Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:199

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
13/01399
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2012:1477, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2498, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wettelijk voorschrift a.b.i. art. 184.1 Sr. Artt. 159, 160.1, 177 en 178.2 WVW 1994. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BB4108 en ECLI:NL:HR:2014:3639 m.b.t. het feit dat het in art. 184.1 Sr bedoelde wettelijk voorschrift uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering. Aan een algemeen taakstellend voorschrift, zoals art. 3 Politiewet, zal zodanige uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid niet kunnen worden ontleend, terwijl een wettelijk voorschrift waarin uitsluitend een verplichting of gebod wordt geformuleerd te voldoen aan een bevel of vordering van de betreffende ambtenaar doorgaans niet een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid zal inhouden. In dergelijke gevallen voorziet de wet bovendien veelal in strafbaarstelling van handelen in strijd met de op dat voorschrift gebaseerde verplichting of gebod. Indien de strafvervolging niet betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr, zoals in gevallen van overtreding van in bepalingen van een APV neergelegde verplichtingen of geboden, is veelal niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel. In die gevallen steunt de vervolging immers niet op handelen in strijd met art. 184 Sr, maar op overtreding van een APV. ’s Hofs oordeel dat het door de betrokken politieambtenaren gegeven bevel het motorrijtuig te doen stilhouden een krachtens art. 160.1 WVW 1994 gedane vordering is, die heeft te gelden als krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of gedane vordering in de zin van art. 184.1 Sr, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat art. 160.1 WVW 1994 verplichtingen bevat voor de bestuurder - waarvan niet-naleving in de WVW 1994 (art. 177.1 onder a, i.v.m. art. 178.2) specifiek als overtreding is strafbaar gesteld - en niet uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 184
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/364
RvdW 2015/270
NJ 2015/173 met annotatie van M.J. Borgers
NBSTRAF 2015/71 met annotatie van mr. P. van Glabbeek
JIN 2015/43 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
SR-Updates.nl 2015-0052
NbSr 2015/71 met annotatie van mr. P. van Glabbeek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 februari 2015

Strafkamer

nr. S 13/01399

DAZ/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 februari 2012, nummer 23/001436-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep ter zake van feit 4 en de vrijspraak ter zake van feit 5 - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als een overtreding van art. 184, eerste lid, Sr.

2.2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 14 maart 2010 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel krachtens artikel 160 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 gedaan door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] die waren belast met de uitoefening van enig toezicht en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaren hem hadden bevolen althans van hem had[den] gevorderd het voertuig stil te doen brengen geen gevolg gegeven aan dit bevel."

2.2.2.

Het Hof heeft onder aanhaling van art. 184 Sr het bewezenverklaarde onder 1 gekwalificeerd als "opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast".

2.3.

De hier toepasselijke bepalingen luiden, voor zover van belang, als volgt:

- art. 184, eerste lid, Sr:

"Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie."

- art. 159 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994):

"Met de opsporing van feiten, strafbaar gesteld krachtens deze wet, zijn belast:

a. de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen.

(...)"

- art. 160, eerste lid, WVW 1994

"Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden alsmede de volgende bewijzen behoorlijk ter inzage af te geven:

(...)"

- art. 177 WVW 1994:

"1. Overtreding van:

a. de artikelen (...), 160, (...)

wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

(...)"

- art. 178, tweede lid, WVW 1994:

"De in artikel 177 strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen."

2.4.1.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 184, eerste lid, Sr. Deze bepaling, die een algemene strafbaarstelling als misdrijf behelst voor uiteenlopende gevallen van niet-naleving van bevelen of vorderingen, eist een "krachtens wettelijk voorschrift" gegeven bevel of gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering (vgl. HR 29 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB4108, NJ 2008/206).

Aan een algemeen taakstellend voorschrift, zoals art. 3 Politiewet 2012, zal zodanige uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid niet kunnen worden ontleend, terwijl een wettelijk voorschrift waarin uitsluitend een verplichting of gebod wordt geformuleerd te voldoen aan een bevel of vordering van de betreffende ambtenaar doorgaans niet een uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid zal inhouden. In dergelijke gevallen voorziet de wet bovendien veelal in strafbaarstelling van handelen in strijd met de op dat voorschrift gebaseerde verplichting of gebod.

Indien de strafvervolging niet betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr, zoals in gevallen van overtreding van in bepalingen van een APV neergelegde verplichtingen of geboden, is veelal niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3639). In die gevallen steunt de vervolging immers niet op handelen in strijd met art. 184 Sr, maar op overtreding van een APV.

2.4.2.

Blijkens de bewezenverklaring heeft het Hof geoordeeld dat het door de betrokken politieambtenaren gegeven bevel het motorrijtuig te doen stilhouden een krachtens art. 160, eerste lid, WVW 1994 gedane vordering is, die heeft te gelden als krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of gedane vordering in de zin van art. 184, eerste lid, Sr.

Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat art. 160, eerste lid, WVW 1994 verplichtingen bevat voor de bestuurder - waarvan niet-naleving in de WVW 1994 (art. 177, eerste lid onder a, in verbinding met art. 178, tweede lid) specifiek als overtreding is strafbaar gesteld - en niet uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering.

2.4.3.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak - voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen - niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2015.