Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2467

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
13/06074
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:8827, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1353, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Opzet. Voor een veroordeling ter zake van het misdrijf van art. 273f.1.6 Sr is vereist dat het opzet van de dader behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht is op de uitbuiting van een ander. Onjuiste rechtsopvatting Hof. Geen cassatie: het opzet kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1638
NJ 2015/374 met annotatie van
RvdW 2015/974
SR-Updates.nl 2015-0359
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 september 2015

Strafkamer

nr. S 13/06074

IV/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 22 november 2013, nummer 21/000878-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is - voor zover in cassatie van belang - bewezenverklaard dat:

"1. hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 07 februari 2007 te Amsterdam - opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [betrokkene 1] ;

bestaande die handelingen hieruit dat verdachte is/heeft

- [betrokkene 1] (tijdens haar prostitutiewerkzaamheden) in de gaten gehouden en/of in haar buurt gebleven en/of haar gecontroleerd en/of zorg gedragen voor de controle en/of het toezicht op haar prostitutiewerkzaamheden en/of zijn bevindingen door gegeven/gemeld aan [betrokkene 2] en/of zijn mededader(s) en

- de huur van zijn woning/verblijfplaats laten betalen door [betrokkene 1] en

- geld van haar in ontvangst genomen en

- op afroep beschikbaar geweest als bodyguard voor één of meer van zijn mededader(s) en/of voor [betrokkene 1] en- [betrokkene 1] begeleid/gebracht van en naar haar kamer/werkplek alwaar zij zich prostitueerde;

5. hij in de periode van 01 september 2006 tot 6 november 2006 te Amsterdam - opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van [betrokkene 3] ;

bestaande die handeling(en) hieruit dat verdachte is/heeft

- [betrokkene 3] (tijdens haar prostitutiewerkzaamheden) in de gaten gehouden en/of haar gecontroleerd en/of zorg gedragen voor de controle en/of het toezicht op haar prostitutiewerkzaamheden en

- van haar beschermingsgelden geïnd en

- geld van haar in ontvangst genomen en

- op afroep beschikbaar geweest als bodyguard voor één of meer van zijn mededader(s) en/of voor [betrokkene 3] en

- [betrokkene 3] begeleid/gebracht van haar kamer/werkplek alwaar zij zich prostitueerde en/of van en naar haar/hun woning/verblijfplaats teruggebracht en/of [betrokkene 3] aldus in (een) auto('s) vervoerd."

2.2.

Deze bewezenverklaringen steunen op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

- ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

"6.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 1] van 3 maart 2007, pagina 46A/21136 t/m 21151, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte [betrokkene 1] :

Ik heb een vast telefoonnummer dat ik alleen voor [betrokkene 2] gebruik omdat ik veel aan de telefoon zit met vriendinnen en hij niet de voicemail wil krijgen. Zo ben ik altijd te bereiken. De meisjes betalen [verdachte] voor zijn bodyguard werkzaamheden. Hij is de man die altijd in [A] was. De meisjes moeten geld voor de bodyguard betalen. Per week 100 euro. Op uw vraag of ik dat geld elke week moet ontvangen antwoord ik dat ik kijk of iedereen heeft betaald. Het is mijn taak te zorgen dat de meisjes betalen, zodat de bodyguards betaald krijgen. Soms krijg ik daarvoor een lijst mee. [betrokkene 2] zorgt ervoor dat [verdachte] betaald wordt. Voor de rest van het geld huur ik een huis voor de bodyguards.

(...)

8.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 1] van 7 maart 2007, pagina 46A/21159 t/m 21172, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte [betrokkene 1] :

Ik ben verliefd op mijn man [betrokkene 2] . Te verliefd. Ik heb nog niet echt mijn grenzen gezien. (Opmerking verbalisant: De verdachte werden uit fotoboek foto 12 getoond.) Dat is [verdachte] . Hij is bodyguard. Het werk van een bodyguard is ervoor te zorgen dat wij veilig thuis komen.

Opmerking verbalisanten: wij lezen verdachte het tapgesprek van 30-11-2006 te 00:51:12, 30-G, 29 (de rechtbank begrijpt: het hierna als bewijsmiddel opgenomen tapgesprek van pagina 23/10608) tussen [betrokkene 2] en NN [betrokkene 4] voor.

