Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:247

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
14/04182
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1961, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Door de OvJ kan niet afzonderlijk h.b. worden ingesteld tegen een ttz. gegeven beslissing strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis (VH). Gelet op art. 406 Sv staat tegen die beslissing voor de OvJ hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak open. Ingevolge art. 406.1 Sv is immers tegen in e.a. gewezen vonnissen die geen einduitspraken zijn, h.b. slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten en de in art. 406.2 Sv voorziene uitzondering op die hoofdregel is beperkt tot de in dat tweede lid uitdrukkelijk genoemde gevallen, te weten een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming en de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 406
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/325
NJ 2015/199 met annotatie van T.M. Schalken, J. Legemaate
JIN 2015/64 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
SR-Updates.nl 2015-0072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 februari 2015

Strafkamer

nr. S 14/04182 CW

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, nummer AVNR. 000750-13, van 11 juli 2013 in de zaak van:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

1 De bestreden beschikking

Bij de bestreden beschikking heeft het Hof het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen de ter terechtzitting gegeven beslissing van de Rechtbank Oost-Brabant strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis en vervolgens dat beroep afgewezen.

2 Het cassatieberoep

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie afzonderlijk appel kan instellen tegen een ter terechtzitting gegeven beslissing tot toewijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

3.2.

Ingevolge het eerste lid van art. 406 Sv is tegen in eerste aanleg gewezen vonnissen die geen einduitspraken zijn, hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten. In het tweede lid van art. 406 Sv is voorzien in een uitzondering op die hoofdregel. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6526, NJ 2013/230 moet worden aangenomen dat de in het tweede lid van art. 406 Sv voorziene uitzondering op die hoofdregel is beperkt tot de in dat tweede lid uitdrukkelijk genoemde gevallen, te weten een bevel tot gevangenhouding of gevangenneming en de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming. Dit betekent dat voor de officier van justitie tegen een ter terechtzitting gegeven beslissing tot toewijzing van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak openstaat.

Het Hof heeft het Openbaar Ministerie derhalve ten onrechte ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

3.3.

Het middel slaagt.

4 Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de bestreden beschikking.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, de vice-president W.A.M. van Schendel, de raadsheren J.P. Balkema, Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2015.