Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:253

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
13/00635
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2831, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2012:BY5404
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen en meldingen aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT). Thans geldt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, maar i.c. gold nog de Wet MOT. Art. 12 Wet MOT sluit vervolging van financiële instellingen t.z.v. witwassen en heling bij het melden van ongebruikelijke financiële transacties uit. Gelet op de wetsgeschiedenis moet het dan gaan om correcte meldingen van ongebruikelijke transacties. I.c. is bewezen verklaard dat vd de MOT-meldingen valselijk heeft opgemaakt en dat vd opzettelijk art. 9 Wet MOT heeft overtreden. Het in de overwegingen van het Hof tot uitdrukking gebrachte oordeel dat vd aldus geen beroep toekomt op art. 12 Wet MOT getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/328
SR-Updates.nl 2015-0061
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 februari 2015

Strafkamer

nr. 13/00635

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, van 23 november 2012, nummer 24/001765-09, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , gevestigd te [vestigingsplaats].

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.T.C. van Kampen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt - kort gezegd - dat het Hof met betrekking tot de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 ten onrechte heeft geoordeeld dat alleen dan een beroep kan worden gedaan op art. 12 van de Wet melding ongebruikelijke transacties in een geval "waarin transacties op de juiste wijze zijn gemeld".

3.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1 primair:

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft [verdachte] grote geldbedragen, te weten

- op 19 september 2005, 17.030 Britse ponden, 61.450 Noord-Ierse ponden en 11.300 Schotse ponden en

- op 18 oktober 2005, 166.005 Britse ponden en

- op 7 november 2005, 23.970 Britse ponden en 75.468 Schotse ponden en 2005 Noord Ierse ponden en

- op 3 april 2006, 50.195 Britse ponden en 4.710 Schotse ponden en 210,- Noord Ierse ponden verworven en voorhanden gehad en omgezet, terwijl [verdachte] wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;

2 primair:

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte grote geldbedragen, te weten onder meer

- op 21 maart 2006, 47.220,- Britse ponden en 1.560 Schotse ponden en

- op 30 maart 2006, 45.000,- Schotse ponden en

- op 3 april 2006 119.960,- Schotse ponden en

- op 4 april 2006, 60.000 Schotse ponden en

- op 6 april 2006, 7.760 Britse ponden en 51.240 Schotse ponden en

- op 11 april 2006, 60.000.- Schotse ponden en

- op 13 april 2006, 7.300,- Britse ponden, en 72.710,- Schotse ponden verworven en voorhanden gehad en omgezet terwijl zij wist dat die geldbedragen
- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;

3:

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, meermalen, telkens, een formulier, te weten

1. een (digitale) MOT-melding (aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties) d.d. 19 september 2005 (transactienummer ZE 2620) en

2. een transactieformulier van [verdachte] d.d. 19 september 2005 en

3. een (digitale) MOT-melding (aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties) d.d. 18 oktober 2005 (transactienummer U2-11135) en

4. een transactieformulier van [verdachte] d.d. 18 oktober 2005 en

5. een (digitale) MOT-melding (aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties) d.d. 7 november 2005 (transactienummer ZE 2721) en

6. een transactieformulier van [verdachte] d.d. 7 november 2005 en

7. een (digitale) MOT-melding (aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties) d.d. 3 april 2006 (transactienummer ZE 2620) - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens genoemde MOT-meldingen valselijk aangemaakt op naam van [betrokkene 1], en/of telkens op genoemde transactieformulieren valselijk vermeld dat [betrokkene 1] de cliënt was, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

en

zij op tijdstippen in de periode van l januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, meermalen, terwijl verdachte een beroeps- of bedrijfsmatige dienst verleende telkens opzettelijk verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transacties niet heeft gemeld en niet alle gegevens van verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transacties juist en/of volledig heeft gemeld,

immers heeft verdachte op de MOT-melding van

1. - 19 september 2005 (transactienummer ZE 2620) en

2. - 18 oktober 2005 (transactienummer U2-11135) en

3. - 7 november 2005 (transactienummer ZE 2721) en

4. - 3 april 2006 (transactienummer ZE 2864);

telkens,

* niet de (juiste) identiteit van de cliënt gemeld en/of

* de omstandigheden niet gemeld op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt, zoals genoemd in artikel 8 van de Wet Ongebruikelijke Transacties en genoemd in bijlage A van de indicatorenlijst geldend vanaf 1 juni 2003 (D-G05.01.002 - pag. 79-88, zaakdossier A) en/of de indicatorenlijst behorende bij de Wet MOT met ingang van 1 november 2005,

immers heeft verdachte niet gemeld:

- dat de transactie a-typisch is voor cliënt en/of

- dat de cliënt handelt als stroman en/of

- dat er geen verklaarbaar legaal doel of geen zichtbare relatie is met (bedrijfs) activiteiten en/of

