Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2753

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2015
Datum publicatie
23-09-2015
Zaaknummer
14/05583
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1944, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid verdachte in h.b. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte te laat h.b. heeft ingesteld aangezien “uit het dossier geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de brief van verdachte, waaraan de machtiging tot het opmaken van een akte h.b. is ontleend, eerder dan op 9 oktober 2012 bij het OM is binnengekomen”. Dit oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Gelet op de inhoud van de weergegeven stukken, i.h.b. op de vermelde stempelafdruk, rijst immers het ernstige vermoeden dat de brief reeds op 26 september 2012 bij het Arrondissementsparket is ingekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/1038
AA20160201 met annotatie van T. Kooijmans
SR-Updates.nl 2015-0380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 september 2015

Strafkamer

nr. S 14/05583

AJ/AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juni 2014, nummer 20/003419-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel keert zich tegen 's Hofs niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep.

2.2.

De Politierechter in de Rechtbank Maastricht heeft bij vonnis van 23 augustus 2012 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien weken.

2.3.1.

Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een akte instellen hoger beroep inhoudende dat een medewerker ter griffie van de Rechtbank Maastricht - daartoe door de verdachte "blijkens de aan deze akte gehechte brief welke dient te worden beschouwd als een bijzondere volmacht" gemachtigd - op 9 oktober 2012 namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het onder 2.2 vermelde vonnis.

2.3.2.

Aan voormelde akte zijn de volgende stukken gehecht:

(i) een brief inhoudende:

"Geachte,

Bij deze teken ik [verdachte] HOGER BEROEP AAN. De reden. Heb nl geen bericht ontvangen dat ik moest voorkomen in deze zaak. Heb alleen "aangetekend", deze zaak gekregen. Heb me niet kunnen verdedigen in mijn pand wonen meerdere mensen. Heb geen schrijvens gehad dat ik in deze zaak moest voorkomen. Wil me altijd verdedigen.

[verdachte]."

(ii) een kopie van de voorkant van een enveloppe, waarop het volgende adres is vermeld:

"O.M.

Postbus 1987

6201 BZ

Maastricht."

(iii) een kopie van de mededeling uitspraak betreffende het onder 2.2 vermelde vonnis, welke blijkens de daarop geplaatste stempelafdruk op 26 september 2012 is ingekomen bij de postkamer van het Arrondissementsparket te Maastricht.

2.4.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn tegen voormeld vonnis van de Politierechter ingestelde hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Bij vonnis van 23 augustus 2012 (parketnummer 03-074154-12) heeft de politierechter in de rechtbank Maastricht verdachte bij verstek veroordeeld. Blijkens de akte van uitreiking van een mededeling van een niet onherroepelijk vonnis, is dat vonnis op 24 september 2012 aan verdachte in persoon uitgereikt.

Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen daarna tegen het vonnis hoger beroep instellen.

Bij akte van 9 oktober 2012 is namens verdachte ter griffie van de rechtbank Maastricht tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Bij de stukken bevindt zich voorts een brief van de verdachte, ingekomen ter griffie d.d. 9 oktober 2012, waarin hij aangeeft - kort gezegd - dat hij geen bericht heeft ontvangen dat hij moest voorkomen in deze zaak en dat hij zich niet heeft kunnen verdedigen. Uitgaande van de datum van de akte instellen hoger beroep is het hoger beroep ingesteld na het verstrijken van de appeltermijn.

Door de raadsvrouwe van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte toch ontvankelijk is in zijn appel. Daartoe is door haar aangevoerd:

- primair: dat de mogelijkheid bestaat dat voornoemde brief van verdachte, die gericht was aan het openbaar ministerie, eerder dan op 9 oktober 2012 bij het parket is binnengekomen;

- subsidiair: dat met betrekking tot de door verdachte per post verstuurde brief dient te worden uitgegaan van de datum van verzenden, oftewel van een datum die is gelegen vóór 9 oktober 2012;

- meer subsidiair: dat de termijnoverschrijding wellicht verschoonbaar is gelet op de psychische problemen van verdachte.

Het hof verwerpt de verweren van de verdediging en overweegt dienaangaande als volgt. Vooropgesteld moet worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat de verdachte niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.

Naar het oordeel van het hof zijn uit het dossier geen aanwijzingen naar voren gekomen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de brief van verdachte, waaraan de machtiging tot het opmaken van een akte hoger beroep is ontleend, eerder dan op 9 oktober 2012 bij het openbaar ministerie is binnengekomen. Voorts is het hof - met de advocaat-generaal - van oordeel dat de door de raadsvrouwe aangehaalde "verzendtheorie" geen steun vindt in het recht. Voor zover in de stelling van de raadsvrouwe het verweer ligt besloten dat sprake zou zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding wegens een mogelijk bij de verdachte aanwezige psychische stoornis ten tijde van het instellen van het hoger beroep, wordt dit - bij gebrek aan enige onderbouwing - door het hof verworpen. Het hof neemt hierbij tevens in aanmerking de inhoud van de aan de akte hoger beroep gehechte brief van verdachte, waaruit geenszins blijkt dat hij vanwege een psychische stoornis niet in staat zou zijn geweest om tijdig hoger beroep in te stellen.

Van een verschoonbare overschrijding van de appeltermijn is derhalve geen sprake. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."

2.5.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld aangezien "uit het dossier geen aanwijzingen naar voren [zijn gekomen] waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de brief van verdachte, waaraan de machtiging tot het opmaken van een akte hoger beroep is ontleend, eerder dan op 9 oktober 2012 bij het openbaar ministerie is binnengekomen". Dit oordeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Gelet op de inhoud van de onder 2.3.2 weergegeven stukken, in het bijzonder op de aldaar sub (iii) vermelde stempelafdruk, rijst immers het ernstige vermoeden dat de brief reeds op 26 september 2012 bij het Arrondissementsparket is ingekomen.

2.6.

Het middel treft doel.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2015.