Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2758

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
15/02946
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1876, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in een ontnemingsprocedure. Art. 591a Sv. De HR heeft in ECLI:NL:HR:2001:AB1509 een ontkennend antwoord gegeven op de vraag of voor de toepassing van art. 591a.1 en 2 Sv de behandeling van een vordering tot ontneming van w.v.v. a.b.i. art. 36e Sr moet worden aangemerkt als een afzonderlijke, van de hoofdzaak te onderscheiden, zaak in de betekenis die aan de term “zaak” in die artikelleden toekomt. De HR acht geen grond aanwezig om de uitleg die in dat arrest aan de term “zaak” in art. 591a.1 en 2 Sv is gegeven, te heroverwegen. In de wetssystematiek waaraan de redengeving van die uitleg is ontleend, is immers sedert dat arrest geen wijziging opgetreden. Hetgeen in het middel wordt aangevoerd tegen voormelde uitleg van de term ‘zaak’ acht de HR niet zo dwingend dat het zou moeten leiden tot doorbreking van de wetssystematiek. Daarbij komt nog dat de wetgever bij de aangekondigde herziening van het Wetboek van Sv mogelijk de onderhavige regelgeving “ingrijpend” zal herzien. Opmerking verdient dat het vorenoverwogene enkel betrekking heeft op een geval waarin de ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt na een veroordeling van betrokkene in de hoofdzaak. Dat is niet anders indien die veroordeling geen betrekking heeft op al het tenlastegelegde en betrokkene geen voordeel heeft verkregen d.m.v. of uit de baten van het wel bewezenverklaarde. Indien evenwel de tegen betrokkene ingestelde strafvervolging in de hoofdzaak is geëindigd op de wijze als in art. 591a Sv bedoeld – dus zonder oplegging van enige straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr – kan de procedure n.a.v. de ontnemingsvordering bezwaarlijk worden aangemerkt als voortzetting van de vervolging in de hoofdzaak. In zo een geval verzet geen rechtsregel zich tegen vergoeding van de in art. 591a Sv bedoelde kosten die in de ontnemingsprocedure zijn gemaakt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 591a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0387
RvdW 2015/1026
NBSTRAF 2015/234
JIN 2015/207 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
NJ 2016/4 met annotatie van J.M. Reijntjes

Uitspraak

22 september 2015

Strafkamer

nr. S 15/02946 CW

DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het Gerechtshof Den Haag, nummer 0133-11, van 28 september 2011, gegeven op een verzoek van:

[betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats].

1 Procesgang en bestreden beschikking

1.1.1.

Bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 9 juni 2005 is de betrokkene onder meer ter zake van twee cocaïnetransporten (zaak Maan en zaak Ster), telkens gekwalificeerd als medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De Rechtbank heeft de betrokkene vrijgesproken van twee andere cocaïnetransporten (zaak Zon en zaak Planeet). Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

1.1.2.

De ontnemingsvordering van de Officier van Justitie van 20 oktober 2006 houdt, voor zover hier van belang, in:

"Gezien het vonnis in eerste aanleg d.d. 09 juni 2005 van de meervoudige strafkamer in het arrondissement Rotterdam waarbij de hieronder genoemde veroordeelde

(...)

is veroordeeld ter zake van één of meer strafbare feiten;

Overwegende dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen zoals bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht;

(...)

Vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door mij thans voorlopig wordt geschat op EUR 208.125,00."

1.1.3.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 24 december 2007 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 58.000,- en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

1.1.4.

Het Hof heeft bij arrest van 20 oktober 2010 de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen. Het Hof heeft daartoe - voor zover in cassatie van belang - het volgende overwogen:

"Vordering van het openbaar ministerie

De vordering van het openbaar ministerie in eerste aanleg hield in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 208.125,-, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft - na een schriftelijke ronde - ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2010 gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat en vastgesteld op € 120.613,-. Aangezien de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden en deze schending dient te worden verdisconteerd in een korting van 10 % van het bij de op te leggen maatregel door de veroordeelde te betalen bedrag, houdt de vordering voorts in dat aan de veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel een betalingsverplichting aan de Staat moet worden opgelegd van € 108.551,-.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting primair betoogd dat de ontnemingsvordering - gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Geerings - dient te worden afgewezen nu de onschuldpresumptie zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden daar de veroordeelde voor de onderliggende feiten van de ontnemingsvordering is vrijgesproken. Subsidiair - indien het hof van oordeel is dat de vordering gegrond is en er wederrechtelijk voordeel is genoten - heeft hij de onderbouwing en de becijfering van de advocaat-generaal aangevochten en heeft hij aangevoerd dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en dat dit verdisconteerd dient te worden in de eventueel op te leggen betalingsverplichting.

