Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2814

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2015
Datum publicatie
25-09-2015
Zaaknummer
14/03220
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:807, Gevolgd
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1021, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:3132, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

(Appel)procesrecht. Ontvankelijkheid in hoger beroep, apparaatsfout (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359). Verschoonbare termijnoverschrijding in dagvaardingsprocedure (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894), ratio uitzondering op strikte handhaving rechtsmiddelentermijnen. Toegang tot elektronisch roljournaal, positie gemachtigde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvPP 2015, afl. 6, p. 178
NJ 2015/389
NJB 2015/1738
JWB 2015/329
RvdW 2015/1017

Uitspraak

25 september 2015

Eerste Kamer

14/03220

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. A.C. van Schaick,

t e g e n

1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],

2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],

3. [verweerster 3],
wonende te [woonplaats],

4. [verweerder 4],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en zijn broers en zuster.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 315832\CV EXPL 11-4146 van de pachtkamer van de rechtbank Roermond van 3 april 2012 en 4 december 2013;

b. het arrest in de zaak 200.141.169 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 april 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Zijn broers en zuster hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie en de aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 april 2014 en tot verwijzing.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 11 juni 2015 op de conclusie gereageerd. De advocaat van zijn broers en zuster heeft dat gedaan bij brief van 12 juni 2015. Die advocaat heeft voorts bij brief van 3 juli 2015 op de aanvullende conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In deze zaak gaat het om een pachtgeschil dat aanhangig is tussen [eiser] en zijn broers en zuster. [eiser] is bij exploot van 17 januari 2014 in hoger beroep gegaan tegen de door de rechtbank op 3 april 2012 en 4 december 2013 uitgesproken vonnissen. Het hof heeft hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

3.2.1

Het hof heeft hiertoe, samengevat weergegeven, als volgt overwogen.

De termijn van hoger beroep tegen vonnissen van de pachtkamer bedraagt één maand na de dag van de uitspraak (art. 1019o lid 2 Rv). [eiser] heeft deze beroepstermijn overschreden. (rov. 3.1)

[eiser] heeft betoogd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat hij voor het verstrijken van de appeltermijn niet wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechtbank op 4 december 2013 vonnis had gewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd (i) dat de griffie van de rechtbank zijn gemachtigde heeft meegedeeld dat de zaak op de zitting van 8 januari 2014 voor vonnis stond en (ii) dat hij het vonnis pas op 9 januari 2014 heeft ontvangen, nadat zijn gemachtigde daarnaar eerder op die dag bij de griffie had geïnformeerd. Deze omstandigheden kunnen echter geen uitzondering op de regel van strikte handhaving van de beroepstermijn rechtvaardigen. Anders dan het geval is in een verzoekschriftprocedure, had [eiser], die werd bijgestaan door een professionele gemachtigde, ter rolle kunnen zien dat uitspraak werd gedaan. Het feit dat de griffie van de rechtbank op 5 november 2013 aan de gemachtigde had bericht dat op 8 januari 2014 vonnis zou worden gewezen, maakt dat niet anders. Het had de gemachtigde, als professionele rechtsbijstandverlener, bekend moeten zijn dat regelmatig vonnis wordt gewezen op een andere datum dan aangezegd. De gemachtigde had daarmee dan ook rekening behoren te houden en de appeltermijn behoren te bewaken, juist ook gezien de kortere duur daarvan. Er bestaat geen aanleiding de in HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, NJ 2005/465 voor een verzoekschriftprocedure aanvaarde uitzonderingsmogelijkheid zich ook te laten uitstrekken tot een geval als het onderhavige. (rov. 3.3-3.5)

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die rechtvaardigen een uitzondering te maken op de regel van strikte handhaving van de beroepstermijn (rov 3.6).

3.2.2

Het middel komt tegen deze oordelen op met rechts- en motiveringsklachten. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarbij wordt het volgende vooropgesteld.

3.3.1

Termijnen voor het instellen van een rechtsmiddel, zoals hier die van art. 1019o lid 2 Rv, zijn van openbare orde. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt. Aan rechtsmiddeltermijnen moet strikt de hand worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden is plaats voor een uitzondering. (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2894)

3.3.2

In de rechtspraak is een uitzondering op deze regel aanvaard voor het geval degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim, niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359).

3.4

Tussen partijen staat in cassatie vast dat de griffier van de rechtbank bij brief van 5 november 2013 desgevraagd aan de gemachtigde van [eiser], DAS Rechtsbijstand, heeft bericht dat de zaak ter zitting van 8 januari 2014 voor vonnis stond, dat deze gemachtigde op 9 januari 2014 bij de griffie van de rechtbank heeft geïnformeerd of daags tevoren inderdaad vonnis was gewezen, dat haar toen is meegedeeld dat al op 4 december 2013 bij vervroeging uitspraak was gedaan, en dat deze gemachtigde geen advocaat was en daarom geen toegang had tot het elektronische roljournaal.

3.5.1

In het hiervoor in 3.3.1 vermelde arrest heeft de Hoge Raad inmiddels ook in een dagvaardingsprocedure een uitzondering aanvaard op de hiervoor in dat arrest aangehaalde strikte regel. Voor het maken van een uitzondering op deze regel kan zowel in verzoekschrift- als in dagvaardingsprocedures aanleiding zijn gezien de ratio van die uitzondering, namelijk dat iemand niet buiten zijn schuld als gevolg van een fout of verzuim van (de griffie van) een rechtbank of gerechtshof kan worden afgesneden van een rechtsmiddel dat de wet hem toekent.

3.5.2

Tegen de achtergrond van de hiervoor in 3.4 vermelde in cassatie vaststaande feiten is onjuist het oordeel van het hof dat het, gelet op het feit dat regelmatig vonnis wordt gewezen op een andere datum dan is aangezegd, op de weg lag van de gemachtigde van [eiser] om de appeltermijn te bewaken. Omdat het elektronische roljournaal niet toegankelijk was voor de gemachtigde, komt het oordeel van het hof erop neer dat de gemachtigde wekelijks ter griffie had moeten informeren of wellicht bij vervroeging uitspraak was gedaan. Daarvoor bestond echter geen aanleiding, gezien de brief van 5 november 2013 van de griffie.

3.5.3

[eiser] heeft aangevoerd dat de griffie van de rechtbank zijn gemachtigde niet tijdig heeft gewaarschuwd dat bij vervroeging uitspraak zou worden gedaan, en dit vonnis ook niet terstond na uitspraak daarvan aan de gemachtigde heeft toegestuurd. Het hof heeft deze stellingen onbesproken gelaten, zodat in cassatie veronderstellenderwijs van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. In het licht van de hiervoor in 3.4 vermelde vaststaande feiten, waarop [eiser] zich heeft beroepen, is dan sprake geweest van een verzuim van de griffie van de rechtbank in vorenbedoelde zin ("apparaatsfout"). Het hof heeft dit miskend. Het heeft daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

3.6

Het middel treft in zoverre doel. Het behoeft voor het overige geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 april 2014;

wijst het geding terug naar dat gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt verweerders in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 493,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, met de wettelijke rente over deze bedragen met ingang van veertien dagen na de uitspraak van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 25 september 2015.