Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2867

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
13/04907
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1470, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:2927, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Noodweer. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2006:AX9177. Gelet op de door het Hof vastgestelde f&o is de verwerping van het beroep op noodweer niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/1072
SR-Updates.nl 2015-0420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 september 2015

Strafkamer

nr. S 13/04907

IF/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 9 juli 2013, nummer 22/005201-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Verschuren, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 19 maart 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes dichtbij het bovenlichaam van die [aangever] heeft gezwaaid en daarbij die [aangever] met dat mes heeft geraakt in diens bovenlichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 19 maart 2012 van de Politie Haaglanden met nummer PL1534 2012059293-1 (dossierpagina 23 en verder). Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als de op 19 maart 2013 afgelegde verklaring van [aangever] :

Op 19 maart 2012, omstreeks 12:48 uur, wilde ik een kennis die in mijn woning aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage verbleef het huis uitzetten. Ik liep samen met hem de trap af. Beneden pakte ik de verdachte beet. Ik zag dat hij met zijn rechterhand in zijn rechter achterzak zat. Ik zag dat hij een mes pakte. Het was een zakmes, een vouwmes. De verdachte probeerde mij te steken. Ik zag dat hij mij in mijn zij stak met het mes. Ik merkte dat ik bloedde. Ik voelde een hevige pijn in mijn linkerzij onder mijn oksel.

2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 19 maart 2013 van de Politie Haaglanden met nummer PL1534 2012059293-3-(dossierpagina 34 en verder). Dit proces-verbaal houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

als de op 19 maart 2013 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Op 19 maart 2012, omstreeks 12:50 uur, bevond ik mij in mijn woning aan de [a-straat] te 's-Gravenhage. Ik zag dat een man het portiek met de huisnummers [1] t/m [10] in naar boven liep. Ik zag dat de gordijnen van de woning op nummer [1] open gingen en dat er een jongen naar beneden keek. Ik zag vervolgens de jongen en de man vanaf de trap naar beneden komen. Ik zag dat de man de jongen stevig beet hield en hem mee trok. Ik hoorde de jongen schreeuwen: "Laat me los, laat me gaan." Ik zag dat de jongen in zijn rechterhand een mes had.

Het was een mes met een snijgedeelte van ongeveer 10 centimeter. Ik zag dat hij probeerde los te komen. Ik zag dat de jongen een snijdende beweging maakte van links naar rechts. Ik zag dat de man zijn jasje uittrok en dat zijn linkerzijde nat was.

3. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2013 verklaard, zakelijk weergegeven:

Op 19 maart 2012 lag ik te slapen in de op dat moment door mij gehuurde bovenwoning aan de [a-straat 1] in Den Haag. Ik werd wakker doordat [aangever] naar boven stormde. [aangever] was mijn huisbaas. Ik moest mee naar beneden, de trap af. Buiten werd ik beetgepakt door [aangever] . Tijdens een worsteling met [aangever] zag ik kans om een mes dat ik altijd bij me had uit mijn achterzak te pakken. Dit mes was iets groter dan een zakmes. Met dit mes heb ik een zwaaiende beweging richting [aangever] gemaakt.

Toelichting op nadere bewijsoverweging

De vaststelling van feiten zoals vermeld in de overweging waarin het beroep op noodweer(exces) wordt behandeld is gebaseerd op het proces-verbaal aangifte van [aangever] (pagina 23 e.v.), met inbegrip van het handgeschreven exemplaar daarvan (pagina 26 e.v.), op het proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 1] (pagina 34 e.v.) en op de eigen verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep."

2.4.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"Noodweer

7. Er is sprake van een wederrechtelijke aanranding. Deze begon al in de woning. Cliënt verblijft rustig in zijn eigen huis, terwijl hij net een dag uit de cel is. U moet zich voorstellen wat er met je gebeurt als er dan ineens twee personen met geweld je huis binnenvallen. De deur wordt ingetrapt en je wordt beetgepakt en rondgeslingerd. Mag je dan woede en angst hebben wanneer dit je overkomt in je private domein? Dat hij hem tegen een dressoir heeft aangegooid wordt ook bevestigd door aangever in een tweede verklaring. Ook zou er volgens cliënt een wapen aan te pas zijn gekomen. Er is voor hem geen enkele mogelijkheid om dit nader te onderbouwen.

8. Aangever stelt dat hij rustig de trap afliep vanuit de woning en dat cliënt rustig achter hem aanliep. Op enig moment zou cliënt degene zijn geweest die aangever bij de kladden zou hebben gevat. Onmiddellijk daarop zou cliënt vervolgens een mes hebben gepakt. Een ongeloofwaardige verklaring nogmaals. Deze vindt geen enkele steun in de verklaring van de onafhankelijke getuige. Cliënt daarentegen heeft onmiddellijk bij de politie een openhartige verklaring afgelegd. Deze verklaring vindt ook volledig steun in de verklaring van de onafhankelijke getuige voor zover de getuige [betrokkene 1] dit ook heeft kunnen waarnemen. Daarbij moet worden opgemerkt dat cliënt op dat punt natuurlijk niet op de hoogte was van de verklaring van [betrokkene 1] .

9. Het is overigens ook tegenstrijdig dat de politierechter enerzijds de verklaring van aangever voor het bewijs gebruikt en anderzijds de verklaring van

[betrokkene 1] . Deze verklaringen staan echter haaks op elkaar.

10. Ik ga dan ook uit van de verklaring van cliënt en de verklaring van [betrokkene 1] . Ik verzoek u hetzelfde te doen bij uw beraadslaging. Nadat hij enkele klappen hoorde belde hij meteen de politie. Daarna is hij naar beneden gegaan. Ik citeer: p. "Ik zag vervolgens de jongen en de man vanaf de trap naar beneden komen. Ik zag dat de man de jongen bij zijn shirt stevig beet hield en hem naar beneden trok. Ik hoorde de jongen schreeuwen: "laat me los, laat me gaan, ik ben pas een dag vrij".

