Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2580

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
14/00706
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1747, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De strafmotivering bevat, in strijd met art. 359.6 Sv, niet een opgave van redenen die i.h.b. hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Het Hof had het vonnis van de Pr niet mogen bevestigen zonder de gronden aan te vullen met de in art. 359.6 Sv bedoelde motivering. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/1001
NJ 2016/98 met annotatie van Prof. mr. B.F. Keulen
SR-Updates.nl 2015-0374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 september 2015

Strafkamer

nr. S 14/00706

LBS/ABO

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 28 januari 2014, nummer 21/007208-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

3.2.

Het Hof heeft het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 10 september 2013 bevestigd. De Politierechter heeft de verdachte ter zake van "schuldheling" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken. De Politierechter heeft de oplegging van die straf als volgt gemotiveerd:

"Strafmotivering

Verdachte had vanwege de omstandigheden dat hij [betrokkene] nog maar kort kende, zijn achternaam niet wist, hem kende van het Leger des Heils, niet wist of hij enig inkomen had en het feit dat er Duitse kentekenplaten op de auto zaten, nader onderzoek moeten verrichten naar de herkomst van de auto en kentekenplaten.

De strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd.

De politierechter let op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter houdt ook rekening met voormeld uittreksel uit de justitiƫle documentatie waaruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld, ook voor vermogensdelicten."

3.3.

Die overwegingen bevatten, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv, niet een opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Het Hof had het vonnis van de Politierechter dus niet mogen bevestigen zonder de gronden aan te vullen met de in voormelde wetsbepaling bedoelde motivering.

3.4.

Het middel is dus terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2015.