Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:207

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
05-02-2015
Zaaknummer
13/03063
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:39, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Falende bewijsklacht bedreiging met geweld. 2.Innerlijke tegenstrijdigheid bewijsmiddelen. Nu de gestelde tegenstrijdigheden aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring niet in de weg staan is de klacht tevergeefs voorgesteld. 3. Uos. Hetgeen door de verdediging ter toelichting is aangevoerd, heeft het Hof kennelijk aldus opgevat dat het slechts betrekking heeft op de door de rechter overeenkomstig art. 338 Sv te bekomen overtuiging dat het tlgd. feit door verdachte is gepleegd. Geen rechtsregel gebiedt de rechter te motiveren op grond waarvan hij die overtuiging heeft bekomen. Het Hof heeft het betoog niet behoeven op te vatten als een uos i.d.z.v. art. 359.2 Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/366
RvdW 2015/267
NJ 2015/245 met annotatie van J.M. Reijntjes
NBSTRAF 2015/77
SR-Updates.nl 2015-0087
NbSr 2015/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 februari 2015

Strafkamer

nr. S 13/03063

EC/DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 31 januari 2013, nummer 22/004738-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 12 november 2009 te Delft tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee met inhoud, toebehorende aan Pizza [A] en/of [betrokkene] en/of [slachtoffer], welke bedreiging met geweld bestond uit het:

- met bedekt gelaat en dreigend met de handen in de zakken agressief tegen die [slachtoffer] zeggen "geef mij je geld".

en

hij op 12 november 2009 te Delft tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (uit de box van de bromfiets van pizzabezorger [slachtoffer]) heeft weggenomen pizza's en pakjes sigaretten, toebehorende aan Pizza [A] en/of [betrokkene], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het:

- met bedekt gelaat en dreigend met de handen in de zakken agressief tegen die [slachtoffer] zeggen "geef mij je geld"."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2013 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik was in het bezit van een Opel Omega.

Mijn roepnaam is [verdachte].

2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 december 2009 van de politie Haaglanden met nr. 2009032328-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 50 ev):

als de op 14 december 2009 afgelegde verklaring van [betrokkene]:

Ik ben namens Pizza [A] te Delft gerechtigd tot het doen van aangifte. Tussen 19 november 2009 te 21.30 uur en 22.00 uur werd op de Bilderdijkhof te Delft een straatroof gepleegd. Ik ben eigenaar van Pizza [A] te Delft. Ik doe tevens aangifte namens mijn medewerker [slachtoffer].

Op 19 november 2009 omstreeks 21.30 uur kwam ik op de zaak. Ik hoorde van een van mijn medewerkers dat er nog een bestelling was van 5 pizza's en 2 pakjes Marlboro op de Willem Bilderdijkhof. Ik weet dat er een nummer was doorgegeven, maar dat het nummer niet bestond. Ik weet dat we anoniem gebeld werden om de bestelling door te geven. Het telefoonnummer wat was opgegeven was niet in gebruik.

Omstreeks 22.00 uur werd ik in paniek gebeld door [slachtoffer]. Hij was beroofd. In de portemonnee zat een bedrag van 250 a 300 euro. Verder zijn er 2 pakjes sigaretten a 4,60 euro weggenomen en 5 pizza's ter waarde van 40 euro.

3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 28 december 2009 van de politie Haaglanden met nr. 2009032328-5. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 56):

als de op 28 december 2009 afgelegde verklaring van [betrokkene]:

Ik weet voor 100 procent zeker dat het op een donderdag is gebeurd. Ik denk dat het dan 12 november 2009 is geweest.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 december 2009 van de politie Haaglanden met nr. 2009032328-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 58 ev):

als de op 15 december 2009 afgelegde verklaring van [slachtoffer]:

Ik ben werkzaam als bezorger bij Pizza [A] te Delft.

Ik ging de laatste bestelling bezorgen. Ik kreeg te horen dat dit een bestelling was van vijf pizza's en 2 pakjes sigaretten op de Willem Bilderdijkhof.

Ik ben op mijn bromfiets naar de Willem Bilderdijkhof gereden. Ik zag dat het nummer zich niet op de flat bevond. Ik heb geprobeerd het nummer te bellen. Ik hoorde toen dat dit nummer niet in bereik was. Vanaf achteren naderden 3 jongens. Ik zag dat twee jongens hun gezicht bedekt hadden en 1 jongen was hiervan goed zichtbaar. Dader 1 zei op zeer agressieve wijze "Geef mij je geld". Ik heb daarna mijn portemonnee afgegeven aan dader 1. Ik zag dat hij de box van mijn bromfiets opende en daar de bestelling uithaalde. Dit waren vijf pizza's en twee pakjes sigaretten. In de portemonnee zat ongeveer 250 euro. Dader 1 zei: "Hou je bek of ik doe je wat teringlijder". Ik heb later samen met [betrokkene] op internet de site Hyves bekeken en ik zag een foto. Ik herkende de jongen voor 100 procent. Ik hoorde van [betrokkene] dat de jongen [medeverdachte 1] heet.

