Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2193

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
14/02241
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:525, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:315, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huurrecht. Verzoek tot aanmerken van ‘samenwoner’ als huurder, art. 7:267 BW. Verzoek nog mogelijk na beëindiging van duurzame gemeenschappelijk huishouding? Omstandigheden van het geval.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 267
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1489
RvdW 2015/936
JWB 2015/293
WR 2015/123
NJ 2016/27 met annotatie van J.L.R.A. Huydecoper
JIN 2015/204 met annotatie van F.M. Guljé
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 augustus 2015

Eerste Kamer

14/02241

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,

t e g e n

LIBRA INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Roermond,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en Libra.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 1207462 CV EXPL 10-42449 van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2011 en 30 november 2011;

b. het arrest in de zaak 200.102.678/01 van het gerechtshof Amsterdam van 28 januari 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Libra heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor Libra toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van Libra heeft bij brief van 1 mei 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [eiseres 2] was met ingang van 15 juni 1989 huurder en hoofdbewoner van de woning aan de [a-straat] te [woonplaats] (hierna: de woning).

(ii) [eiser 1] is met ingang van 3 juli 1992 in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) als bewoner van de woning ingeschreven.

(iii) Libra is sinds 1 maart 2005 eigenares van de woning.

(iv) [eiseres 2] heeft de woning op 15 of op 19 april 2010 verlaten en is toen gaan wonen aan de [b-straat] te [woonplaats] . Zij heeft op 19 april 2010 aangifte tegen [eiser 1] gedaan ter zake van bedreiging en mishandeling en heeft zich voorts met ingang van diezelfde datum in de GBA doen inschrijven op voormeld adres aan de [b-straat] .

( v) Bij brief van 22 september 2010 heeft [eiseres 2] aan Libra medegedeeld dat zij de relatie met [eiser 1] heeft beëindigd. Zij heeft verzocht het huurcontract op naam van [eiser 1] te zetten, met wie zij achttien jaar in de woning heeft samengewoond.

(vi) Libra heeft dit verzoek bij brief van 14 oktober 2010 afgewezen.

3.2.1

In het onderhavige geding hebben [eisers] gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat [eiser 1] medehuurder zal zijn van de woning. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering alsnog afgewezen. Tegen de achtergrond van de hiervoor in 3.1 onder (ii)-(iv) vermelde vaststaande feiten overwoog het hof dat het de vraag is of, voor zover in de brief van 22 september 2010 een mede namens [eiser 1] gedaan verzoek ligt besloten om hem als medehuurder aan te merken, op 22 september 2010 nog sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in art. 7:267 lid 1 BW (rov. 3.4). Het hof beantwoordde die vraag ontkennend op grond van de volgende overwegingen (rov. 3.5):

“Voor zover in de brief van 22 september 2010 van [eiseres 2] aan Libra een mede namens [eiser 1] gedaan verzoek besloten ligt om hem als medehuurder aan te merken, kan uit het tijdsverloop van vijf maanden tussen de verhuizing van [eiseres 2] naar een andere woning en haar inschrijving in de GBA op dat nieuwe adres enerzijds en het tijdstip van genoemd verzoek anderzijds niet anders worden afgeleid dan dat ten tijde van het verzoek in deze brief geen sprake meer was van een gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser 1] en [eiseres 2] . Evenmin is gebleken dat dit verzoek zo spoedig mogelijk na het beëindigen van de gestelde samenwoning is gedaan. Dat en waarom het vertrek van [eiseres 2] in april 2010 niet definitief was, hebben [eisers] wel gesteld, maar onvoldoende toegelicht. De vordering van [eisers] is om die reden niet toewijsbaar.”

