Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:202

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
10-02-2015
Zaaknummer
13/05507
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2754, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AF7985 en ECLI:NL:HR:2013:BZ5960. Niet alle voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden zijn in de bewijsmiddelen vermeld, terwijl het Hof evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het die feiten en omstandigheden heeft ontleend. Gelet op hetgeen vermeld is in de conclusie van de A-G (er kan geen twijfel over bestaan dat het hof bedoelde feiten en omstandigheden heeft ontleend aan de inhoud van de ttz. voorgehouden en als bewijsmiddel 2 en 3 gebezigde p-v’s) en in aanmerking genomen dat de schriftuur geen melding maakt van een rechtens te respecteren belang van verdachte bij zijn klacht, kan het middel in zoverre niet tot cassatie leiden. 2. Falende bewijsklacht diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/286
SR-Updates.nl 2015-0094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 februari 2015

Strafkamer

nr. 13/05507

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 16 oktober 2013, nummer 21/003834-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof niet voor alle voor de bewezenverklaring redengevende feiten of omstandigheden met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 26 januari 2012 omstreeks 16:00 uur tot en met 27 januari 2012 om 03:46 uur, te Markelo, gemeente Hof van Twente, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één aanhangwagen, toebehorende aan [A] of aan [betrokkene]."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 6-8 en 9-11 van het proces-verbaal genummerd PL05QE 2012040142) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van aangever [betrokkene]:

Ik ben eigenaar van [A] gevestigd aan de [a-straat 1] te Markelo, binnen de gemeente Hof van Twente. Ik ben als dusdanig bevoegd om aangifte te doen van diefstal van een bedrijfsaanhangwagen. Ik heb niemand het recht dan wel toestemming gegeven zich deze aanhangwagen toe te eigenen.

Donderdag 26 januari 2012 is de aanhangwagen nog gebruikt. De aanhangwagen is na gebruik gestald op de [a-straat 1]. In de aanhangwagen lag groenafval, bestaande uit takken met struiken en bladeren. Hierover hadden wij een net gespannen. 28 januari 2012 wilde ik de aanhangwagen pakken en ik zag dat deze weg was. De aanhangwagen was weggenomen. Dit moet gebeurd zijn na 26 januari 2012 16:00 uur en voor 28 januari 2012 07:00 uur. U toont mij foto's die u hebt genomen van de aanhangwagen. Ik herken de aanhanger voor 100% als mijn eigendom. Ik weet dit zo zeker omdat op het linker spatbord een scheurtje zit. Deze is ontstaan de dag voor de diefstal. Ook zit er op de aanhangwagen een hendel aan de voorzijde. Hiermee kun je de bak van de aanhangwagen iets naar achter laten vallen: laten kiepen. Ook herken ik het groenafval op de aanhangwagen en het net dat daarover gespannen is.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige (als bijlage op pagina 15-16 van het proces-verbaal genummerd PL05QE 2012040142) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van getuige [verbalisant 1]:

Ik ben BOA in dienst van de gemeente Rijssen-Holten. Ik reed op 27 januari 2012 in een auto van de gemeente. Ik zag in de verte voorlichten van een auto die ons tegemoet reed. Ik ben vervolgens een zijweg ingereden. Ik heb gewacht tot de auto voorbij zou rijden. De auto reed over de Langstraat te Holten, komende uit de richting van de Markeloseweg. Het voertuig passeerde. Ik zag dat er een aanhangwagen achter de auto zat. De aanhangwagen voerde geen verlichting en geen kentekenplaat. De bestuurder van het voertuig, een Citroen Berlingo, voldeed aan het stopteken en parkeerde op de weg. Ik vroeg de bestuurder naar zijn identiteit. De bestuurder overhandigde mij zijn rijbewijs. De bestuurder bleek te zijn:

Voornamen: [voornamen verdachte]

Achternaam: [achternaam verdachte]

Geboren: [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats].