(Vraag: in dit gesprek zegt [betrokkene 4] dat [betrokkene 1] is komen werken. [betrokkene 2] zegt dat [betrokkene 4] in de gaten moet houden dat [betrokkene 1] op haar kamer geen andere meisjes ontvangt en als dat het geval is hem moet bellen.) Ik weet van die gesprekken van mijn man niets af en ik zie dat hij mij controleert. Mijn man is wel een erge bemoeial, maar ik heb een man nodig met een sterke hand, die mij vertelt wat ik moet doen. Ik ben sterk te beïnvloeden. Hij is wel de man die mij van de drugs heeft afgehaald. Hij is de eerste man waar ik echt verliefd op ben. Voor mijn man heb ik respect. Ik kon niet eens klok kijken. Mijn man heeft mij leren klok kijken, hij is mijn vader, mijn man, mijn alles.

Wij lezen verdachte het gesprek lijn 30-G, nummer 691 (de rechtbank begrijpt: het hierna als bewijsmiddel opgenomen bewijsmiddel van pagina 23/10608) voor.

A: Mijn man wil niet dat ik met [betrokkene 5] omga.

We hebben je nu een aantal gesprekken voorgelezen en laten horen.

V: Het blijkt dat de bodyguards op de meisjes letten, maar ook kijken of ze aan het werk zijn, want de meisjes moeten gewoon werken. Klopt dit?

Opmerking verbalisant:

De verdachte knikt ja.

(...)

15.

Het proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, voor zover inhoudende de verklaring van getuige [betrokkene 1] van 9 oktober 2009:

De naam [verdachte] zegt mij wel iets. Ik weet wel wie dat is. Wij noemden hem [verdachte] . Hij was ook bodyguard. Als u mij voorhoudt dat [verdachte] gezegd heeft tegen u, dat ik hem meestal betaalde en af en toe [betrokkene 4] , dan zeg ik daarop dat ik hem meestal zelf betaalde.

Het klopt dat ik een huis huurde voor de bodyguards. [betrokkene 4] en [verdachte] hebben daar samen gewoond.

(...)

29B.

Een tapgesprek tussen [betrokkene 6] alias [betrokkene 6] (stemherkenning) en [verdachte] alias [verdachte] (stemherkenning) op 30 oktober 2006 om 23.41 uur, pagina 48A/36102A en 36102B:

U: Welke meisjes werken door de week zo lang?

Z: Ten eerste het meisje van [betrokkene 7] gegarandeerd.. 6 uur, 7 uur.. helemaal geen probleem, ik zit als een ezel te wachten.. Ze zitten mij aan te staren en zitten te lachen.. Daarna [betrokkene 1] ook hetzelfde.. en 'yenge' (yenge = tante wordt de partner/echtgenote van een mannelijk familielid, vriend genoemd) gaat ook om 4 uur naar huis.. zij zegt van niemand is meer in de straat.. Kijk het is niet zo dat ik aan het klagen ben broeder. Ik ben alleen. Ik heb tot half negen in de ochtend hier zitten wachten. Geloof mij.

U: Hoe kan [betrokkene 1] werken, dat kan niet dat [betrokkene 1] werkt, misschien is het een keer voorgekomen.

Z: Ze heeft nu een andere kamer genomen. Ze werkte beneden, ze is nu naar nummer 50 gekomen, hier kan ze van 7 uur tot 7 uur werken.. Tot 7 uur in de ochtend. Ik.. geloof mij ik kan het niet meer aan ik ben 37 jaar oud.. als ik iemand bij mij zou hebben dat een van ons gaat en de andere blijft en dat we om de dag kunnen wisselen.. dat is ook niet zo. We hebben niemand aangenomen. Niemand zegt iets. Ik.. Ik zeg dit niet omdat ik ziek ben maar normaal door de weeks.. vrijdag en zaterdag zal ik tot 8 uur in de ochtend wachten en ik heb ook gewacht en ik heb altijd mijn woord gehouden..

U: Ik begrijp het.

Z: Maar zondag, maandag, dinsdag, woensdag, donderdag..

U: Nou oke.. wacht even we gaan het zo doen.. [betrokkene 8] (baas).. wist niet dat zoiets het geval was..

(...) Ik zal dan tegen [betrokkene 8] zeggen..euh..(...) Ik zal naar [betrokkene 8] een telefoonnummer sturen. Hij zal jou bellen en je zult dan met [betrokkene 8] spreken, is dat Oke. Is dat goed?

Z: Akkoord (...) Jij kunt praten met hem het is niet nodig dat ik het vertel..

