Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1868

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
15/00517
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:806, Gevolgd
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:GHSHE:2015:319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Buitengerechtelijke incassokosten.

Vallen buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 lid 2 onder c BW) onder het begrip ‘kosten’ in art. 6:44 lid 1 BW? Strekking art. 6:44 BW (en art. 1433 (oud) BW).

Bevoegdheid rechter om in B2B-relatie buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve te matigen (art. 242 Rv). Strijd met art. 6 lid 3 Richtlijn 2011/7/EU? Relevantie Wet normering vergoeding kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte en het BIK in B2B-relaties. Beoordelingsvrijheid rechter bij vaststelling omvang en matiging buitengerechtelijke incassokosten in B2B-relaties (art. 6:96 lid 5 BW). Maatstaf. Belang van in branche gebruikelijk of door schuldenaar zelf gehanteerd incassopercentage. Betekenis afspraak met rechtsbijstandverlener dat tussen schuldeiser en schuldenaar bedongen incasso-percentage van de hoofdsom verschuldigd is aan de rechtsbijstandverlener.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 44
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 242
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 392
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2015/160 met annotatie van P.H. Bossema-de Greef
JBPR 2015/66 met annotatie van Mr. B.J. Engberts
TvPP 2015, afl. 5, p. 144
JOR 2016/26
JWB 2015/284
Prg. 2015/220
NJB 2015/1417
Bb 2015/62.1
RvdW 2015/920
RAV 2015/93
NJ 2016/126

Uitspraak

10 juli 2015

Eerste Kamer

15/00517

RM/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

[appellante],
gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in hoger beroep,

advocaat: mr. L. van den Eshof,

t e g e n

[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],

geintimeerde in hoger beroep,

niet verschenen in de prejudiciële procedure.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [appellante] en [geïntimeerde].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 872319, rolnr. 13-491 van de kantonrechter te Eindhoven van 28 februari 2013;

b. de arresten in de zaak 200.128.348/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 juli 2014, 2 december 2014 en 3 februari 2015.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemd arrest heeft het hof op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen gesteld:

1. Vallen buitengerechtelijke incassokosten onder het begrip “kosten” van art. 6:44 BW?

2. Is het in strijd met de bedoeling van de wetgever, die ter implementatie van Richtlijn 2011/7/EU betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties onder meer art. 6:96 BW wijzigde, om een in een B2B-relatie bedongen incassobedrag ambtshalve te matigen tot de wettelijke staffel die voor consumenten is opgenomen en/of voor partijen die geen afspraken omtrent de hoogte van verschuldigde incassokosten hebben gemaakt, indien niet wordt aangetoond dat de werkelijke kosten (in de zin van daadwerkelijk gemaakte uren door de rechtshulpverlener maal een redelijk uurtarief) hoger zijn dan het bedrag dat bij toepassing van de staffel wordt becijferd?

3. Dient art. 242 Rv, mede gezien de doelstelling van Richtlijn 2011/7/EU, aldus te worden uitgelegd dat bij de bepaling of jegens de schuldenaar redelijk is het bedrag van de buitengerechtelijke kosten dat, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, in beginsel als uitgangspunt dient te gelden het in de branche waarin beide partijen opereren gebruikelijke incassopercentage? Is daarbij tevens van belang of de schuldenaar zelf ook dat percentage hanteert in de verhouding tot zijn schuldenaren?

4. Maakt het voor de beantwoording van de vorige vragen uit of de schuldeiser met betrekking tot de incasso van zijn vordering op zijn beurt met zijn rechtsbijstandverlener afspreekt dat hij het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen vaste of degressieve incasso-percentage van de hoofdsom aan zijn rechtsbijstandverlener is verschuldigd?

Is daarmee, behoudens een gemotiveerde betwisting, in beginsel voldoende gesteld dat de werkelijke incassokosten hoger zijn dan het forfaitaire bedrag van de BIK-staffel en dat die kosten redelijk zijn?

[appellante] heeft schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend. Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, zijn schriftelijke opmerkingen op de voet van art. 393 lid 2 Rv ingediend door mr. M.A.J.G. Janssen namens de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders.

De conclusie van de Advocaat-Generaal mr. M.H. Wissink strekt ertoe dat de Hoge Raad de gestelde prejudiciële vragen zal beantwoorden op de wijze zoals vermeld in die conclusie onder 5.

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.