[verdachte] verklaarde dat de aanhanger van hem was, maar dat hij de papieren thuis had laten liggen. Ik hoorde dat [verdachte] geen antwoord wilde geven op de vraag waar hij vandaan kwam. Ik hoorde via het infokanaal van de Regiopolitie Twente dat [verdachte] meerdere antecedenten had op het gebied van inbraken in boerderijen en dergelijke. Ik heb vervolgens de politie gebeld en samen met [verdachte] gewacht op de politie.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte Stam proces-verbaal (als bijlage op pagina 1-5 van het proces-verbaal genummerd PL05QE 2012040142) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:

Op 27 januari 2012 omstreeks 03:46 uur wordt middels het Regionaal Meldcentrum van de Regiopolitie Twente kennis gegeven dat op de Langstraat te Holten door Bijzondere opsporingsambtenaar [verbalisant 1] een auto en aanhangwagen staande was gehouden. De bestuurder wilde/kon niet verklaren waar de aanhangwagen vandaan kwam. De bestuurder kwam, blijkens afdeling Info van de Regiopolitie Twente, voor terzake diefstal van aanhangwagens en andere vermogensdelicten. Wij zijn vervolgens ter plaatse gegaan. Ik, [verbalisant 2], deelde de bestuurder, [verdachte], mede dat hij werd verdacht van diefstal van een aanhangwagen. Op mijn vraag wat hij op dit tijdstip in het buitengebied van Holten deed zei [verdachte] letterlijk: "Ik hoef niet te zeggen waarom ik hier rondrijd en ik wil daar liever ook niets over zeggen". Ik deelde hem mede dat hij onder verdachte omstandigheden was aangetroffen en dat hij niet de herkomst van de aanhanger kon geven.

Wij, verbalisanten, zagen dat op de aanhangwagen groenafval lag bestaande uit takken met bladeren. Wij vroegen [verdachte] waar het groenafval vandaan kwam.

Hierop wilde hij ook geen antwoord geven. Ik, [verbalisant 2], zei de bestuurder dat de aanhangwagen in het belang van het onderzoek zou worden veiliggesteld. Ik deelde mede dat als [verdachte] middels een aankoopbewijs dan wel eigendomsbewijs of iets dergelijks kon aantonen dat de aanhangwagen aan hem toebehoorde hij deze onmiddellijk terug zou krijgen."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder:

Verdachte wordt op 27 januari 2012 midden in de nacht om 03:46 uur te Holten aangetroffen met een aanhangwagen met daarop groenafval. Kort tevoren is door de bijzonder opsporingsambtenaar (BOA) [verbalisant 1] geconstateerd dat de aanhangwagen geen licht en geen kentekenplaat voert en dat verdachte, nadat de BOA het transparante stopbord had aangezet, pas na 500 meter stopt, nadat verdachte eerder zijn snelheid had vermeerderd tot 100 à 110 km per uur. Later blijkt dat er tussen 26 januari 2012 omstreeks 16:00 uur en 28 januari 2012 in Markelo een aanhangwagen met daarop groenafval is weggenomen.

Verdachte wilde/kon niet verklaren waar deze aanhangwagen vandaan kwam. De BOA hoorde via het infokanaal van de politie Twente dat verdachte meerdere antecedenten had op het gebied van inbraak bij boerderijen en dergelijke. Verdachte verklaarde op weg te zijn naar huis in Deventer en binnendoor te rijden in plaats van over de snelweg Al, omdat hij deze weg kende.

Het stamproces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4], die daarna ter plaatse waren gekomen, houdt vervolgens in dat er reeds door de meldkamer contact was opgenomen met de afdeling Info van de regiopolitie Twente. Verdachte kwam voor terzake diefstal van aanhangwagens en andere vermogensdelicten. Verbalisant [verbalisant 2] deelde verdachte mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was en dat hij door omstandigheden en feiten verdacht werd van diefstal van een aanhangwagen. Op de vraag van [verbalisant 2] wat verdachte op dat tijdstip midden in de nacht in het buitengebied van Holten deed, antwoordde verdachte dat hij daar geen antwoord op wilde geven. Verdachte zei letterlijk: "Ik hoef dat niet te zeggen waarom ik hier rondrijd en ik wil daar liever ook niets over zeggen".