5. Een proces-verbaal van verhoor (mede)verdachte d.d. 2 maart 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2009032328-12. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 88 ev):

als de op 2 maart 2010 afgelegde verklaring van [medeverdachte 1]:

Op 12 november 2009 had ik afgesproken met [medeverdachte 2]. [medeverdachte 3] was bij [medeverdachte 2] thuis. Begin van de avond kwam [medeverdachte 4]. We bedachten een plan om een pizza en sigaretten te bestellen bij een pizzatent. Vervolgens zouden we de pizzakoerier opwachten en beroven van zijn geld en sigaretten. Het plan was om de pizzakoerier op een vals adres te laten bezorgen aan de Willem Bilderdijkhof te Delft. Ik hoorde dat [medeverdachte 4] pizza [A] belde. Hij bestelde pizza's en twee pakjes sigaretten. Omstreeks 21.00 uur kwam een andere jongen die ik ken als [verdachte] naar de flat van [medeverdachte 2]. [verdachte] had een personenauto van het merk Opel Omega 2.0 16v. We zijn allen in de auto gaan zitten. [verdachte] vertelde dat hij wel zou bellen naar pizza [A] om extra pizza's te bestellen.

Op een gegeven moment kwam de pizzakoerier aanrijden. Hij reed vlak langs mij en [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] droeg een capuchon over zijn hoofd. De pizzakoerier reed verder en we zijn in de auto van [verdachte] gaan zitten. De pizzakoerier kwam weer aanrijden en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] stapten uit de auto en kwamen als eerste bij de pizzakoerier. Ik zag dat [medeverdachte 2] en [verdachte] iets later uitstapten en ook naar de pizzakoerier liepen. [verdachte] ging weer achter het stuur zitten en de rest achterin. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] hielden een aantal pizzadozen vast. Zij hadden ieder een pakje sigaretten. In Rotterdam parkeerde [verdachte] de auto. Ik zag dat de jongens een aantal bankbiljetten van 10 euro in hun hand hielden, in totaal wel 200 euro. We zijn in Rotterdam naar het casino gegaan. Ik kreeg van [verdachte] geld.

6. Een proces-verbaal van verhoor (mede)verdachte d.d. 10 maart 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2009032328-18. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 168 ev):

als de op 10 maart 2010 afgelegde verklaring van [medeverdachte 2]:

Op een donderdag, u zegt 12 november 2009 dat is goed mogelijk, was ik thuis aan de [a-straat] te [plaats]. Daar waren ook een aantal vrienden van mij, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. [medeverdachte 1] of [medeverdachte 4] belde naar Pizza [A]. We zouden de bezorger overvallen. Later kwam [verdachte] met een Opel Omega. Hij had honger en we hebben weer naar Pizza [A] gebeld om een nabestelling te doen. De pizza's zouden komen aan de Willem Bilderdijkhof te Delft op een verzonnen nummer. Wij besloten in de auto te wachten. Wij zagen de pizzakoerier voorbijrijden. [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] beroofden de pizzakoerier van pizza's en grote portemonnee. We zijn daarna naar Rotterdam gereden."

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring ten aanzien van de "bedreiging met geweld".

3.2.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met geweld is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld jegens hem zou worden uitgeoefend (vgl. HR 7 juni 2005,ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448).

3.3.

Uit de vaststellingen van het Hof valt af te leiden

- dat het slachtoffer, een pizzakoerier met door de daders bestelde pizza's, 's avonds naar een adres met een niet bestaand huisnummer is gelokt,

- dat de daders hem aldaar op straat met een paar man hebben opgewacht,

- dat twee van hen hun gelaat hadden bedekt en dus kennelijk niet herkend wilden worden,

- dat zij hem op agressieve wijze zeiden dat hij geld moest geven.

3.4. '

s Hofs oordeel dat aldus sprake is van bedreiging met geweld in de zin als hiervoor bedoeld, is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is dan ook naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.5.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd op de grond dat de inhoud van de bewijsmiddelen onder 4, 5 en 6 innerlijk tegenstrijdig is wat betreft de bij de uitvoering betrokken personen.

4.2.

