Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:272

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
13/03065
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:45, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Diefstal in vereniging van een geldbedrag. 1. Niet redengevende verklaringen in bewijsmiddelen. 2. Bronvermelding in bewijsoverweging. 3. Toereikend gemotiveerde verwerping standpunt verdediging? Ad 1. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2012:BV3442, NJ 2012/204. Het Hof heeft ten onrechte onderdelen van de verklaring van vd onder de bwm opgenomen die het blijkens zijn bewijsoverweging als ongeloofwaardig heeft bestempeld. Dit behoeft niet tot cassatie te leiden, nu de bewezenverklaring indien voormelde onderdelen worden weggedacht zonder meer toereikend is gemotiveerd. Daarom heeft de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak (ECLI:NL:HR:2014:1176, NJ 2014/381). Ad 2. Niet gezegd kan worden dat de in het middel bedoelde omstandigheid een bronvermelding ontbeert. Ad 3. De verwerping van het standpunt van vd, strekkende tot vrijspraak, ligt in de gebezigde bewijsmiddelen besloten. CAG: anders. Ambtshalve: overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/333
SR-Updates.nl 2015-0062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 februari 2015

Strafkamer

nr. 13/03065

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 31 januari 2013, nummer 22/001596-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring en bewijvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 3 maart 2009 te Gorinchem tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (1250 euro), toebehorende aan [betrokkene 1]."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1a. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2013 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik was omstreeks maart 2009 werkzaam bij de Nuon om contracten af te sluiten. Daarbij ging ik en nog anderen in Gorinchem bij de mensen thuis langs.

Ik had geen Nuon jasje aan, maar liep in pak. Ik nam die dag ook twee collega's mee in mijn auto. Ik had geen zwarte auto, maar een grijs/zilveren Golf. Ieder ging zijn eigen weg. En omstreeks 17.00 uur pikte ik ze weer op. Ik heb zelf die dag gepind bij een automaat van de rekening van mijn vader.

U toont mij foto's bij een pinautomaat. De man in het pak ben ik. Ik pinde van de rekening van mijn vader.

Ik heb geen afschrift opgevraagd bij de bank van een pintransactie.

1b. Het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep d.d. 17 januari 2013, waaruit blijkt dat de voorzitter de verdachte drie fotobladen heeft getoond met registratienummer [001], waar bij "beeld tijd en datum" staat vermeld 17:51:08, 17:51:17 en 17:51:44 en telkens daarachter: 03-03-2009.

2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 4 maart 2009 van de politie Zuid-Holland Zuid met nr. PL1820/09-023684. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 5-8):

als de op 4 maart 2009 afgelegde verklaring van aangever [betrokkene 1]:

Op 2 maart 2009, ging bij mij de deurbel, ik deed open en aan de deur stonden 2 of 3 personen, deze stelden zich voor als medewerkers van Nuon. Ik vind dat ik in een verkeerd lichaam zit en zoek daar een goede arts voor. De mannen wisten wel iemand. Op 3 maart 2009 ging wederom de bel bij mij.

Ik deed open en zag de personen van Nuon welke ook maandag bij mij waren geweest. Bij de auto aangekomen zag ik voor het eerst de derde man. We hebben een stukje gereden, we zijn gestopt en uitgestapt om schuin over te steken naar de pinautomaat van de Rabobank in de Haarstraat te Gorinchem.

In eerste instantie bleven de mannen aan de overkant van de straat staan, toen ik naar hen wenkte om te komen omdat ik zelf het geld niet uit de automaat durfde te halen kwam de langste van de drie naar mij toe gelopen. Nadat ik mijn pincode en een bedrag van 1250,- euro, had ingetoetst is mijn bankpas en het geld door deze man uit de automaat gehaald. Hij heeft de bankpas en het geld in mijn portemonnee gestopt en heeft deze aan mij gegeven. We liepen gezamenlijk naar hun auto. Het was een zwarte, brede auto met alleen 2 voorportieren. Ze lieten mij achterin plaats nemen, achter de bestuurder. We reden weg, de lange man zei mij mijn portemonnee aan de bestuurder te geven, want dat was de arts. De lange man pakte mijn portemonnee uit mijn handen en gooide hem naar de man die op de bijrijderstoel zat en vervolgens aan de bestuurder. Vanaf de bestuurder kwam mijn portemonnee weer bij mij terug. Ik heb deze aangepakt en goed vast gehouden.

Ik ben uitgestapt keek in mijn portemonnee en zag dat de 1250 euro, welke ik eerder gepind had, uit mijn portemonnee waren gehaald. Ik keek naar de auto en zag dat de mannen snel wegreden. Ik heb een rekening bij de Rabobank, gevestigd aan de Haarstraat te Gorinchem. Mijn rekeningnummer is [002]. Ik heb vermoedelijk van deze rekening op dinsdag 3 maart 2009, omstreeks 17:48 uur het bedrag van 1250 euro gepind.

3. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 10 maart 2009 van de politie Zuid-Holland Zuid met nr. PL1820/09-023684. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 13-14):

als de op 10 maart 2009 afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

[betrokkene 1] vindt het fijn om in vrouwenkleren rond te lopen.

4. Een geschrift, bevattende drie fotobladen met registratienummer [001], waar bij "beeld tijd en datum" staat vermeld 17:51:08, 17:51:17 en 17:51:44 en telkens daarachter: 03-03-2009. De foto's zijn genomen in de Haarstraat te Gorinchem.

5. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 december 2009 van de politie Zuid-Holland Zuid met nr. PL1820/09-023684. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 27-35):

als de op 9 december 2009 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik heb voor Nuon gewerkt. Ik moest bij mensen langs als een soort vertegenwoordiger. We zijn in Gorinchem geweest. Ik ben bij de Rabobank in Gorinchem geweest. Ik heb daar geld gepind.

Ik heb met mijn eigen pinpas betaald. Ik heb een Rabobankpas.

Deze Rabobankpas is gestolen. Ik heb alleen gepind en ik heb naar mijn saldo gekeken. Ik deel de rekening met mijn vader.

Ik ben de man op de foto. Alleen de Peugeot was zwart, dat was een tweedeurs.

U vraagt mij wie er allemaal bij mij in de auto zaten. Ik ken de namen niet meer. Ik bracht ze alleen naar Gorinchem.

6. Een geschrift, zijnde een afschrift betalingsverkeer van de Rabobank waaruit blijkt dat op 3 maart 2009, EUR 1.250,- is gepind van bankrekening [002]."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Vast staat dat de verdachte naast het slachtoffer staat op de foto's bij de pinautomaat, die zich in het dossier bevinden. Ook is te zien dat zij tezamen weglopen. De verklaring van de verdachte, dat hij alleen maar bij de pinautomaat stond om zijn saldo te controleren acht het hof ongeloofwaardig. De verdachte heeft hierover wisselend verklaard: aanvankelijk zegt hij met zijn eigen pinpas gepind te hebben, zijn saldo gecheckt te hebben en zou het een gestolen pas zijn; vervolgens verklaart de verdachte dat het alleen een saldo-opvraag was en hij de rekening deelde met zijn vader; zijn laatste verklaring is dat hij met de pinpas van zijn vader bij de automaat stond en dat het blijvend onmogelijk is gegevens ten bewijze daarvan aan te leveren. Het ligt bij deze stand van zaken op de weg van de verdediging om een en ander, alsnog, aannemelijk te maken.

Dat verdachte wel degelijk met de diefstal te maken heeft, blijkt onder meer uit het feit dat er op de foto's twee personen voor de pinautomaat staan, en dat even later de ander, een man met een rokje aan samen met de verdachte, in elk geval gelijktijdig met de verdachte, wegloopt. Gelet op de inhoud van het dossier moet de tweede - verklede - man het slachtoffer zijn; diens verklaring spoort met wat er op de foto's is te zien. In hetgeen de verdachte heeft verteld is met name het gelijktijdig weglopen van de pinautomaat onverklaard gebleven.

Voorts wordt de aangifte (waarin belastend over de verdachte is verklaard) ondersteund door het gegeven dat de verdachte in de periode van het ten laste gelegde bij Nuon werkte en in Gorinchem langs de deuren ging om contracten te verkopen.

Het hof hecht weinig waarde aan de verklaring van de verdachte dat hij toentertijd in een zilvergrijze, en niet in een zwarte auto reed en dat hij dus niet de dader kan zijn. Het Nuon-team dat toen in Gorinchem werkte beschikte naast een grijze ook over een zwarte auto, gelijkend op de auto die het slachtoffer heeft beschreven; het is naar het oordeel van het hof heel goed mogelijk dat de verdachte aan het einde van de dag, samen met collega's, in deze zwarte auto heeft gezeten, mogelijk nadat hij is overgestapt uit een andere auto.

Gelet op de aangifte stelt het hof vast, dat het ervoor moet worden gehouden dat de verdachte ten tijde van de diefstal in elk geval wel in de door het slachtoffer beschreven auto zat.

De aangever heeft verklaard dat degene die hem geholpen heeft met pinnen ook degene is die later in de auto zei dat hij zijn portemonnee moest afstaan, die vervolgens afpakte en naar de mannen voorin de auto gooide. Een van deze drie inzittenden moet het geld eruit gepakt hebben. Er is dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en de verdachte valt te kwalificeren als medepleger van de diefstal."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed door het gebruik van niet redengevende verklaringen van de verdachte.