Verbalisant [verbalisant 2], deelde verdachte mede dat hij onder verdachte omstandigheden was aangetroffen en dat hij niet de herkomst aan kon geven van de aanhangwagen die hij achter zijn auto vervoerde. Ook deelde [verbalisant 2] verdachte mede dat de laatste tijd veel aanhangwagens waren gestolen. De verbalisanten zagen dat op de aanhangwagen groen afval lag bestaande uit takken met bladeren en daarover heen een net met enkele touwtjes. De verbalisanten vroegen verdachte waar dit groen vandaan kwam. Daar wilde verdachte niet op antwoorden. [verbalisant 2] heeft verdachte medegedeeld dat als verdachte door middel van een aankoopbewijs dan wel eigendomsbewijs of wat dan ook kon aantonen dat de aanhangwagen aan verdachte toebehoorde, hij deze onmiddellijk terug zou krijgen.

Verdachte verklaarde dat hij de papieren thuis had liggen en dat hij wel aan het bureau zou komen met deze papieren. Deze afspraak is vervolgens gemaakt. Verdachte is niet zelf bij het bureau langs geweest.

Aangever heeft op de van de aanhangwagen gemaakte foto's specifieke punten aangegeven betreffende de van hem ontvreemde aanhangwagen en deze voor 100% herkend.

Ter terechtzitting heeft verdachte niet meer of anders willen verklaren dan dat de aanhangwagen van hem was. In het licht van hetgeen hiervoor is gerelateerd vraagt het handelen van verdachte om een verdere verklaring. Deze verklaring heeft de verdachte niet willen geven. Voorts heeft de verdachte ook geen enkel bewijs kunnen overleggen dat de aanhangwagen aan hem toebehoorde.

Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte de aanhangwagen heeft gestolen."

2.3.1.

Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich aldus - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - beroept op bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging

(a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en

(b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.

Daarnaast geldt dat ingeval het feiten of omstandigheden betreft die zijn vervat in processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere schriftelijke bescheiden, die stukken ter terechtzitting dienen te zijn voorgelezen of daarvan aldaar de korte inhoud moet zijn medegedeeld (vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165).

2.3.2.

Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor weergegeven bewijsoverweging onder meer redengevend geacht voor de bewezenverklaring dat de verdachte (i) de snelheid van zijn auto eerst heeft vermeerderd en, nadat het stopbord was aangezet, pas 500 meter verderop is gestopt, (ii) heeft verklaard binnendoor naar huis te rijden in plaats van over de snelweg A1, omdat hij deze weg kende, (iii) heeft verklaard dat hij de papieren van de aanhangwagen thuis had laten liggen en dat hij daarmee wel aan het bureau zou komen en (iv) ondanks deze afspraak niet naar het politiebureau is gekomen.

Het betreft hier gegevens die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld terwijl het Hof in zijn overweging evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het die feiten of omstandigheden heeft ontleend.

2.3.3.

In gevallen waarin niet alle redengevende feiten of omstandigheden kunnen worden afgeleid uit de gebezigde bewijsmiddelen en evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel is aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend, kan echter het verhandelde ter terechtzitting - waaronder begrepen de inhoud van de aldaar voorgehouden stukken van het dossier alsmede hetgeen aldaar naar voren is gebracht - aanleiding zijn voor het oordeel dat een nieuwe behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering. In dergelijke gevallen kan zo een klacht met toepassing van art. 81, eerste lid, RO of, indien het beroep in cassatie uitsluitend deze klacht bevat, met toepassing van art. 80a RO worden afgedaan (vgl. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, NJ 2013/383, rov. 2.4).

2.3.4.

Gelet op hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8 tot en met 10 en in aanmerking genomen dat de schriftuur, die is ingediend na de in de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.8 genoemde datum 1 oktober 2012, geen melding maakt van een rechtens te respecteren belang in de hiervoor bedoelde zin, kan het middel in zoverre niet tot cassatie leiden.

2.4.1.

Voor zover het middel voorts klaagt dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer het daderschap van de verdachte kan worden afgeleid, moet worden vooropgesteld dat aan het enkele voorhanden hebben van door een vermogensdelict ontvreemde goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de betrokkene die goederen ook door het plegen van dat vermogensdelict heeft verkregen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en de omstandigheden van het geval van belang.

2.4.2.

Nu het Hof uit de hiervoor onder 2.2.2 en 2.2.3 weergegeven bewijsvoering heeft kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die het in de bewezenverklaring omschreven feit heeft gepleegd, kan het middel ook in zoverre niet tot cassatie leiden.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2015.