De innerlijke tegenstrijdigheden waar in de klacht op wordt gedoeld, betreffen het aantal personen dat actief bij de beroving van het slachtoffer betrokken was en het daderschap van [medeverdachte 1]. Aan het daderschap van de verdachte, die de roepnaam [verdachte] droeg (bewijsmiddel 1) en wiens betrokkenheid uit de bewijsmiddelen 5 en 6 blijkt, doen die tegenstrijdigheden evenwel niets af, terwijl uit die bewijsvoering eveneens blijkt dat de beroving tezamen en in vereniging met anderen is gepleegd. Aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring staan de gestelde tegenstrijdigheden dan ook niet in de weg, zodat de klacht tevergeefs is voorgesteld.

4.3.

In de tweede plaats bevat het middel de klacht dat het Hof, door de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tot het bewijs te bezigen, in strijd met art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid van die verklaringen.

4.4.

Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2013 gehechte pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Cliënt dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van overtuigend bewijs.

Wanneer u cliënt wilt veroordelen, kan dat. Wettig bewijs is er voldoende.

Wanneer u door zijn strafblad of door zijn verklaring tegenover de politie van 20 april 20101 of welke andere reden dan ook ervan overtuigd bent dat hij schuldig is, kunt u de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voor het bewijs gebruiken.

Wanneer de overtuiging van zijn schuld en de wil om te veroordelen niet op voorhand aanwezig zijn, denk ik dat geen andere uitkomst dan vrijspraak mogelijk is. Door de beschikbare bewijsmiddelen kunt u niet overtuigd raken. En dat is wel wat art. 338 Sv eist.
Ik licht dat toe.
(...)

Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart eerst dat de beroving gepleegd is door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. Later verklaart hij dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] het eerst bij de pizzakoerier aankwamen en dat [medeverdachte 2] en cliënt later uitstapten en naar de pizzakoerier liepen. Eerst 2 en daarna 4 man dus. (...)

Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaart eerst dat cliënt, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] de pizzakoerier beroofden terwijl hijzelf vanaf een afstandje toekeek en [medeverdachte 1] in de auto zat. Vervolgens verklaart hij echter dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], cliënt en [medeverdachte 4] de beroving hebben gepleegd. Zelf stond hij toen aam de andere kant van het Plein. Eerst 3 en daarna 4 man dus. (...)

De verdediging acht [slachtoffer] als getuige betrouwbaarder dan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij elkaar. En [slachtoffer] belast cliënt op geen enkele manier.

Medeverdachte [medeverdachte 3] verklaart bij de R-C dat [medeverdachte 1] tegen de koerier zei: "geef me je geld". Hij verklaart ook dat hij samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij de pizzakoerier stond.

Zowel over de rol van [medeverdachte 1] als over het aantal betrokkenen ondersteunt de verklaring van [medeverdachte 3] die van [slachtoffer]. Aangezien [medeverdachte 3] met deze verklaring ook zichzelf belast, heeft hij geen reden te liegen.

Volgens [medeverdachte 3] verklaren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] belastend over cliënt omdat [medeverdachte 1] ruzie heeft met cliënt.

De raadsvrouw van cliënt heeft in eerste aanleg aangegeven dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] alle gelegenheid hebben gehad hun verklaringen op elkaar af te stemmen. Datzij dit werkelijk gedaan hebben, is heel aannemelijk.

Beiden verklaren aanvankelijk immers dat [medeverdachte 1] in de auto bleef zitten, iets waarvan we inmiddels weten dat het onzin is. Dat [medeverdachte 2] dit verklaart zonder voorafgaand overleg met [medeverdachte 1] is erg onwaarschijnlijk. Hoe zou hij immers moetenweten dat [medeverdachte 1] dit verklaard heeft als hij hem daarover niet gesproken heeft? Hij heeft het in ieder geval niet waargenomen.

Volgens [medeverdachte 3] was cliënt er die avond helemaal niet bij. Niet toen de beroving plaatsvond en niet later op de avond.

Cliënt zelf weet echt niet meer wat hij op de avond van 12 november 2009 heeft gedaan. Hij geeft wel aan in de betreffende periode regelmatig omgang gehad te hebben met de medeverdachten. Van beroving van een pizzakoerier weet hij echter niets.

Afgezien van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] is er niets waaruit ook maar enige betrokkenheid van cliënt kan worden afgeleid. Gelet op hetgeen hiervoor over deze verklaringen is opgemerkt, dient cliënt te worden vrijgesproken. (...)"

4.5.

Hetgeen door de verdediging ter toelichting is aangevoerd, heeft het Hof kennelijk aldus opgevat dat het slechts betrekking heeft op de door de rechter overeenkomstig art. 338 Sv te bekomen overtuiging dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is gepleegd. Geen rechtsregel gebiedt de rechter te motiveren op grond waarvan hij die overtuiging heeft bekomen. Het Hof heeft dat betoog dan ook niet behoeven op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv.

4.6.

Het middel faalt in beide onderdelen.

5 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2015.