Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2195

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
13/05265 en 13/05839
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Vervolg op HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:183. Overnemen onteigeningsgeding van door rechtbank benoemde derde door erfgenamen, art. 20 Ow. Strekking van art. 20 Ow: HR 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2656, NJ 2006/240. Tijdstip van overneming: op eerstdienende dag of na onteigeningsvonnis, art. 23 OW. Tussenkomst door erfgenamen van eigenaar in onteigeningsgeding? Art. 3 lid 2 Ow. Tegenspraak van door tussenkomende partij gestelde hoedanigheid, art. 3 lid 3 OW (HR 14 november 2008, ECLI:NL:LHR:2008:BW0375, NJ 2008/590).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1487
JWB 2015/292
RvdW 2015/934
NJ 2018/79 met annotatie van W.D.H. Asser
TBR 2015/180 met annotatie van J.J. van der Gouw, J.A.M.A. Sluysmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 augustus 2015

Eerste Kamer

13/05265 en 13/05839

EV/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van 13/05265:

1. [A] ,

2. [B] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

1. de GEMEENTE PEEL EN MAAS,

zetelende te Panningen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.P. van den Berg,

2. mr. S. FRAATS q.q., (in haar hoedanigheid van derde in de zin van art. 20 Onteigeningswet en opgeroepen derde partij in de zin van art. 118 Rv)

kantoorhoudende te Maastricht,

Advocaten: mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink,

3. de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 2] ,

voorheen wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen,

en in de zaak van 13/05839:

1. [C] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [D] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

4. [B] ,

wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

t e g e n

1. de GEMEENTE PEEL EN MAAS,

zetelende te Panningen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.P. van den Berg,

2. mr. S. FRAATS q.q., (in haar hoedanigheid van derde in de zin van art. 20 Onteigeningswet en opgeroepen derde partij in de zin van art. 118 Rv)

kantoorhoudende te Maastricht,

Advocaten:mr. M.W. Scheltema en mr. R.T. Wiegerink,

3. de gezamenlijke erfgenamen van

[betrokkene 2] ,

voorheen wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [A+B] , [A] , de twee dochters, [betrokkene 2] , de Gemeente en mr. Fraats q.q.

1 Het verdere verloop van het geding

De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:183, voor het verloop van het geding tot aan die datum.

Het tussenarrest van de Hoge Raad is aan dit arrest gehecht.

[A+B] en [A] hebben vervolgens in het eerste cassatieberoep [betrokkene 2] en mr. Fraats q.q. op de voet van art. 118 Rv opgeroepen opdat zij zich desgewenst kunnen uitlaten over de klachten tegen de afwijzing van de door [A+B] en [A] gevorderde tussenkomst. [A+B] , [A] en de twee dochters hebben in het tweede cassatieberoep evenzo gehandeld.

Tegen (de erfgenamen van) [betrokkene 2] is in beide beroepen verstek verleend.

Mr. Fraats q.q. heeft in de zaak met rolnummer 13/05265 (het eerste cassatieberoep) geconcludeerd tot verwerping van het eerste middel en tot referte ten aanzien van het tweede middel. In de zaak met rolnummer 13/05839 (het tweede cassatieberoep) heeft zij geconcludeerd tot referte.

Eisers tot cassatie hebben hierop bij antwoordakte gereageerd.

De waarnemend Advocaat-Generaal is in de gelegenheid gesteld een nadere conclusie te nemen, maar heeft daarvan afgezien.

2. Uitgangspunten bij de beoordeling van de middelen in de zaken met rolnummer 13/05265 (het eerste cassatieberoep) en 13/05839 (het tweede cassatieberoep)

2.1

De Hoge Raad verwijst voor de vaststaande feiten, de vorderingen in de hoofdzaak en in de incidenten, alsmede de daarop door de rechtbank genomen beslissingen, naar zijn hiervoor in 1 vermelde tussenarrest van 30 januari 2015.

2.2

In beide zaken stellen de middelen de vragen aan de orde onder welke voorwaarden de erfgenamen van de in art. 18 lid 1 Ow bedoelde eigenaar van een onroerende zaak (i) het onteigeningsgeding kunnen overnemen van een door de rechtbank op de voet van art. 20 lid 1 Ow benoemde derde en (ii) kunnen tussenkomen in het onteigeningsgeding op de voet van art. 3 lid 2 Ow.