(...)

Beoordeling van de vordering

De vordering, zoals in hoger beroep gewijzigd, is gebaseerd op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van dat artikellid, aangezien sprake is van een veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en ten aanzien van de veroordeelde een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo) is ingesteld.

Uit de rapportage naar aanleiding van dat onderzoek blijkt volgens de advocaat-generaal dat de veroordeelde heeft beschikt over - in de bewoordingen van de advocaat-generaal - onverklaarbaar vermogen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 (Maan) en 2 (Ster) op 4 maart en 9 maart 2004 een tweetal containers is aangetroffen met daarin cocaïne, en dat deze cocaïne in beslag is genomen en vernietigd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de veroordeelde ter zake van de in zijn strafzaak bewezenverklaarde feiten geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

Voorts stelt het hof vast dat de veroordeelde bij het onherroepelijk geworden vonnis van 9 juni 2005 ten aanzien van de feiten 3 (Zon) en 4 (Planeet) is vrijgesproken.

Om die reden kan, zoals ook door de verdediging is betoogd en door de advocaat-generaal is erkend, van - vaststelling van - wederrechtelijk voordeel in verband met die feiten geen sprake zijn.

Het hof merkt bovendien op dat gesteld noch gebleken is dat er sprake was van betrokkenheid van veroordeelde bij nog andere soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in artikel 36e, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht.

Voor de toepasselijkheid van artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht moet gelet op het strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk zijn dat ook het feit, waarop het strafrechtelijk financieel onderzoek en de veroordeling betrekking hebben, of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Zoals hiervoor door het Hof is vastgesteld hebben de feiten waarvoor de rechtbank heeft veroordeeld geen wederrechtelijk voordeel opgeleverd, terwijl het strafrechtelijk financieel onderzoek geen begin van een aanwijzing bevat, laat staan dat aannemelijk is geworden dat er nog andere al dan niet soortgelijke strafbare feiten door veroordeelde zijn gepleegd.

Uit het dossier volgt weliswaar dat veroordeelde de beschikking had over onverklaarbaar vermogen, maar niet dat dit uit enig strafbaar feit voortkomt.

De vordering van het openbaar ministerie dient derhalve te worden afgewezen."

1.2.

De bestreden beschikking is gegeven naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene tot toekenning van een vergoeding van de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand in voormelde ontnemingsprocedure alsmede voor het opstellen en indienen van het desbetreffende verzoekschrift. Het Hof heeft de betrokkene in dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

"Procesgang

Dit gerechtshof heeft bij arrest van 20 oktober 2010 (...) het vonnis van de rechtbank van 24 december 2007 in de ontnemingszaak tegen de verzoeker (...) vernietigd en de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.

Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.

Namens de verzoeker is vervolgens bij een op 18 januari 2011 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift vergoeding gevraagd van € 4.772,50 ter zake van kosten voor rechtsbijstand in zijn ontnemingszaak en € 275,- ter zake van kosten van het door zijn advocaat, mr. M.P.J.C. Heuvelmans, opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift.

De raadkamer van het hof heeft dit verzoekschrift in het openbaar op 14 september 2011 behandeld. Daarbij zijn gehoord de waarnemer van mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat mr. A.B. Baumgarten, en de advocaat-generaal mr. H.I. den Hartog.

De advocaat-generaal persisteert bij de schriftelijke conclusie van haar ambtgenoot mr. R.P. Schoute d.d. 23 juni 2011, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker in zijn verzoek ontvankelijkheid van het verzoek.