U: Als ik praat dan gaat het niet.. Jij moet vertellen en zeggen van abi er komen voorvallen voor van zo en zo ..." Abi ik wil alles voor jou doen maar als bepaalde dingen zo gebeuren.. voor jou wil ik alles wel doen maar jij hebt in het begin tegen mij gezegd van zo en zo zal het gebeuren en later is alles langer gaan duren" moet je zeggen.. Ik blijf alleen over en ik zeg dan ook niets.. begrijp je moet je zeggen...je moet het zo vertellen..

Z: We hebben in jouw woning gepraat, er waren 8 vrouwen, kun jij je herinneren?

U: Ja.

Z: Dat zal ik ook vertellen, er waren 8 vrouwen, we werkten met twee personen samen met [betrokkene 9] , wij kregen met ons beiden 1000 lira. Ik krijg 500 lira en doe het werk van [betrokkene 9] en breng de meisjes ook weg.. ik doe het alleen.

U: Jij moet zeggen van ik vraag niet om geld..(...) mijn lichaam kan het niet aan. Ik breng de meisjes heen en weer en na een bepaald tijdstip verdraagt mijn lichaam het niet. Geloof mij abi moet je zeggen.

Z: Dank je wel voor je advies.

(...)

35.

Een tapgesprek tussen [betrokkene 2] (stemherkenning) en [verdachte] alias [verdachte] (stemherkenning) op 23 december 2006 om 01:44:18 uur, lijn 30-G, 693, pagina 23/10608:

S: Luister naar mij. [betrokkene 5] mag niet naar [betrokkene 1] en [betrokkene 1] mag niet naar [betrokkene 5] toegaan.

[verdachte] zegt: dat hij het gezegd heeft.

S: Wat ik tegen jou zeg is dat er geen bezoek mag komen voor onze meisjes. Voor [betrokkene 1] is het verboden. Absoluut verboden. Ik zeg het tegen jou dat jij het weet en [betrokkene 4] is ook op de hoogte. Ik heb zonet [betrokkene 1] gebeld en ik heb haar huid vol gescholden. Als zij naar huis komt zal ik haar (onverstaanbaar) doen."

- ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

"1. Een tapgesprek tussen NN [betrokkene 6] alias [betrokkene 6] (stemherkenning) en [verdachte] alias [verdachte] (stemherkenning) op 8 september 2006 om 01:36 uur, pagina 40/18403A:

[verdachte] = Z en [betrokkene 6] = U

Z: zeg het maar?

U: Kijk eens, wat ik tegen jou wil zeggen, je moet even naar mijn meisje toegaan en onopvallend kijken of er iemand in de kamer is.

Z: Is goed mijn beste broeder.

2.

Een tapgesprek tussen NN [betrokkene 6] alias [betrokkene 6] (stemherkenning) en [verdachte] alias [verdachte] (stemherkenning) op 8 september 2006 om 01:40 uur, pagina 40/18404:

[verdachte] = Zen [betrokkene 6] = U

U: Hallo?

Z: Zij is bezet.. bezet.

U: Oke beet maar kijk even.. ehh het is al 3 a 5 minuten dat ze binnen zijn.. hoeveel minuten later men naar buiten gaat en wat voor persoon naar buiten komt qua type.

Z: Is goed mijn beste broeder.. Ik zal meteen kijken.

3.

Een tapgesprek tussen NN [betrokkene 6] alias [betrokkene 6] (stemherkenning) en NN [verdachte] alias [verdachte] (stemherkenning) op 14 september 2006 om 00:49 uur, pagina 40/18407A:

[verdachte] = Z en [betrokkene 6] = U

Z: zeg het maar broeder.

U: Wat ben je aan het doen?

Z: Goed dank Allah. Ik ben bij de brug.

U: Goed. Is mijn meisje bezet?

Z: Wacht, ik zal even kijken. Vermoedelijk., ja.

U: Kijk even wie daar naar buiten komt.

Z: Is goed broeder.

4.

Een tapgesprek tussen NN [betrokkene 6] alias [betrokkene 6] (stemherkenning) en NN [verdachte] alias [verdachte] (stemherkenning) op 14 september 2006 om 00:57 uur, pagina 40/18408A:

[verdachte] : Hij is naar buiten gekomen, de man weet ook niet waarom ik zit te wachten.

[betrokkene 6] : Goed.

[verdachte] : Het is een Amerikaan.

