Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1874

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
14/02367
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:569, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:4604, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Sociaal verzekeringsrecht. Incasso eigen bijdragen voor thuiszorg (AWBZ en WMO). Facturen besluiten in de zin van art. 1:3 Awb. Vaststelling hoogte van de bedragen (HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:233, NJ 2015/94). Formele rechtskracht. Bekendmaking in de zin van art. 3:41 lid 2 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2015/277
NJB 2015/1409
RvdW 2015/878
USZ 2015/276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juli 2015

Eerste Kamer

14/02367

RM/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

het zelfstandig bestuursorgaan met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid CAK (als rechtsopvolgster van Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK BZ) B.V).,
gevestigd te Den Haag,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als het CAK en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 259378 CV EXPL 10-1123 van de kantonrechter te Gorinchem van 14 juni 2010 en 14 maart 2011;

b. de arresten in de zaak 200.089.344/01 van het gerechtshof Den Haag van 23 augustus 2011 en 4 februari 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 4 februari 2014 heeft het CAK beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor het CAK mede door mr. G.M.C. Neuteboom-Klink.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] heeft gedurende een aantal jaren tot midden 2009 thuiszorg in de vorm van huishoudelijke hulp gehad.

(ii) Het CAK heeft in de periode van 17 januari 2006 tot en met 29 juni 2009 ten name van [verweerder] een aantal facturen uitgeschreven tot een totaal bedrag van € 3.658,28 wegens “eigen bijdrage zorg zonder verblijf” in de periode van 10 oktober 2005 tot en met 19 april 2009 (hierna: de vorderingsperiode). [verweerder] heeft dit bedrag niet betaald.

3.2.1

In dit geding vordert het CAK veroordeling van [verweerder] tot betaling van onbetaald gebleven facturen, vermeerderd met rente en kosten. Het CAK heeft zijn vordering beperkt tot een bedrag van in totaal € 5.000,-- en afstand gedaan van het meerdere. De kantonrechter heeft [verweerder] veroordeeld tot betaling van € 4.499,76.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd, [verweerder] veroordeeld tot betaling van € 126,66 met rente en de vordering voor het overige afgewezen. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, samengevat als volgt overwogen.

In de vorderingsperiode vloeide Donks verplichting tot betaling van een bepaalde bijdrage voort uit de combinatie van de vaststelling van de maximale periodebijdrage en de vaststelling van het periodebedrag (rov. 3.6). De facturen en de vaststellingen van de maximale periodebijdrage moeten worden aangemerkt als beschikkingen in de zin van de Awb (rov. 3.8).

[verweerder] ontkent de jaarlijkse beschikkingen en de periodieke facturen ooit te hebben ontvangen. De overlegging in rechte daarvan beschouwt het hof als een geschikte wijze van bekendmaking in de zin van art. 3:41 Awb lid 2 Awb ten aanzien van personen die in het geding zijn verschenen. Evenwel zijn niet alle relevante beschikkingen in dit geding overgelegd. In eerste aanleg zijn wel de facturen overgelegd en in hoger beroep ook de beschikking tot vaststelling van de maximale periodebijdrage over 2009. De jaarlijkse beschikkingen over eerdere jaren zijn echter niet overgelegd en het CAK heeft doen weten dat die beschikkingen niet meer kunnen worden overgelegd. (rov. 3.9)

Hieruit volgt dat niet kan worden geconstateerd dat voor de jaren 2005 tot en met 2008 een maximale periodebijdrage is vastgesteld en, als dat wel gebeurd mocht zijn, dat die vaststellingen aan [verweerder] zijn bekendgemaakt, bij gebreke waarvan zij ingevolge art. 3:40 Awb niet in werking zijn getreden. De facturen over deze jaren hebben daarom geen toereikende grondslag. De vordering van het CAK zal in zoverre worden afgewezen. (rov. 3.10)

Voor zover de vordering betrekking heeft op het jaar 2009, wordt zij gedragen door de overgelegde beschikking tot vaststelling van de maximale periodebijdrage en door de overgelegde facturen. Deze beschikkingen hebben formele rechtskracht. (rov. 3.11)

3.3.1

Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het hof in de rov. 3.8-3.10 heeft miskend dat (ook) aan de facturen over de jaren 2005 tot en met 2008 formele rechtskracht toekomt.

3.3.2

De facturen over de jaren 2005 tot en met 2008 hebben te gelden als besluiten in de zin van art. 1:3 Awb in verband met de omstandigheid dat daarin is vastgesteld dat in een bepaalde periode hulp of zorg op de voet van de AWBZ of de Wmo is genoten, waarbij tevens de hoogte van de verschuldigde eigen bijdrage is vastgesteld (vgl. HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:233, NJ 2015/94). Daarvan uitgaande heeft het hof miskend dat die besluiten formele rechtskracht hebben verkregen, in aanmerking genomen dat i) de facturen over de jaren 2005 tot en met 2009 door de overlegging ervan in rechte naar het oordeel van het hof zijn bekendgemaakt in de zin van art. 3:41 lid 2 Awb (rov. 3.9), en ii) [verweerder] niet heeft aangevoerd dat hij gebruik heeft gemaakt van de ingevolge de Awb openstaande mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen die facturen. De klacht slaagt dus.

3.4

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 februari 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het CAK begroot op € 944,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 juli 2015.