Ad (i): overneming van het geding (art. 20 Ow)

2.3

Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2656, NJ 2006/240, strekt de benoeming van een derde op de voet van art. 20 lid 1 Ow ertoe het algemene belang van een snel en efficiënt verloop van het onteigeningsgeding te dienen, en daarmee in zoverre ook het belang van de onteigenende partij. De derde heeft na zijn benoeming de belangen van de bij koninklijk besluit aangewezen, inmiddels overleden eigenaar te dienen. Voorkomen moet worden dat het onteigeningsgeding wordt opgehouden doordat de rechter zou worden genoopt een beslissing te geven omtrent de vraag wie krachtens erfopvolging is gerechtigd tot de te onteigenen zaak.

2.4.1

Tegen deze achtergrond dient te worden aanvaard dat het onteigeningsgeding, zolang nog niet onherroepelijk is beslist over de vordering tot (vervroegde) onteigening, op de voet van art. 20 leden 2 en 3 Ow alleen door of namens de gezamenlijke erfgenamen kan worden overgenomen van de door de rechtbank benoemde derde, en dus niet door één of meer van hen. Dit is reeds het geval omdat de afzonderlijke erfgenamen geen rechthebbenden zijn op de te onteigenen zaak; zolang de boedel nog niet is verdeeld, komt de te onteigenen zaak immers toe aan de erfgenamen gezamenlijk. Bovendien zou een snel en efficiënt verloop van het onteigeningsgeding worden geschaad als het geding door de onteigenaar zowel tegen één of meer afzonderlijke erfgenamen als tegen de door de rechtbank benoemde derde zou moeten worden gevoerd. Voor het geval de erfgenamen niet erin slagen tot een eensluidend standpunt te komen met het oog op een gezamenlijke overneming van het geding, kunnen zij de weg bewandelen van art. 3:168 lid 2 BW.

2.4.2

De mogelijkheid tot overneming van het geding strekt tot bescherming van het belang van de gezamenlijke erfgenamen om zich zelf in rechte te kunnen verweren tegen de vordering tot onteigening, en om te voorkomen dat de boedel wordt belast met de onkosten van de door de rechtbank benoemde derde (art. 20 lid 1 (slot) Ow).

2.4.3

Uit art. 20 leden 2 en 3 Ow in verbinding met art. 23 Ow volgt dat het geding, zolang op de vordering tot onteigening nog niet onherroepelijk is beslist, op de eerstdienende dag (door de gezamenlijke erfgenamen) kan worden overgenomen van de door de rechtbank benoemde derde. Ook deze wettelijke eis strekt ertoe om het algemene belang van een snel en efficiënt verloop van het onteigeningsgeding ten volle tot zijn recht te laten komen.

2.4.4

De hiervoor in 2.4.3 vermelde beperking behoort echter niet langer te gelden nadat het vonnis van (vervroegde) onteigening onherroepelijk is geworden. Het belang van een snel en efficiënt verloop van het onteigeningsgeding legt dan immers geen groot gewicht meer in de schaal. De gezamenlijke erfgenamen (of hun procesvertegenwoordiger) kunnen het geding dus - niet alleen op de eerstdienende dag maar – ook gedurende de "tweede fase" van het onteigeningsgeding, waarin de hoogte van de aan de onteigende te betalen schadeloosstelling wordt bepaald, van de door de rechtbank benoemde derde overnemen.

Ad (ii): tussenkomst (art. 3 Ow)

2.5.1

Art. 3 lid 2 Ow verklaart de daarin genoemde personen bevoegd in het onteigeningsgeding tussen te komen zolang de eindconclusies nog niet door partijen zijn genomen. Tot die personen behoort mede degene die stelt eigenaar te zijn van de te onteigenen zaak. Diens recht van tussenkomst na aanvang van het onteigeningsgeding hangt samen met de omstandigheid dat degene die is gedagvaard op de grond dat hij ingevolge art. 3 lid 1 Ow als eigenaar wordt aangemerkt, niet (meer) noodzakelijkerwijze die hoedanigheid behoeft te bezitten. Dit rechtvaardigt dat “eenieder die beweert eigenaar te zijn” en niet is gedagvaard – evenals de andere personen die in art. 3 lid 2 Ow zijn genoemd en evenmin zijn gedagvaard – nog in het geding mag verschijnen na de aanvang daarvan. In zoverre gaat de wet ervan uit dat vertraging van het onteigeningsgeding moet worden aanvaard.