[betrokkene 6] : Is het zo. Is goed.

(...)

6.

Een tapgesprek tussen [betrokkene 2] (stemherkenning) en NN [verdachte] alias [verdachte] (stemherkenning) op 23 september 2006 om 02:06 uur, pagina 40/18503A en 15503B:

NN [betrokkene 6] alias [betrokkene 6] (stemherkenning) belt uit met NN [verdachte] alias [verdachte] (stemherkenning).

[betrokkene 6] = U en [verdachte] = Z

U: Luister.. heb jij geld nodig?

Z: Ja. Geloof mij broeder ik ben altijd te laat met het opsturen.. het wordt dan maandag. Indien het mogelijk is. Neem mij niet kwalijk.

U: Heummm wacht even ik geef 'abi even.

[betrokkene 2] (stemherkenning) komt aan de telefoon.

[verdachte] = Z en [betrokkene 2] = S

S: Hallo.

Z: Zeg het maar abi.

S: Je hebt geen zakgeld klopt dat?

Z: Klopt abi.

S: Ik zal straks naar het meisje, [betrokkene 1] bellen zij zal het straks aan jou geven, is dat goed?

Z: Heel erg bedankt.

S: . . . [onverstaanbaar].

Z: Ik heb van twee vrouwen de dinges genomen, het geld en ik moet nog van twee nog ontvangen. Heb je nog andere wensen abi?

S: Nee, je moet de lijst die [betrokkene 1] aan jou heeft gegeven ophalen, het geen ik gezegd heb.

Z: Ze heeft mij geen lijst gegeven. Begrijp me niet verkeerd ik ga daar de vrouwen toe en zij zeggen dan van moeten we het vandaag betalen, we hebben geen geld... de zaken gaan niet goed.. Dit zeggen ze allemaal.

S: Dat is niet ter sprake.. het is vrijdag vandaag.. het is al 12 uur geweest.. ze moeten het geven, breng iedereen op de hoogte.. hoe kan zoiets.

Z: Begrijp mij niet verkeerd abi.. omdat ik het tot vandaan niet gedaan heb.

S: Nee, nee iedereen weet het.. waarom zoiets ter sprake brengen. Zij allen weten dit. Wie heeft dat tegen jou gezegd?

Z: Wat?

S: Wie heeft het gezegd.

Z: Wat?

S: Wie hebben die woorden tegen jou gezegd.

Z: Die kleintje.. die meisje van [betrokkene 10] heeft het geld gegeven.. Toen ik van [betrokkene 3] (fonetisch) vroeg zei ze van was het vandaag abi? Ik heb gezegd van het is vandaag.

S: Heeft [betrokkene 3] gezegd van "is het vandaag"?

Z: Ja.

S: Weet [betrokkene 3] niet dat het vandaag gegeven moet worden... [Kennelijk spreekt [betrokkene 2] met een derde persoon op de achtergrond. [betrokkene 3] heeft het gezegd van was het vandaag, dat vroeg ze.]

Z: Verder niet.

S: Iedereen weet dat het vandaag is.

Z: Ook van die meisje van [betrokkene 11] nemen?

S: Van iedereen, van iedereen!

Z: Oke abi.

S: Is dat goed? Van iedereen.

Z: Goed.. abi. Want [betrokkene 11] is niet hier.

S: Maakt niet uit van [betrokkene 11] , je moet het van zijn meisje nemen. Luister, van het meisje van [betrokkene 7] , [betrokkene 11] , van het meisje van [betrokkene 10] , die meisje in de passage Chanel of zoiets... Wie heb je verder daar [betrokkene 13] is vandaag niet aanwezig, die [betrokkene 12] is er niet.

Z: [betrokkene 13] is vandaag hier.

S: Is [betrokkene 13] aanwezig? Dan ook van haar vragen. Van [betrokkene 13] moet je 130 nemen, is dat goed.

Z: Is goed.

S: Oke.

Z: Oke.. ik zal dan wachten op een telefoontje van [betrokkene 1] .

S: Is goed.

Z: Tot ziens."

2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van deze bewezenverklaringen voorts het volgende overwogen:

"Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 ( [betrokkene 1] )

(...)

Interpretatie delictsomschrijving artikel 273f eerste lid aanhef sub 6 Sr

In het kader van de vraag of sprake is van opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [betrokkene 1] , heeft het openbaar ministerie het hof uitdrukkelijk verzocht de rechtsvraag te beantwoorden of het voor een bewezenverklaring van dat feit nodig is te bewijzen dat het opzet van verdachte mede gericht was op de uitbuiting van de ander. Het antwoord op die vraag kan naar het oordeel van het hof worden gevonden in de wetsgeschiedenis.