- dat cliënt ongeteld aanlevert, zonder dat dit in relatie staat tot de (bedrijfs)activiteiten en/of

- dat het bedrag niet wordt gestort op eigen rekening of rekening werkgever en/of

- dat de transactie aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen;

4:

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 9 mei 2006, in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, meermalen, terwijl verdachte een beroeps- of bedrijfsmatige dienst verleende telkens opzettelijk verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transacties niet heeft gemeld en niet alle gegevens van verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transacties juist en volledig heeft gemeld, immers heeft verdachte op de MOT-melding van

1. - 21 maart 2006 (transactienummer U2 11895) en/of

2. - 30 maart 2006 (transactienummer ZE 2859) en/of

3. - 3 april 2006 (transactienummer ZE 2866) en/of

4. - 4 april 2006 (transactienummer U2 11969) en/of

5. - 6 april 2006 (transactienummer ZE 2868) en/of

6. - 11 april 2006 (transactienummer U2 12003) en/of

7. - 13 april 2006 (transactienummer ZE 2876), (telkens),

de omstandigheden niet gemeld op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt, zoals genoemd in artikel 8 van de Wet Ongebruikelijke Transacties en genoemd in bijlage A van de indicatorenlijst geldend vanaf 1 juni 2003 en/of de indicatorenlijst behorende bij de Wet MOT met ingang van 1 november 2005, immers heeft verdachte niet gemeld: - dat de transactie a-typisch is voor cliënt en/of

- dat de cliënt handelt als stroman en/of

- dat er geen verklaarbaar legaal doel of geen zichtbare relatie is met (bedrijfs)activiteiten en/of

- dat cliënt ongeteld aanlevert, zonder dat dit in relatie staat tot de (bedrijfs)activiteiten en/of

- dat het bedrag niet wordt gestort op eigen rekening of rekening werkgever en/of

- dat de transactie aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen;

5:

zij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 mei 2006 in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door verdachte en de natuurlijke personen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [medeverdachte 5], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk valsheid in geschrifte en/of overtreding van de Wet Melding ongebruikelijke transacties en/of witwassen."

3.3.

Bij de beoordeling van het middel zijn de navolgende bepalingen van de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet van 16 december 1993, Stb. 1993, 705; hierna: Wet MOT) van belang:

- art. 9, zoals deze bepaling luidde van 28 december 2001 tot 1 mei 2006:

"1. Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent, is verplicht een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan het meldpunt.

2. Een melding bevat, voor zover mogelijk, de volgende gegevens:

a. de identiteit van de cliënt;

b. de aard en het nummer van het identiteitsbewijs van de cliënt;

c. de aard, het tijdstip en de plaats van de transactie;

d. de omvang en bij een dienst bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, sub 7°, de bestemming en de herkomst van de bij de transactie betrokken gelden, effecten, edele metalen of andere waarden;

e. de omstandigheden op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt;

f. bij een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a sub 9°: een omschrijving van de desbetreffende zaken van grote waarde;

g. aanvullende, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, gegevens.

3. Degene die een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, verleent is verplicht de gegevens, bedoeld in het tweede lid, op toegankelijke wijze te bewaren gedurende vijf jaar na het tijdstip van het doen van de melding."

- art. 9, zoals deze bepaling luidde van 1 mei 2006 tot 1 augustus 2008:

"1. Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent, meldt een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie binnen veertien dagen nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan het meldpunt.

2. Een melding bevat, voor zover mogelijk, de volgende gegevens:

a. de identiteit van de cliënt;

b. de aard en het nummer van het identiteitsbewijs van de cliënt;

c. de aard, het tijdstip en de plaats van de transactie;

d. de omvang en bij een dienst bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, sub 7°, de bestemming en de herkomst van de bij de transactie betrokken gelden, effecten, edele metalen of andere waarden;

e. de omstandigheden op grond waarvan de transactie als ongebruikelijk wordt aangemerkt;

f. bij een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a sub 9°: een omschrijving van de desbetreffende zaken van grote waarde;

g. aanvullende, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, gegevens.

3. Degene die een dienst verleent is verplicht de gegevens, bedoeld in het tweede lid, op toegankelijke wijze te bewaren gedurende vijf jaar na het tijdstip van het doen van de melding."

- art. 10, zoals deze bepaling luidde van 28 december 2001 tot 1 augustus 2008:

"1. Het meldpunt is bevoegd bij degene die een melding heeft gedaan, alsmede bij degene die door het verlenen van een dienst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, sub 7°, bij een transactie is betrokken waarover het meldpunt gegevens heeft verzameld, nadere gegevens of inlichtingen te vragen, teneinde te kunnen beoordelen of verzamelde gegevens dienen te worden verstrekt op grond van zijn taak bedoeld in artikel 3, onder b.

2. Degene aan wie overeenkomstig het eerste lid deze gegevens of inlichtingen zijn gevraagd, is verplicht deze aan het meldpunt schriftelijk, alsmede in spoedeisende gevallen mondeling, te verstrekken binnen de door het meldpunt gestelde termijn."