3.3

Het middel, dat in twee onderdelen uiteenvalt, is gericht tegen rov. 3.4 en 3.5 van het bestreden arrest. Het betoogt in de kern dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof alleen heeft onderzocht of op 22 september 2010 nog sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zonder alle overige omstandigheden van het geval, waaronder de lange duur van samenwoning (van achttien jaar), mee te wegen. Naar vaste rechtspraak wordt dit oordeel niet gerechtvaardigd door de enkele omstandigheid dat de samenwoning tussen de huurder en degene met wie hij in het gehuurde een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, is beëindigd. Alle omstandigheden van het geval, en in het bijzonder de duur van de gemeenschappelijke huishouding, dienen in dat oordeel te worden verdisconteerd. Voorts is het oordeel in rov. 3.5, dat niet is gebleken dat het verzoek zo spoedig mogelijk na het beëindigen van de samenwoning is gedaan, onvoldoende gemotiveerd, mede omdat de huurovereenkomst nog voortduurde en omdat dit oordeel voorbijgaat aan de systematiek van het verwante art. 7:268 lid 2 BW. Bovendien stelt art. 7:267 lid 3 BW niet de eis dat het verzoek binnen een bepaalde tijd wordt gedaan.

Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4

Het middel mist feitelijke grondslag en kan dus niet tot cassatie leiden voor zover het de klacht bevat dat het hof alleen heeft onderzocht of op 22 september 2010 nog sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, zonder de overige omstandigheden van het geval mee te wegen. Het hof heeft immers ook onderzocht of het hiervoor in 3.2.2 vermelde, mede namens [eiser 1] gedane, verzoek zo spoedig mogelijk na het beëindigen van de gestelde samenwoning is gedaan.

3.5.1

Bij de beoordeling van de overige hiervoor in 3.3 vermelde klachten van het middel wordt het volgende vooropgesteld.

3.5.2

Uit de beschikkingen HR 10 oktober 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC1632, NJ 1981/132 (Dekker/Petronella) en HR 21 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5199, NJ 1986/383 (Boonacker/Neve), die betrekking hebben op de voorloper van art. 7:267 BW, namelijk art. 7A:1623h (oud) BW, volgt dat de enkele omstandigheid dat er plannen bestaan om de gemeenschappelijke huishouding te beëindigen, respectievelijk dat geen sprake meer is van samenwoning, niet meebrengt dat niet meer kan worden gesproken van een gemeenschappelijke huishouding.

3.5.3

De aandacht van partijen zal in een situatie of periode waarvan veelal pas achteraf kan worden gezegd dat daarin de gemeenschappelijke huishouding werd beëindigd, vaak niet (primair) zijn gericht op het doen van een verzoek als het onderhavige. Daarbij komt dat in de regel grote en ook voor de verhuurder kenbare belangen van de samenwoner zijn betrokken bij een zodanig verzoek. Hiertegenover staat dat art. 7:267 lid 1 BW bepaalt dat die samenwoner op het moment van het doen van het verzoek een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de huurder heeft. Bovendien verlangt het (rechtzekerheids)belang van de verhuurder dat met het doen van een verzoek als het onderhavige niet onredelijk lang wordt gewacht.

3.5.4

In verband met hetgeen hiervoor is overwogen, brengt een redelijke toepassing van art. 7:267 BW mee dat de rechter de bevoegdheid heeft om, in verband met de omstandigheden van het geval, een verzoek als het onderhavige toe te wijzen ook na de beëindiging van de duurzame gemeenschappelijke huishouding, mits dat verzoek zo spoedig na die beëindiging is gedaan als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden gevergd.

3.6

Het hof heeft – in cassatie onbestreden – tot uitgangspunt genomen dat ten tijde van het verzoek om [eiser 1] in het vervolg als huurder van de woning aan te merken (september 2010) geen sprake meer was van een gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser 1] en [eiseres 2] en dat de samenwoning van [eiser 1] en [eiseres 2] al vijf maanden voordien (april 2010) definitief was beëindigd. Het oordeel van het hof moet aldus worden verstaan dat het verzoek om [eiser 1] in het vervolg als huurder van de woning aan te merken niet zo spoedig na de beëindiging van de duurzame gemeenschappelijke huishouding is gedaan als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon worden gevergd. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Het kan de beslissing van het hof zelfstandig dragen, ook als de duur van de gemeenschappelijke huishouding in aanmerking wordt genomen. De overige hiervoor in 3.3 weergegeven klachten kunnen dus ook niet cassatie leiden.

3.7

Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Libra begroot op € 841,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken

door de raadsheer G. de Groot op 14 augustus 2015.