Het huidige artikel 273f eerste lid aanhef sub 6 Sr vindt zijn oorsprong in het oude artikel 250a eerste lid aanhef sub 4 Sr zoals dat in de Wet opheffing algemeen bordeelverbod (Stb. 1999, 464) werd geïntroduceerd. Daarin werd strafbaar gesteld 'degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder 1 genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen'. Deze onder 1 genoemde omstandigheden betreffen de (ongeoorloofde) middelen die een uitbuitingsituatie creëren of, anders gezegd, de (dwang)middelen waardoor iemand zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. Als achtergrond wordt in de bijbehorende Memorie van Toelichting de introductie van deze strafbaarstelling, voor zover hier van belang, als volgt gemotiveerd: "Daar het niet volstrekt zeker is of met behulp van deelnemingsconstructies in voldoende mate effectief kan worden opgetreden tegen achtergronddaders, wordt voorgesteld ook uitdrukkelijk strafbaar te stellen degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde, terwijl hij weet of behoort te weten dat die andere zich onvrijwillig prostitueert (...)" (Kamerstukken II 1996-1997, 25 437, nr. 3, p. 9)

Naar het oordeel van het hof kan deze (oude) delictsomschrijving niet anders worden uitgelegd dan dat het opzet gericht dient te zijn op het voordeel trekken en dat als bijkomende voorwaarde voor strafbaarheid de verdachte op zijn minst redelijkerwijs moet vermoeden dat diegene van wie hij voordeel trekt zich in een uitbuitingsituatie bevindt. De vergelijking dringt zich in dit verband op met het delict schuldheling. Ook de Memorie van Toelichting bij de Wet opheffing algemeen bordeelverbod geeft geen aanleiding de daarbij geïntroduceerde delictsomschrijving van artikel 250a eerste lid aanhef sub 4 anders te interpreteren. Daarin wordt alleen ten aanzien van het tevens nieuw geïntroduceerde artikel 250a eerste lid aanhef sub 5 ('degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, indien die ander minderjarig is') uitdrukkelijk vastgesteld dat het opzet gericht dient te zijn op het voordeel trekken en dus niet op de minderjarigheid (Kamerstukken II 1996-1997, 25437, nr. 3, p. 9).

Bij de Wet ter uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel (Kamerstukken II 2003-2004, 29 291, nrs. 1-2) is de delictsomschrijving in artikel 250a eerste lid aanhef sub 4 vervangen door de huidige delictsomschrijving in artikel 273 lid 1 aanhef sub 6. Daarin werd als schuldige aan mensenhandel strafbaar gesteld 'degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander'. Ter toelichting hierop valt in de Memorie van Toelichting slechts te lezen dat daarmee het bepaalde in artikel 250a, eerste lid, onderdeel 4, geacht wordt te zijn uitgebreid tot andere vormen van uitbuiting dan seksuele uitbuiting (Kamerstukken II 2003-2004, 29 291, nr. 3, p. 19). Bij de verdere behandeling van deze wet wordt aan deze delictsomschrijving verder geen aandacht besteed, zodat de conclusie gerechtvaardigd lijkt dat de wetgever geen wijziging in de reikwijdte van de strafbaarstelling van het opzettelijk voordeel trekken uit seksuele uitbuiting heeft willen nastreven.

De slotsom, en daarmee het antwoord op de door het openbaar ministerie opgeworpen rechtsvraag, moet daarom ook zijn dat het opzet bij seksuele uitbuiting slechts gericht hoeft te zijn op het trekken van voordeel uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling en derhalve niet op de situatie van seksuele uitbuiting op zichzelf. Naar het oordeel van het hof blijft, gelet op het voorgaande, echter wel als voorwaarde voor strafbaarheid op grond van artikel 273 lid 1 aanhef sub 6 staan dat diegene die voordeel trekt weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat sprake is van seksuele uitbuiting.