3.2.

Wanneer de rechter zich - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - in een nadere overweging beroept op bepaalde feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, moeten deze feiten of omstandigheden zijn vervat in de gebezigde bewijsmiddelen. Indien zij niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. Een en ander heeft uitsluitend betrekking op feiten of omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, en dus niet op feiten of omstandigheden en evenmin op verklaringen die de rechter in zijn nadere overweging onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig acht. Die behoren dus niet te worden opgenomen onder de bewijsmiddelen. (Vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3442, NJ 2012/204).

3.3.

Het Hof heeft de bewezenverklaring mede doen steunen op de verklaringen van de verdachte dat hij die dag zelf heeft gepind van de rekening van zijn vader (bewijsmiddel 1a) en dat hij bij de Rabobank in Gorinchem met zijn eigen (gestolen) pinpas heeft gepind en naar zijn saldo op de met zijn vader gedeelde rekening heeft gekeken (bewijsmiddel 5). In zijn hiervoor onder 2.3 weergegeven overweging heeft het Hof evenwel geoordeeld dat het de verklaring van de verdachte dat hij alleen maar bij de pinautomaat stond om zijn saldo te controleren als ongeloofwaardig bestempelt.

3.4.

Het Hof heeft deze onderdelen van de verklaring van de verdachte, die niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring, dus ten onrechte onder de bewijsmiddelen opgenomen. Daarover klaagt het middel terecht. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden nu de bewezenverklaring, indien voormelde onderdelen van de verklaring van de verdachte worden weggedacht, zonder meer toereikend is gemotiveerd. Daarom heeft de verdachte onvoldoende rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak (vgl. HR 20 mei 2014, ECLI:HR:2014:1176, NJ 2014/381).

3.5.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof in zijn bewijsoverweging een omstandigheid heeft vermeld die niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, en dat het Hof niet heeft aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het die omstandigheid heeft ontleend.

4.2.

In het middel wordt gedoeld op de in bewijsoverweging vermelde omstandigheid dat "[h]et Nuon-team dat toen in Gorinchem werkte, beschikte naast een grijze ook over een zwarte auto, gelijkend op de auto die het slachtoffer heeft beschreven".

4.3.

Uit de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaring van de aangever [betrokkene 1] kan worden afgeleid dat de auto waarin hij zat toen het geldbedrag € 1.250,- van hem werd weggenomen een zwarte, brede auto met alleen twee voorportieren was. De verklaring van de verdachte houdt op zijn beurt in dat hij geen zwarte maar een grijs/zilveren auto had (bewijsmiddel 1a), terwijl hij ook heeft verklaard dat de Peugeot zwart was en een tweedeurs (bewijsmiddel 5). Voorts volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de verdachte bij Nuon werkte en met collegae in Gorinchem bij mensen thuis langs ging, waaruit valt af te leiden - hetgeen het Hof kennelijk ook heeft gedaan - dat de verdachte en zijn collegae daarbij in een auto van Nuon reden. Aldus beschouwd kan niet worden gezegd dat de in het middel bedoelde omstandigheid een bronvermelding ontbeert. Het middel faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.

5 Beoordeling van het derde middel

5.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkende tot vrijspraak.

5.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2013 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de bij het proces-verbaal gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"[betrokkene 1] beschrijft de man die bij hem stond tijdens het pinnen (dader 1) als lang, mager tot normaal postuur en jas met letters op de rug.

Cliënt is niet lang, heeft een fors postuur en droeg tijdens zijn werkzaamheden in Gorinchem, als altijd, een pak. Dat heeft hij verklaard, maar het bewijs daarvoor zijn de beelden.

De omschrijving van [betrokkene 1] komt wel overeen met die van de mannen die in de Peugeot zijn aangetroffen."

5.3.

In zijn nadere bewijsoverweging, zoals hiervoor onder 2.3 is weergegeven, heeft het Hof overwogen dat de voor het bewijs gebezigde verklaring van aangever [betrokkene 1] spoort met wat er op de foto's is te zien. Met betrekking tot die foto's heeft het Hof vastgesteld dat daarop de verdachte en aangever [betrokkene 1] te zien zijn terwijl zij voor de pinautomaat staan en dat zij gelijktijdig bij de pinautomaat weglopen, terwijl [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij samen met de man die het geld uit de pinautomaat heeft gehaald naar de auto is gelopen. In de gebezigde bewijsmiddelen ligt aldus de verwerping van het standpunt van de verdachte besloten.

5.4.

Het middel faalt.

6 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 55 dagen en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

8 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2015.