Ik hoorde de jongen dit meerdere malen roepen. Ik zag dat de jongen zich probeerde los te rukken maar dat dit niet lukte. Hoorde de jongen meerdere malen schreeuwen dat de man hem los moest laten. Ik zag ineens dat de jongen in zijn rechterhand een mes had, het was een mes waarvan het snijgedeelte ongeveer 10 cm lang was. Ik zag dat hij probeerde los te komen en dat dit WEER niet lukte. Ik zag dat de jongen een snijdende beweging maakte van links naar rechts alsof hij de man op die manier probeerde af te weren. Ik zag hem in ieder geval geen steekbeweging naar voren maken, ik denk dat de wond ook niet heel diep is. (...) Ik had het idee dat de jongen de man had gestoken om zichzelf te verdedigen."

11. Ook getuige [betrokkene 3] verklaart dat de oudere man bleef graaien naar de jongen. Hij maakte ook slaande bewegingen richting het lichaam van die jongen.

12. Uitgaande van deze verklaring blijkt dat cliënt alles heeft gedaan wat mogelijk is om zich los te rukken. Zelfs op het moment dat hij het mes in zijn handen had, is hij niet onmiddellijk gaan zwaaien, maar heeft hij zich nog met het mes in de hand proberen los te rukken. Kennelijk was dit voor aangever nog steeds geen reden om cliënt los te laten. Uiteindelijk heeft hij als laatste redmiddel met het mes een afwerende beweging gemaakt om afstand te creëren. Hij heeft geen moment een stekende beweging gemaakt. Dit is ook bij één beweging gebleven ter noodzakelijke verdediging. Daarna heeft hij meteen de benen genomen, toen de aanval was afgewend. Hij kon niet anders en de verdediging is dan ook proportioneel en subsidiair te noemen. Ik zie niet in wat de politierechter van mijn cliënt had verwacht als hij zegt dat er andere mogelijkheden waren."

2.5.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Beroep op noodweer(exces)

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman betoogd - op gronden als nader omschreven in zijn pleitnotities - dat aan de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Op grond van de inhoud van het dossier zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken gaat het hof bij de beoordeling van de zaak uit van de volgende feiten en omstandigheden. Terwijl de verdachte in zijn bovenwoning aan de [a-straat 1] te 's-Gravenhage lag te slapen werd aldaar op 19 maart 2012 de benedendeur geforceerd door aangever [aangever] en zijn compaan [betrokkene 2] . [aangever] heeft hierover verklaard dat hij 'verhaal wilde halen' bij de verdachte. [aangever] ging samen met [betrokkene 2] de woning van de verdachte in. In de slaapkamer aangekomen pakte aangever de verdachte beet en smeet hem tegen het dressoir. Op enig moment kreeg de verdachte van aangever een pistool te zien. Hierna ging dit pistool over in de handen van [betrokkene 2] en verdween het uit het zicht van de verdachte. Ook [betrokkene 2] zelf verdween tijdelijk uit beeld. De verdachte werd vervolgens in de gelegenheid gesteld zich aan te kleden. Het hof stelt vast dat in de bovenwoning sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte door aangever en diens compaan [betrokkene 2] , maar dat deze eindigde op het moment waarop de verdachte in de gelegenheid wordt gesteld zich aan te kleden.

De verdachte moest vervolgens mee naar beneden. Hij liep samen met aangever de trap af, waarbij aangever voorop liep en de verdachte achterwaarts vasthield. Buiten gekomen was ook [betrokkene 2] weer aanwezig. De verdachte werd opnieuw beetgepakt en gesommeerd in een auto plaats te nemen. Er ontstond een worsteling. De verdachte, die ernstig rekening hield met de - gelet op het voorafgaande in zijn visie reële - mogelijkheid dat het pistool dat hij boven had gezien nog steeds in de buurt was, zag kans een mes uit de achterzak van zijn broek te pakken. Hij maakte hiermee een zwaaiende beweging richting [aangever] waardoor deze in het bovenlichaam werd geraakt. [aangever] liet de verdachte hierop los, waarna deze wegvluchtte.

Het hof is van oordeel dat buiten de woning opnieuw sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte waartegen hij zich mocht verdedigen. De verdachte heeft hierbij echter de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden door zich met een mes te verdedigen tegen iemand die hem met zijn handen vastpakte. Op dat moment was er geen sprake van een bedreiging met een pistool. Daarom verwerpt het hof het beroep op noodweer.

Ambtshalve stelt het hof vast dat de situatie ook niet zodanig was dat van putatief noodweer kan worden gesproken.

(...)

Beide verweren worden mitsdien verworpen."

2.6.

Bij de beslissing of een gedraging geboden is door een noodzakelijke verdediging, komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval (vgl. HR 21 november 2006, LJN AX9177, NJ 2006/650).

De door het Hof in zijn overwegingen vastgestelde feiten en omstandigheden, houden - samengevat - het volgende in. In de bovenwoning van de verdachte is sprake geweest van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever die 'verhaal wilde halen', waarbij de aangever de verdachte een pistool heeft laten zien. De verdachte moest vervolgens met de aangever mee de trap af naar beneden. Buiten gekomen is de verdachte opnieuw beetgepakt en gesommeerd in een auto plaats te nemen, waarop een worsteling volgde. Naar het oordeel van het Hof heeft de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden door zich met een mes te verdedigen tegen iemand die hem met zijn handen vastpakte.

Gelet op de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden is de verwerping van het beroep op noodweer niet zonder meer begrijpelijk.

2.7.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2015.