(i) [appellante] heeft in 2012 aan [geïntimeerde] bouwmaterialen verkocht en geleverd. In verband daarmee heeft zij facturen aan [geïntimeerde] gezonden. De algemene voorwaarden van [appellante] zijn op de verhouding van partijen van toepassing. [geïntimeerde] heeft vijf van de toegezonden facturen, tot een totaalbedrag van € 24.821,73, niet tijdig betaald.

(ii) De advocaat van [appellante] heeft [geïntimeerde] gesommeerd te betalen vóór 23 augustus 2012 de hiervoor onder (i) vermelde hoofdsom, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten (€ 3.762,47) en btw (€ 714,87). [geïntimeerde] heeft op 22 augustus 2012 € 15.525,49 betaald en op 13 september 2012 € 8.000,--.

3.2.1

In dit geding vordert [appellante] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 5.333,10. Zij stelt dat de betalingen van [geïntimeerde] in mindering strekken op achtereenvolgens de verschenen rente, de buitengerechtelijke kosten en de hoofdsom, en dat het gevorderde bedrag het onbetaald gebleven gedeelte van de hoofdsom is.

3.2.2

De kantonrechter heeft geoordeeld dat buiten-gerechtelijke kosten geen kosten in de zin van art. 6:44 BW zijn en dat de betalingen in mindering strekken op de verschenen rente en de hoofdsom. De kantonrechter heeft de gevorderde hoofdsom toegewezen tot een bedrag van € 1.296,24 en heeft als buiten-gerechtelijke kosten € 300,-- toegewezen.

3.3

Na partijen over het voornemen daartoe te hebben geraadpleegd, heeft het hof op de voet van art. 392 Rv de hiervoor in 2 vermelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorgelegd.

3.4.1

De Hoge Raad overweegt als volgt over de eerste prejudiciële vraag.

3.4.2

Art. 6:44 lid 1 BW bepaalt dat betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in mindering van eerst de kosten, dan de verschenen rente en daarna de hoofdsom en de lopende rente. De prejudiciële vraag stelt aan de orde of buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip ‘kosten’ in deze bepaling. Buitengerechtelijke incassokosten zijn kosten die op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW als vermogensschade mede in aanmerking komen voor vergoeding.

3.4.3

De bewoordingen van art. 6:44 BW geven slechts in zoverre een aanknopingspunt voor het antwoord op de gestelde vraag, dat zij bevestigende beantwoording toelaten. Aan de parlementaire geschiedenis van het artikel kan geen duidelijke aanwijzing voor de beantwoording van de vraag worden ontleend. Daarin wordt verwezen naar onder meer Duits recht. In § 367 BGB is bepaald dat een gedeeltelijke betaling door een schuldenaar die hoofdsom, rente en kosten is verschuldigd, eerst in mindering strekt op de kosten, dan op de rente en tot slot op de hoofdsom. Het begrip ‘kosten’ in § 367 BGB omvat onder meer kosten die naar Nederlands recht als buitengerechtelijke incassokosten worden aangemerkt (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.40).

3.4.4

Art. 6:44 BW is in de plaats gekomen van art. 1433 (oud) BW, dat inhield dat een schuldenaar niet zonder toestemming van zijn schuldeiser kon bepalen dat een betaling op een rentedragende schuld strekt in mindering op de hoofdsom in plaats van op de rente. Deze regel beschermde de schuldeiser van een rentedragende vordering tegen ongerechtvaardigd verlies van zijn aanspraak op rente.

3.4.5

Aanvaarding van de opvatting dat buiten-gerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip “kosten” in art. 6:44 BW is in overeenstemming met de omstandigheid dat na de inwerkingtreding van art. 6:44 BW bij de totstandkoming van andere wetgeving, onder meer bij de regels over de inning van alimentatie, premies zorgverzekering en bestuursrechtelijke geldschulden, tot uitgangspunt is genomen dat buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip ‘kosten’ van art. 6:44 lid 1 BW (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.33-3.38).

3.4.6

In het licht van het voorgaande moet worden aangenomen dat art. 6:44 BW de strekking heeft om de schuldeiser tegen schade te beschermen. Daarmee strookt dat buitengerechtelijke incassokosten vallen onder het begrip “kosten” in art. 6:44 BW. Aldus heeft de schuldeiser aanspraak op de rente over het openstaande gedeelte van de hoofdsom totdat dit gedeelte volledig is voldaan. Aan dit belang van de schuldeiser komt meer gewicht toe dan aan het belang van de niet tijdig betalende schuldenaar.