Gelet op het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 8 mei 2001, NJ 2001, 509, overweegt het hof dat er geen wettelijke grondslag bestaat om de behandeling van de ontnemingsvordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aan te merken als een afzonderlijke, van de hoofdzaak te onderscheiden, zaak in de betekenis die aan de term 'zaak' toekomt conform artikel 591a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De procedure naar aanleiding van een ontnemingsvordering dient te worden aangemerkt als een voortzetting van de vervolging in de hoofdzaak. Het staat het hof niet vrij zonder wettelijke grondslag hiervan af te wijken; ook niet op grond van de omstandigheid dat bij het afdoen van de strafzaak door de rechter in eerste aanleg de verzoeker is vrijgesproken van het feit waarop de ontnemingsvordering betrekking had."

2 Het cassatieberoep

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt dat het Hof de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in de ontnemingsprocedure.

3.2.

Art. 591a, eerste en tweede lid, Sv luidt:

"1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.

2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten."

3.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1509, NJ 2001/509 een ontkennend antwoord gegeven op de vraag of voor de toepassing van art. 591a, eerste en tweede lid, Sv de behandeling van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 36e Sr moet worden aangemerkt als een afzonderlijke, van de hoofdzaak te onderscheiden, zaak in de betekenis die aan de term "zaak" in die artikelleden toekomt. Daartoe is in dat arrest het volgende overwogen:

"4.3. De in art. 36e Sr bedoelde maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan ingevolge die wetsbepaling slechts worden opgelegd bij een veroordeling wegens een of meer strafbare feiten. De maatregel maakt aldus onderdeel uit van het sanctiepakket dat in de strafzaak aan de rechter ter beschikking staat. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 26 oktober 1999, NJ 2000, 56, heeft geoordeeld moet, in het geval de officier van justitie overeenkomstig art. 311, eerste lid, Sv ter gelegenheid van zijn requisitoir in de hoofdzaak aan de verdachte zijn voornemen tot het aanhangig maken van een vordering als bedoeld in art. 36e Sr kenbaar heeft gemaakt, dan wel dit, zoals in de onderhavige zaak, reeds eerder aan de verdachte was gebleken, de procedure naar aanleiding van die vordering worden aangemerkt als een voortzetting van de vervolging in de hoofdzaak.

Dit alles leidt, in aanmerking genomen dat art. 591a Sv ertoe strekt te voorzien in een kostenvergoeding ten behoeve van een gewezen verdachte indien de tegen hem ingestelde vervolging is geëindigd als in dat artikel bedoeld, tot de conclusie dat de officier van justitie door het aanhangig maken van een vordering tot oplegging van bedoelde maatregel aan degene die in de hoofdzaak is veroordeeld niet een (afzonderlijke) zaak als bedoeld in art. 591a, eerste en tweede lid, Sv, aanhangig maakt."

3.4.

De Hoge Raad acht geen grond aanwezig om de uitleg die in dat arrest aan de term 'zaak' in art. 591a, eerste en tweede lid, Sv is gegeven, te heroverwegen. In de wetssystematiek waaraan de redengeving van die uitleg is ontleend, is immers sedert dat arrest geen wijziging opgetreden. Hetgeen in het middel wordt aangevoerd tegen voormelde uitleg van de term 'zaak', acht de Hoge Raad niet zo dwingend dat het zou moeten leiden tot doorbreking van de wetssystematiek. Daarbij komt nog dat de wetgever bij de aangekondigde herziening van het Wetboek van Strafvordering mogelijk de onderhavige regelgeving (ingrijpend) zal herzien.

Het middel faalt derhalve.

3.5.

Opmerking verdient dat het vorenoverwogene enkel betrekking heeft op een geval waarin de ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt na een veroordeling van de betrokkene in de hoofdzaak. Dat is niet anders indien, zoals in het onderhavige geval, die veroordeling geen betrekking heeft op al het tenlastegelegde en de betrokkene geen voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het wel bewezenverklaarde.

Indien evenwel de tegen de betrokkene ingestelde strafvervolging in de hoofdzaak is geëindigd op de wijze als in art. 591a Sv bedoeld - dus zonder oplegging van enige straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr - kan de procedure naar aanleiding van de ontnemingsvordering bezwaarlijk worden aangemerkt als een voortzetting van de vervolging in de hoofdzaak. In zo een geval verzet geen rechtsregel zich tegen vergoeding van de in art. 591a Sv bedoelde kosten die in de ontnemingsprocedure zijn gemaakt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2015.