Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:2162

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-08-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
14/02492
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:2582, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht; art. 6:22 Awb. Niet op voorgeschreven wijze bekendgemaakt mandaatbesluit benadeelt belanghebbende niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-2017
V-N Vandaag 2015/1763
V-N 2015/39.6
BNB 2015/208
Gst. 2015/97 met annotatie van L.M. Koenraad
FED 2015/83 met annotatie van dr. E. Poelmann
Belastingblad 2015/533 met annotatie van P. de Bruin
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 augustus 2015

nr. 14/02492

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 25 maart 2014, nr. 13/00318, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost‑Nederland (nr. AWB 12/1314) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2004 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. A.M.E. Nuyens en mr. R.W.J. Kerkchoffs.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft een bankrekening in Zwitserland aangehouden, waarvan hij geen opgaaf heeft gedaan in zijn aangifte IB/PVV 2004.

2.1.2.

[A] (hierna: [A]) heeft namens belanghebbende een ‘Verklaring vrijwillige verbetering buitenlands vermogen’ aan de Inspecteur gezonden. De fiscale consequenties van deze inkeer zijn neergelegd in een op verzoek van [A] opgesteld rapport dat de Inspecteur op 23 november 2009 heeft ontvangen.

2.1.3.

De onderhavige navorderingsaanslag IB/PVV 2004 is met dagtekening 31 december 2009 opgelegd. Het aanslagbiljet is geadresseerd aan belanghebbendes belastingadviseur [G]. [A] is niet verbonden aan het kantoor van deze belastingadviseur.

2.1.4.

Met dagtekening 9 februari 2010 is aan belanghebbende op zijn woonadres een Mededeling IB/PVV 2004 gezonden, waarin naar een reeds opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2004 wordt verwezen.

2.1.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 18 februari 2010, door de Inspecteur ontvangen op 19 februari 2010, bezwaar gemaakt tegen voormelde navorderingsaanslag.

2.1.6.

Bij brief van 8 maart 2011 heeft [G] aan de Inspecteur verzocht om voortaan de navorderingsaanslagen IB/PVV in het kader van de inkeerregeling aan het kantoor van [A] te zenden.

2.1.7.

Bij brief van 15 maart 2011 heeft [A] de Inspecteur bericht dat de navorderingsaanslagen niet naar zijn kantoor maar naar belanghebbende zelf moeten worden gestuurd.

2.1.8.

Het hogerberoepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank, waarbij de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2004 was vernietigd, is namens de Inspecteur ingediend door [C] (hierna: [C]). Belanghebbende heeft diens bevoegdheid betwist.

2.1.9.

De Inspecteur heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van het Hof op 11 december 2013 - na een tijdig gevraagd en vervolgens door het Hof verleend uitstel - op 21 januari 2014 een Besluit mandaat- en (vol)machtverlening Belastingdienst/[P] toegezonden, alsmede een uittreksel van een bij dit besluit behorend Bevoegdhedenregister rechtbanken en gerechtshoven, waarin de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [C] bij procedures bij rechtbanken en gerechtshoven is neergelegd. Voornoemd mandaatbesluit en bevoegdhedenregister zijn niet gepubliceerd in de Staatscourant.

2.2.

Het Hof heeft, gelet op de overgelegde stukken en op het bepaalde in artikel 27, lid 2, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, [C] bevoegd geacht tot het instellen van het hoger beroep. Aan de rechtsgeldigheid van voornoemd mandaatbesluit en bevoegdhedenregister doet niet af dat deze niet in de Staatscourant zijn gepubliceerd, aldus het Hof. Ook de overige bezwaren van belanghebbende inzake de bevoegdheid van [C] zijn door het Hof verworpen.

2.3.1.

Middel 2 komt op tegen het in onderdeel 2.2 weergegeven oordeel met het betoog dat het Hof ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het in het geding gebrachte Besluit mandaat- en (vol)machtverlening en het bijbehorende bevoegdhedenregister, aangezien deze stukken niet op de in artikel 3:42 Awb voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt.

2.3.2.

Blijkens het in geding gebrachte mandaatbesluit van 11 december 2012 was [C] op 8 maart 2013 bevoegd het hoger beroepschrift in te dienen. Aan dit mandaatbesluit kleeft weliswaar een formeel gebrek doordat het niet op de in artikel 3:42 Awb voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, maar daaraan behoeft ingevolge artikel 6:22 Awb geen sanctie te worden verbonden, tenzij belanghebbende daardoor zou zijn benadeeld (vgl. HR 16 maart 2012, nr. 10/03753, ECLI:NL:HR:2012:BV8937, BNB 2012/177). Het middel houdt niet in dat belanghebbende enig nadeel heeft ondervonden door het formele gebrek en ’s Hofs uitspraak of de stukken van het geding bevatten ook geen aanwijzingen dat een zodanige benadeling zich heeft voorgedaan. Het middel faalt in zoverre.

