Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1871

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
14/04610
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:589, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Huwelijksgoederenrecht. Verdeling eenvoudige gemeenschap; vernietigbaarheid wegens dwaling (art. 3:196 BW), vereisten. Toepasselijkheid art. 6:288-230 BW? Art. 3:199 BW (HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1697, NJ 1996/499). Vergoedingsrecht bij vermogensverschuivingen, art. 1:87 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 87
Burgerlijk Wetboek Boek 1 135
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 196
Burgerlijk Wetboek Boek 3 199
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2015/278
NJB 2015/1415
RvdW 2015/859
RFR 2015/121
NJ 2015/481 met annotatie van L.C.A. Verstappen
JPF 2017/79 met annotatie van prof. mr. B.E. Reinhartz
PFR-Updates.nl 2015-0246 met annotatie van J.J. Smeenge
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juli 2015

Eerste Kamer

14/04610

RM/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. N.C. van Steijn,

t e g e n

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. H.J.W. Alt.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak FA RK 13-169 van de rechtbank Den Haag van 22 augustus 2013;

b. de beschikkingen in de zaak 200.137.614/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 2014 en 6 augustus 2014.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen beide beschikkingen van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De man heeft in het principaal beroep geconcludeerd tot referte voor wat betreft de klacht ten aanzien van het ten onrechte toepassen van art. 6:228 BW en voor het overige tot verwerping van het beroep. De man heeft voorts voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.

Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt in het principale beroep tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw voor zover haar beroep is gericht tegen de beschikking van 6 augustus 2014, alsmede tot vernietiging van de beschikking van 18 juni 2014 en tot verwijzing van het geding, en in het incidentele beroep tot verwerping.

De advocaat van de man heeft bij brief van 22 mei 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 – 1.3 vermelde feiten. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

(i) Partijen zijn op 12 juli 2007 gehuwd op huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende uitsluiting van iedere gemeenschap met een periodiek verrekenbeding.

(ii) In verband met de gezamenlijke aankoop van de echtelijke woning, waarbij de vrouw ten laste van haar vermogen € 110.000,-- meer heeft voldaan dan de man, hebben partijen op 1 april 2008 een akte ondertekend, waarin is bepaald (kort gezegd) dat de vrouw bij einde huwelijk recht heeft op teruggave van het (geïndexeerde) bedrag van € 110.000,--, waarna de waarde van de woning, verminderd met de daarop rustende schulden, aan ieder van hen voor de helft toekomt.

(iii) Partijen hebben op 20 december 2012 een echtscheidingsconvenant gesloten, waarin zij onder meer het volgende zijn overeengekomen:

“Overbedelingsvergoeding ex artikel 4 huwelijkse voorwaarden en de aanvullende akte van 1 april 2008

3.4.6

Bij akte van 1 april 2008 zijn partijen een aanvulling op artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen inhoudende dat bij vervreemding van de woning aan [a-straat] te [plaats] en bij einde van het huwelijk de vrouw recht heeft op teruggave van € 110.000,--, welk bedrag (na indexering) eerst aan de vrouw zal toekomen en waarna de waarde van de woning (verminderd met de daarop rustende schulden, welke zijn aangegaan ter verkrijging en gezamenlijk zijn ieder voor de helft), aan ieder van hen voor de helft toekomt. Voornoemd bedrag ad € 110.000,-- wordt geïndexeerd op de wijze zoals omschreven in de akte van 1 april 2008.”

(iv) Bij beschikking van 22 augustus 2013 is tussen partijen echtscheiding uitgesproken.

3.2.1

Voor zover in cassatie nog van belang, heeft de man in dit geding verzocht het echtscheidingsconvenant, in het bijzonder art. 3 daarvan, te vernietigen, onder meer op de grond dat hij over de waarde van de te verdelen en verrekenen boedelbestanddelen heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde is benadeeld (art. 3:196 BW). De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft art. 3.4.6 van het echtscheidingsconvenant vernietigd en bepaald dat de vrouw uit hoofde van het echtscheidingsconvenant een bedrag van € 20.358,20 aan de man dient te betalen. Het hof heeft daartoe, samengevat, als volgt overwogen.

Het beroep van de man op art. 3:196 BW slaagt niet. Partijen zijn het eens over de waarde van de bezittingen en schulden van de eenvoudige gemeenschap, zodat van een onjuiste waardering geen sprake is. De akte van 1 april 2008 is een niet in de vorm van huwelijkse voorwaarden gesloten overeenkomst tussen partijen ter zake van het vergoedingsrecht van de vrouw. (rov. 8)

Per saldo heeft de vrouw met haar inbreng van € 110.000,-- destijds zowel haar aandeel in de verkrijging (€ 55.000,--) als het aandeel van de man daarin (€ 55.000,--) betaald. Uit dien hoofde heeft de vrouw een vergoedingsvordering jegens de man ter hoogte van haar investering in het aandeel van de man (€ 55.000,--). Nu het echtscheidingsconvenant, in navolging van de akte van 1 april 2008, echter bepaalt dat de man € 110.000,-- aan de vrouw verschuldigd is, hebben beide partijen gedwaald in de zin van art. 6:228 BW. (rov. 9)

Het echtscheidingsconvenant dient voor wat betreft art. 3.4.6 te worden vernietigd en kan voor het overige in stand blijven (rov. 10).