Om te komen tot een bewezenverklaring dient derhalve wettig en overtuigend bewezen te kunnen worden:

1. Dat sprake was van een uitbuitingssituatie;

2. Dat verdachte daaruit opzettelijk voordeel heeft getrokken;

3. Dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat sprake was van een uitbuitingsituatie.

Motivering bewezenverklaring opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [betrokkene 1]

Uitbuitingssituatie

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [betrokkene 1] door [betrokkene 2] werd uitgebuit. Door de raadsman is dit op zichzelf ook niet weersproken en het hof is van oordeel dat op dit punt kan worden volstaan met door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zoals die in bijlage 1 zullen worden opgenomen en welke het hof voor zover daarin opgenomen tot de zijne maakt.

Opzettelijk voordeel trekken

Het hof is voorts van oordeel dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [betrokkene 1] . Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode tegen betaling en onder gezag van [betrokkene 2] [betrokkene 1] gebracht en gehaald van en naar haar werkplek en [betrokkene 1] beschermd tegen lastige klanten. In het kader van deze werkzaamheden kreeg verdachte ook opdracht van [betrokkene 2] om [betrokkene 1] te controleren. Verdachte kreeg voor deze werkzaamheden uitbetaald door [betrokkene 1] in opdracht van [betrokkene 2] . Deze feiten en omstandigheden volgen eveneens uit de bewijsoverwegingen en bewijsconstructie van de rechtbank die het hof voor zover die in bijlage 1 zijn opgenomen tot de zijne maakt.

Wetenschap of vermoeden van uitbuitingssituatie

Tenslotte is het hof ook van oordeel dat verdachte ten tijde van zijn (betaalde) werkzaamheden voor [betrokkene 1] op z'n minst redelijkerwijs had moeten vermoeden dat [betrokkene 1] werd uitgebuit. Verdachte had zich er van moeten vergewissen dat geen sprake was van een uitbuitingssituatie. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat verdachte wist over de misstanden in de prostitutiewereld op de Amsterdams Wallen, dat verdachte op enig moment wist dat [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] zich schuldig maakten aan vrouwenhandel en dat hij ten aanzien van [betrokkene 1] in het bijzonder concrete aanwijzingen had van dwang: verdachte werkte onder gezag van [betrokkene 2] en niet louter voor en in opdracht van [betrokkene 1] , verdachte kreeg in het kader van zijn werkzaamheden opdracht [betrokkene 1] te controleren en overlegde met anderen dan [betrokkene 1] over zijn bodyguardwerkzaamheden. Ook deze feiten en omstandigheden volgen uit de bewijsoverwegingen en bewijsconstructie van de rechtbank die het hof voor zover die in bijlage 1 zijn opgenomen tot de zijne maakt en voorts uit het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 14] op 27 januari 2010 bij de rechtercommissaris in de Rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, voor zover inhoudende op pagina 9 van het proces-verbaal als verklaring van [betrokkene 14] - zakelijk weergegeven - als volgt:

'Als de rechter-commissaris mij vraagt wat [betrokkene 16] en [verdachte] (het hof begrijpt:

verdachte) dan hebben gezegd over [betrokkene 15] dan zeg ik dat zij gezegd hebben dat hij een grote jongen was van daar. Als de rechter-commissaris vraagt wat ik daarmee bedoel, dan zeg ik: "vrouwenhandel". Zij hebben gezegd dat hij vrouwen verkoopt.

Dit hebben ze ook van [betrokkene 2] gezegd'.

(...)

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 5 ( [betrokkene 3] )

Met de rechtbank, het openbaar ministerie en de raadsman is het hof van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is voor het met [betrokkene 6] medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [betrokkene 3] voor zover dat is toegesneden op artikel 273f eerste lid aanhef, sub 1, 4 en 9 Sr. Hetzelfde geldt voor het tenlastegelegde zwaar lichamelijk letsel dat het gevolg zou zijn geweest van de mensenhandel. Verdachte moet van dit alles worden vrijgesproken.

Anders dan de raadsman acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van mensenhandel voor zover dat is toegesneden op artikel 273f eerste lid aanheft, sub 6 Sr. Dat betekent dat het hof de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden anders kwalificeert dan de rechtbank. Op basis van die feiten en omstandigheden komt het hof tot bewezenverklaring van het zelfstandig plegen van mensenhandel in de vorm van het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander en derhalve tot een deel van het primair tenlastegelegde feit. Het hof komt daardoor niet toe aan niet toe aan de door de rechtbank bewezenverklaarde subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan mensenhandel.