- art. 12, zoals deze bepaling luidde van 14 december 2001 tot 1 mei 2006:

"1. Gegevens of inlichtingen die in overeenstemming met de artikelen 9 of 10 zijn verstrekt, kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een telastelegging wegens, overtreding van het bepaalde in de artikelen 416, 417, 417bis, 420bis, 420ter of 420quater van het Wetboek van Strafrecht door degene die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de persoon die werkzaam is voor degene die in overeenstemming met de artikelen 9 of 10 gegevens of inlichtingen heeft verstrekt en die daaraan heeft meegewerkt."

- art. 12, zoals deze bepaling luidde van 1 mei 2006 tot 1 augustus 2008:

"1. Gegevens of inlichtingen die in overeenstemming met de artikelen 9 of 10 zijn verstrekt, kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een telastelegging wegens witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme door degene die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.

2. Gegevens of inlichtingen die zijn verstrekt in de redelijke veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 9 of 10, kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens, overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht door degene die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de persoon die werkzaam is voor degene die gegevens of inlichtingen heeft verstrekt als omschreven in het eerste of tweede lid en die daaraan heeft meegewerkt."

3.4.1.

Het Hof heeft een door de verdediging gedaan beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging als volgt samengevat en verworpen:

"ad b.

Door de verdediging is betoogd dat het openbaar ministerie handelt in strijd met artikel 12 van de Wet MOT. De verdediging heeft hiertoe gesteld dat de in de tenlastelegging genoemde transacties zijn gemeld conform artikel 9 van de Wet MOT en dat derhalve gelet op artikel 12 van de Wet MOT deze meldingen niet kunnen dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens witwassen.

Het Hof verwerpt dit verweer.

Aan het pleidooi van de raadslieden lijkt de opvatting ten grondslag te liggen dat met het melden an sich, ongeacht de wijze waarop is gemeld, aan de meldplicht van de Wet MOT zou zijn voldaan en strafvervolging ter zake van gemelde wisseltransactie derhalve niet zou zijn toegelaten.

Die opvatting kan niet als juist worden aanvaard. De vervolgingsuitsluitingsgrond is alleen van toepassing op situaties waarin transacties op de juiste wijze zijn gemeld. Nu door verdachte deze meldingen, zoals hierna bewezen wordt verklaard, in strijd met de waarheid zijn opgemaakt is de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 12 Wet MOT niet van toepassing.

(...)"

3.4.2.

Voorts bevat het bestreden arrest ten aanzien van de feiten 3 en 4 de volgende "Overweging met betrekking tot het bewijs":

"Door de verdediging is betoogd dat deze feiten niet bewezen kunnen worden omdat het openbaar ministerie handelt in strijd met artikel 12 van de Wet MOT. De verdediging stelt hiertoe dat de in de tenlastelegging genoemde transacties zijn gemeld conform artikel 9 van de Wet MOT.

Het Hof verwerpt dit verweer op de gronden als hiervoor onder ad b bij de overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is overwogen."

3.5.

Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 25 tot en met 28 weergegeven wetsgeschiedenis kan onder meer worden afgeleid dat art. 12 in de Wet MOT is opgenomen teneinde, kort gezegd, uit te sluiten dat in het kader van een strafvervolging van "financiële instellingen" ter zake van (in het bijzonder) witwassen en heling gebruik wordt gemaakt van door henzelf aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties gedane correcte meldingen. Dat het moet gaan om correcte meldingen is aldus in art. 12 Wet MOT tot uitdrukking gebracht dat de gegevens of inlichtingen "in overeenstemming met de artikelen 9 en 10" zijn verstrekt. Op onjuiste meldingen is art. 12 Wet MOT dus niet van toepassing.

Opmerking verdient dat uit diezelfde wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat indien het niet gaat om meldingen die in overeenstemming met de Wet MOT zijn gedaan maar om gegevens die door politie en justitie op andere wijze zijn vergaard, art. 12 Wet MOT zich niet verzet tegen het gebruik van die gegevens in het kader van de opsporing, vervolging en berechting van meldingsplichtigen, ook niet indien het gaat om witwassen en heling.

3.6.

Gelet op het hiervoor overwogene en in aanmerking genomen dat onder 3, 4 en 5 ten laste van de verdachte onder meer is bewezenverklaard dat zij de desbetreffende meldingen aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties valselijk heeft opgemaakt alsmede opzettelijk de voorschriften gesteld bij art. 9 Wet MOT heeft overtreden, getuigt het in 's Hofs overwegingen tot uitdrukking gebrachte oordeel dat aan de verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 geen beroep toekomt op het bepaalde in art. 12 Wet MOT, niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

3.7.

Het middel faalt.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 100.000,-.

5 Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;

vermindert deze in die zin dat deze € 97.500,- bedraagt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2015.