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1

Het beroep is mede gericht tegen (rov. 5 van) de beschikking van het hof van 6 augustus 2014, waarin het hof het verzoek van de man tot verbetering van de beschikking van 18 juni 2014 heeft afgewezen. Nu op grond van art. 31 lid 4 Rv geen hogere voorziening tegen de beschikking van 6 augustus 2014 openstaat en in het cassatieverzoekschrift geen doorbrekingsgrond is aangevoerd, zal de vrouw in haar cassatieberoep tegen de beschikking van 6 augustus 2014 niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2.1

Onderdeel 1 komt op tegen het toepassen door het hof van art. 6:228 (dan wel art. 6:229) BW. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat deze bepalingen krachtens art. 3:199 BW niet op een verdeling van toepassing zijn en – zo het hof van een verrekening is uitgegaan – op grond van art. 1:135 lid 2 BW ook niet op een verrekening.

4.2.2

Het onderdeel is gegrond. Het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat het echtscheidingsconvenant betrekking heeft op de verdeling van de (eenvoudige) gemeenschap tussen partijen, en niet op verrekening ingevolge het bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding. Ingevolge art. 3:199 BW is de algemene dwalingsregeling van de art. 6:228-230 BW niet van toepassing op een verdeling. De vernietigbaarheid van een verdeling wegens dwaling wordt uitsluitend beheerst door art. 3:196 BW. Het hof heeft derhalve, nadat het in rov. 8 het beroep van de man op art. 3:196 BW had verworpen, in rov. 9 en 10 ten onrechte de algemene dwalingsregeling toegepast.

4.2.3

Mocht het oordeel in rov. 5 van de beschikking van 6 augustus 2014 “dat art. 3:199 BW niet van toepassing is op een overeenkomst tot verdeling zoals in casu” ook ten grondslag liggen aan de beschikking van 18 juni 2014, dan heeft het hof ook in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Het hiervoor in 4.2.2 overwogene geldt niet alleen voor de overeenkomst die een verdeling inhoudt, maar ook voor de overeenkomst waarbij de deelgenoten zich tot een bepaalde, concreet aangegeven verdeling verplichten (vgl. HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1697, NJ 1996/499).

4.3.1

Onderdeel 5 bestrijdt het oordeel van het hof in de rov. 8 en 9 dat de vrouw een vergoedingsrecht jegens de man heeft. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de door de vrouw gepretendeerde aanspraak op het bedrag van € 110.000,-- niet gebaseerd is op een vergoedingsrecht maar op een overeenkomst tussen partijen, en dat van een vergoedingsrecht pas sprake kan zijn bij gebreke van een overeenkomst tussen partijen.

4.3.2

In art. 1:87 BW is een regeling opgenomen voor vergoedingsrechten ter zake van vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten bij de verkrijging van een privégoed of de voldoening van een privéschuld. Deze regeling leent zich ook voor toepassing in geval van een vermogensverschuiving bij de verkrijging door echtgenoten van een gemeenschappelijk goed, gefinancierd uit hun privévermogens.

Voor zover het hof met zijn oordeel dat de vrouw jegens de man geen recht heeft op terugbetaling van het bedrag van € 110.000,-- heeft beoogd bij de wettelijke regeling aan te sluiten, heeft het echter miskend dat de echtgenoten ingevolge art. 1:87 lid 4 BW bij overeenkomst kunnen afwijken van de in de leden 1 – 3 opgenomen regeling. Niet in geschil is immers dat partijen met betrekking tot de investering van de vrouw van € 110.000,-- op 1 april 2008 zijn overeengekomen dat de man bij het einde van het huwelijk dit bedrag weer aan de vrouw zal teruggeven. Deze afspraak – waarvoor het vormvereiste van art. 1:115 lid 1 BW niet geldt – prevaleert boven de wettelijke regeling van vergoedingsrechten. Daaruit volgt dat het onderdeel slaagt.

4.4

Gezien het slagen van de onderdelen 1 en 5 kan de beschikking van het hof niet in stand blijven. De klachten van de overige onderdelen behoeven geen behandeling.

5 Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep

5.1

Het middel is ingesteld onder de voorwaarde dat in het principale cassatieberoep een of meerdere klachten zouden slagen. Die voorwaarde is vervuld.

5.2.1

Onderdeel 2 (onderdeel 1 bevat geen klacht) komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 8 dat partijen het eens zijn over de waarden van de bezittingen en schulden van de eenvoudige gemeenschap zodat van een onjuiste waardering geen sprake is en het beroep op art. 3:196 BW niet opgaat. Volgens de klacht is dat oordeel onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk, omdat de man de hoogte en de verschuldigdheid van de schuld van € 110.000,-- aan de vrouw heeft betwist. Een dwaling over de verschuldigdheid of hoogte van de schulden aan de vrouw moet worden beschouwd als een dwaling als bedoeld in art. 3:196 lid 1 BW, aldus het onderdeel.

5.2.2

De door de man in het kader van zijn beroep op art. 3:196 BW ingenomen stellingen, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.5, komen erop neer dat de man stelt te hebben gedwaald over de wijze waarop het door de vrouw geïnvesteerde bedrag van € 110.000,-- in de verdeling moet worden betrokken. Dat levert evenwel geen dwaling op ‘omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden’ als bedoeld in art. 3:196 lid 1 BW. Daargelaten of en in hoeverre een andersoortige dwaling dan die omtrent de waarde van de desbetreffende goederen of schulden in het kader van de algemene dwalingsregeling van de art. 6:228-230 BW in aanmerking kan worden genomen, die regeling is – ook in zoverre – ingevolge art. 3:199 BW niet van toepassing op de verdeling van een gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3103, NJ 2012/422). Nu de man niet heeft gesteld dat hij heeft gedwaald over de waarde van de (gemeenschaps)schuld aan de vrouw (namelijk ten bedrage van € 110.000,--), is het oordeel van het hof juist. Het onderdeel faalt.

5.3

Onderdeel 2.3, dat een op het voorgaande onderdeel voortbouwende klacht bevat, deelt hetzelfde lot.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2014;

vernietigt de beschikking van dat gerechtshof van 18 juni 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 juli 2015.