2.3.3.

Middel 2 berust voor het overige op het betoog dat het per 1 januari 2013 ingevoerde nieuwe besturingsmodel van de Belastingdienst, gepubliceerd op 11 maart 2013 in Staatscourant 2013, 6465, meebrengt dat [C] op 8 maart 2013 niet bevoegd was hoger beroep in te stellen. Die interne organisatieaanpassing van de Belastingdienst en de daaruit voortvloeiende wijziging van de ressorteringsbepalingen doen geen afbreuk aan de bevoegdheden die ten tijde van het instellen van het hoger beroep aan [C] als landelijk bevoegd inspecteur waren toegekend (vgl. HR 14 juni 2013, nr. 12/02697, ECLI:NL:HR:2013:BZ4198, BNB 2013/185). Ook in zoverre faalt het middel daarom.

2.4.

Omtrent het door belanghebbende met dagtekening 18 februari 2010 ingediende bezwaarschrift, dat de Inspecteur op 19 februari 2010 ontving, heeft het Hof geoordeeld dat dit niet tijdig is ingediend, aangezien de termijn op 11 februari 2010 was geëindigd. Daaraan doet niet af dat de navorderingsaanslag was geadresseerd aan [G], aangezien aannemelijk is dat indertijd door of namens belanghebbende is verzocht om de aanslagbiljetten van belanghebbende aan [G] te zenden. Belanghebbende heeft niet betwist dat het aanslagbiljet op 31 december 2009 is verzonden, zodat ervan wordt uitgegaan dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 per die datum op juiste wijze is bekendgemaakt. Dat het aanslagbiljet de geadresseerde pas later heeft bereikt, doet de bezwaartermijn niet op een ander moment aanvangen. Aangezien van een verschoonbare termijnoverschrijding evenmin sprake is, moet het bezwaarschrift niet‑ontvankelijk worden verklaard, aldus nog steeds het Hof.

2.5.1.

Middel 3 betoogt dat de bezwaartermijn niet met de toezending van de navorderingsaanslag aan [G] is aangevangen, en keert zich voorts tegen ’s Hofs oordeel dat niet is betwist dat die toezending op 31 december 2009 heeft plaatsgevonden.

Het Hof heeft onder verwijzing naar in het geding gebrachte stukken aannemelijk geacht dat indertijd door of namens belanghebbende is verzocht om de aanslagbiljetten aan zijn belastingadviseur [G] te zenden. Dit oordeel kan, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het middel faalt derhalve voor zover het berust op het betoog dat de Inspecteur het onderhavige aanslagbiljet onjuist heeft geadresseerd.

2.5.2.

Het middel wijst erop dat van de zijde van belanghebbende ter zitting voor het Hof is aangevoerd dat de aanslag nooit is bekendgemaakt. De desbetreffende opmerking is weergegeven op pagina 17 van het proces‑verbaal van de zitting voor het Hof. Blijkens dit proces‑verbaal heeft de gemachtigde van belanghebbende omtrent deze bekendmaking het volgende opgemerkt:

“De gemachtigde geeft aan dat de aanslag niet naar het juiste adres is verzonden, dat de aanslag derhalve niet op 31 december 2009 is vastgesteld en dat daarmee niet binnen vijf jaren een aanslag is opgelegd.

(…)

De gemachtigde verklaart dat op 9 februari 2010 een mededeling is gedaan aan belanghebbende, op dat moment is pas het goede adres aangeschreven. Naar aanleiding van die mededeling van de Ontvanger is door de gemachtigde voor de zekerheid bezwaar aangetekend, omdat uit die mededeling naar voren leek te komen dat een navorderingsaanslag was opgelegd. De aanslag zelf is volgens de gemachtigde nooit bekendgemaakt. Bij de inzageprocedure is die niet overgelegd.

(…)

De gemachtigde geeft aan dat de aanslag dan weliswaar tot de gedingstukken behoort, maar dat dat nog niets zegt over de juiste bekendmaking. Hij stelt dat de aanslag niet op de juiste wijze - niet aan het juiste adres - is bekendgemaakt.”

Het Hof heeft de opmerking waarop het middel zich beroept kennelijk en, bezien in het licht van de context waarin deze opmerking is geplaatst, niet onbegrijpelijk opgevat als een uitvloeisel van de stelling dat het aanslagbiljet verkeerd was geadresseerd, en niet als een zelfstandige betwisting van de verzending als zodanig. Ook voor zover het middel zich keert tegen ’s Hofs vaststelling dat niet is betwist dat toezending van de navorderingsaanslag aan [G] heeft plaatsgevonden op 31 december 2009, faalt het daarom.

2.6.

De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1,van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2015.