Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2754

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
14/06161
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1945, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Uitlevering. 1. ’s Hofs oordeel dat de uitlevering van de opgeëiste persoon is verzocht teneinde hem te kunnen vervolgen t.z.v. 4 feiten (‘count one’ t/m ‘count four’) is feitelijk en, gelet op de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, niet onbegrijpelijk. 2. ’s Hofs oordeel dat wat betreft ‘count four’ is voldaan aan de eis van art. 9.3 aanhef en onder b, van het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag dat uit het gevoegde bewijsmateriaal een redelijk vermoeden van schuld – zoals omschreven in ECLI:NL:HR:2012:BX6949 – voortvloeit, is, gelet op de inhoud van de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, onbegrijpelijk. HR doet om doelmatigheidsredenen de zaak zelf af en verklaart de verzochte uitlevering wat betreft ‘count four’ ontoelaatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1745
RvdW 2015/1040
SR-Updates.nl 2015-0391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 september 2015

Strafkamer

nr. S 14/06161 UA

ES/EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een einduitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 20 november 2014, nummer HAR-164/14, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden advies voor zover daarin de uitlevering ten aanzien van feit 4 toelaatbaar is verklaard en tot zodanige op art. 440, tweede lid, Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad geëigend voorkomt.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof wat betreft 'count four' de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard hoewel voor dat feit de uitlevering niet is gevraagd.

2.2.

Blijkens de bestreden uitspraak is de uitlevering van de opgeëiste persoon verzocht teneinde hem te kunnen vervolgen ter zake van de vier feiten ('count one' tot en met 'count four') die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 zijn vermeld. Dit oordeel van het Hof omtrent de inhoud van het uitleveringsverzoek is feitelijk en, gelet op de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, niet onbegrijpelijk. In zoverre faalt het middel.

2.3.

Het middel klaagt voorts over het oordeel van het Hof dat wat betreft 'count four' is voldaan aan de eis van art. 9, derde lid aanhef en onder b, van het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag dat uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een redelijk vermoeden van schuld - zoals omschreven in HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949, NJ 2013/62 - voortvloeit.

Dat oordeel is, gelet op de inhoud van de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, onbegrijpelijk. In zoverre is het middel gegrond. Om redenen van doelmatigheid zal de Hoge Raad zelf de zaak afdoen.

3 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij de uitlevering voor 'count four' toelaatbaar is verklaard;

verklaart de verzochte uitlevering wat betreft 'count four' ontoelaatbaar;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2015.