitoefenen. Daarom klaagt het middel terecht dat in de gegeven omstandigheden door afwijzing van het verzoek tot aanhouding door het Hof art. 6, derde lid onder b en c, EVRM is geschonden.

2.8.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2015.