2.5.2

Indien degene die krachtens art. 3 lid 1 Ow als eigenaar wordt aangemerkt is overleden en op de voet van art. 20 lid 1 Ow een derde is benoemd tegen wie het geding wordt gevoerd, heeft die derde in de procedure te gelden als vertegenwoordiger en belangenbehartiger van de erfgenamen van de overleden eigenaar. De omstandigheid dat de erfgenamen aldus reeds in het geding zijn vertegenwoordigd, verhindert dat zij – individueel of gezamenlijk – vervolgens nogmaals, als tussenkomende partij, in het geding worden toegelaten. Hun mogelijkheden om zelf in het geding te komen zijn dus beperkt tot de mogelijkheden die art. 20 Ow biedt, zoals hiervoor in 2.4 uiteengezet.

2.5.3

Art. 3 lid 3 Ow bepaalt dat hij die stelt gerechtigd te zijn tot de onroerende zaak, in geval van tegenspraak van zijn hoedanigheid zijn recht alleen op de schadevergoeding kan uitoefenen. Ook deze bepaling heeft tot strekking om vertraging van de onteigeningsprocedure te voorkomen. De wet stelt in zoverre het belang van de onteigenende partij bij het tijdig tot stand komen van de onteigening boven dat van een partij die stelt eigenaar, rechthebbende of derde-belanghebbende te zijn, maar van wie niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat zij de gestelde hoedanigheid ook werkelijk heeft (HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0375, NJ 2008/590).

3. Beoordeling van de middelen in de zaak met rolnummer 13/05265 (het eerste cassatieberoep)

3.1

Het eerste middel klaagt dat de in 3.2.2 van het tussenarrest samengevat weergegeven gronden waarop de rechtbank in het incident de door [A+B] gevorderde overneming van het geding, respectievelijk tussenkomst heeft afgewezen, onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn.

3.2

Het middel faalt op de hiervoor in 2.4.1, respectievelijk in 2.5.2 vermelde gronden.

3.3

Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [A] gevorderde tussenkomst niet wordt toegestaan omdat zijn hoedanigheid van pachter is betwist in de zin van art. 3 lid 3 Ow.

De rechtsklacht van het middel faalt op de hiervoor in 2.5.3 vermelde grond. Ook de motiveringsklacht van het middel faalt. Het oordeel van de rechtbank - zoals dat moet worden verstaan – dat de juistheid van de door [A] mede aan zijn vordering ten grondslag gelegde hoedanigheid van pachter niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld, is in de omstandigheden van het geval niet onbegrijpelijk (zie de conclusie van de waarnemend Advocaat-Generaal onder 6.14).

4. Beoordeling van het middel in de zaak met rolnummer 13/05839 (het tweede cassatieberoep)

4.1

Voor zover het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de procedure door de gezamenlijke erfgenamen in dit stadium op de voet van art. 20 lid 2 Ow uitsluitend op de eerstdienende dag kon worden overgenomen van de door de rechtbank benoemde derde, mr. Fraats q.q., faalt het op de hiervoor in 2.4.3 vermelde grond.

4.2

Het middel faalt op de hiervoor in 2.5.2 vermelde grond eveneens voor zover het is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering tot tussenkomst van de gezamenlijke erfgenamen op de voet van art. 3 Ow moet worden afgewezen aangezien die erfgenamen - aldus nog steeds de rechtbank - bij toewijzing van de vordering dubbel aanwezig zouden zijn in de procedure, immers zowel in persoon als vertegenwoordigd door mr. Fraats q.q.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

in de zaak met rolnummer 13/05265 (het eerste cassatieberoep):

verwerpt het beroep;

veroordeelt [A] en [B] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op
€ 818,34 aan verschotten en € 2200,-- voor salaris, aan de zijde van (de erfgenamen van) [betrokkene 2] op nihil, en aan de zijde van mr. Fraats q.q. op € 380,34 aan verschotten en € 1.100,-- voor salaris;

in de zaak met rolnummer 13/05839 (het tweede cassatieberoep):

verwerpt het beroep;

veroordeelt [A] , [B] , [C] en [D] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 818,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, aan de zijde van (de erfgenamen van) [betrokkene 2] op nihil, en aan de zijde van mr. Fraats q.q. op € 380,34 aan verschotten en € 1.100,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 14 augustus 2015.