Ter onderbouwing van deze beslissing verwijst het hof in de eerste plaats naar hetgeen het hof in verband met het onder 1 tenlastegelegde feit heeft overwogen omtrent de interpretatie van de betreffende delictsomschrijving. Met betrekking tot de wijze waarop in casu de bestanddelen van die delictsomschrijving worden vervuld overweegt het hof als volgt.

Motivering bewezenverklaring opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van [betrokkene 3]

Uitbuitingssituatie

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [betrokkene 3] door [betrokkene 6] werd uitgebuit. Door de raadsman is dit op zichzelf ook niet weersproken en het hof is van oordeel dat op dit punt kan worden volstaan met de bewijsoverweging van de rechtbank terzake alsmede de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zoals die in bijlage 2 zullen worden opgenomen en welke het hof telkens voor zover opgenomen tot de zijne maakt.

Opzettelijk voordeel trekken

Het hof is voorts van oordeel dat verdachte voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [betrokkene 3] . Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode tegen betaling en onder gezag van [betrokkene 6] en [betrokkene 2] bodyguardwerkzaamheden voor [betrokkene 3] verricht, gekeken of [betrokkene 3] bezet was, [betrokkene 3] gehaald van haar werkplek en beschermingsgeld bij [betrokkene 3] geïnd. Deze feiten en omstandigheden volgen eveneens uit de bewijsoverwegingen en bewijsconstructie van de rechtbank die het hof voor zover die in bijlage 2 zijn opgenomen tot de zijne maakt.

Wetenschap of vermoeden van uitbuitingssituatie

Ten slotte is het hof ook van oordeel dat verdachte ten tijde van zijn (betaalde) werkzaamheden voor [betrokkene 1] op z'n minst redelijkerwijs had moeten vermoeden dat [betrokkene 3] werd uitgebuit. Verdachte had zich er van moeten vergewissen dat geen sprake was van een uitbuitingssituatie. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat verdachte wist over de misstanden in de prostitutiewereld op de Amsterdams Wallen, dat verdachte op enig moment wist dat [betrokkene 2] en [medeverdachte 1] zich schuldig maakten aan vrouwenhandel en dat hij ten aanzien van [betrokkene 3] in het bijzonder concrete aanwijzingen had van dwang: verdachte werkte onder gezag van [betrokkene 6] en [betrokkene 2] en niet louter voor en in opdracht van [betrokkene 3] , verdachte kreeg in het kader van zijn werkzaamheden opdracht bij [betrokkene 3] te kijken of ze bezet was en overlegde met anderen dan [betrokkene 3] over zijn bodyguardwerkzaamheden (met [betrokkene 6] die hem op zijn beurt weer adviseert daarover met [betrokkene 2] te spreken). Ook deze feiten en omstandigheden volgen uit de bewijsoverwegingen en bewijsconstructie van de rechtbank die het hof voor zover die in bijlage 2 zijn opgenomen tot de zijne maakt en voorts uit de bij bespreking van het onder 1 tenlastegelegde feit aangehaalde proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 14] op 27 januari 2010 bij de rechter-commissaris welk proces-verbaal het hof voor zover dat onder 1 is weergegeven ook terzake het bewijs van feit 5 redengevend acht."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel stelt de vraag aan de orde waarop het opzetvereiste van art. 273f, aanhef en eerste lid sub 6º, Sr betrekking heeft, in het bijzonder of het opzetvereiste ook betrekking heeft op "de uitbuiting van een ander".

3.2.

Art. 273f Sr luidde ten tijde van de onder 1 en 5 bewezenverklaarde feiten:

"1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

(...)

6º degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander;

(...)"

3.3.

Het middel, dat klaagt over de opvatting van het Hof dat het opzet van de dader niet gericht behoeft te zijn op de uitbuiting van een ander, is gegrond. Gelet op de duidelijke bewoordingen van de wet en in aanmerking genomen dat in de delictsomschrijving het woord "opzettelijk" is geplaatst vóór "de uitbuiting van een ander", moet worden aangenomen dat voor een veroordeling ter zake van het misdrijf van art. 273f, aanhef en eerste lid sub 6º, Sr is vereist dat het opzet van de dader behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander. 's Hofs opvatting geeft dus blijk van een onjuiste uitleg van voormelde bepaling.

3.4.

Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden nu uit de hiervoor onder 2.2 weergegeven bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het opzet van de verdachte mede was gericht op de uitbuiting van [betrokkene 1] respectievelijk [betrokkene 3] die in de bewezenverklaringen onder 1 en 5 worden genoemd.

4 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2015.