3.4.7

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3-3.4.6 is overwogen, luidt het antwoord op de eerste prejudiciële vraag dat buitengerechtelijke incassokosten vallen onder de in art. 6:44 lid 1 BW bedoelde kosten.

3.5.1

De tweede, derde en vierde prejudiciële vraag hebben betrekking op de bevoegdheid van de rechter om bedongen buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve te matigen (art. 242 Rv). Deze vragen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.5.2

Buitengerechtelijke incassokosten komen als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding, behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797, NJ 2015/84).

3.5.3

Art. 242 Rv bevat regels betreffende de proceskosten als hiervoor in 3.5.2 bedoeld. Art. 242 lid 1 Rv bepaalt onder meer dat de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ambtshalve kan matigen, maar niet tot onder het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn. Deze bepaling stelt de rechter in staat bedongen buitengerechtelijke (incasso)kosten ambtshalve te matigen tot het bedrag van een redelijke schadeloosstelling (zie de MvA I bij art. 242 Rv, Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht p. 411-412). De bepaling is onder meer van toepassing op kosten die zijn overeengekomen tussen partijen in ‘business to business’-relaties (hierna: B2B-relaties), dat wil zeggen tussen partijen die geen van beide zijn te beschouwen als een natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (hierna: consument). De rechter dient de toepassing van de matigingsbevoegdheid te motiveren. Aan de motivering worden geen strenge eisen gesteld. (Vgl. HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP6874, NJ 2006/200; HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP7760, NJ 2006/201).

3.5.4

Art. 6 lid 3 van Richtlijn 2011/7/EU betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handels-transacties (hierna: de richtlijn) geeft een schuldeiser in geval van een handelstransactie aanspraak op een redelijke schadeloosstelling voor alle invorderingskosten als gevolg van de betalingsachterstand van de schuldenaar, waartoe onder meer de kosten kunnen worden gerekend die worden gemaakt voor het inschakelen van een advocaat of incassobureau. Deze bepaling vervangt art. 3 lid 1, aanhef en onder e, van Richtlijn 2000/35/EG betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, dat een schuldeiser op het punt van de redelijke schadeloosstelling een vergelijkbare aanspraak gaf. De beoordeling van gevorderde buitengerechtelijke incassokosten volgens het hiervoor in 3.5.2 en 3.5.3 weergegeven kader is niet in strijd met laatstgenoemde bepaling (vgl. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6690, NJ 2012/277, rov. 3.4.2) en is dus evenmin in strijd met art. 6 lid 3 van de richtlijn.

3.5.5

De vraag in hoeverre bedongen buitengerechtelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking komen, dient ook in B2B-relaties aan de hand van het hiervoor in 3.5.2 en 3.5.3 vermelde kader te worden beantwoord, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.

3.5.6

Voor gevallen waarin de betalingsachterstand betrekking heeft op, voor zover hier relevant, een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom, bevat art. 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (Stb. 2012/141; hierna: BIK) een regeling voor de begroting van de omvang van buitengerechtelijke incassokosten (art. 6:96 lid 5 BW). Volgens deze regeling geschiedt de normering van buitengerechtelijke incassokosten aan de hand van een forfaitair percentage dat uitsluitend is gerelateerd aan de hoogte van de verschuldigde hoofdsom, en niet aan de aard en omvang van de verrichte incassowerkzaamheden (vgl. HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405).

3.5.7

Indien de schuldenaar geen consument is, is art. 2 BIK van aanvullend recht. Het staat de rechter echter vrij, met inachtneming van de hiervoor in 3.5.3 genoemde motiveringseis, bij de toepassing van art. 242 Rv een in een B2B-relatie bedongen incassobedrag ambtshalve te matigen tot het bedrag dat overeenkomstig art. 2 BIK wordt begroot, indien niet wordt gesteld en bij betwisting aannemelijk wordt gemaakt dat de werkelijke kosten hoger zijn dan dat bedrag. Weliswaar behoort ook de hoedanigheid van partijen tot de omstandigheden die door de rechter bij zijn hiervoor in 3.5.5 bedoelde beoordeling in aanmerking dienen te worden genomen, maar er is geen aanleiding om aan te nemen dat in een geval van een B2B-relatie zijn beoordelingsvrijheid wordt beperkt door inhoud of strekking van de Wet normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (Stb. 2012/140) en het bijbehorende BIK (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.26-4.33). Hiermee is de tweede prejudiciële vraag beantwoord.

3.5.8

De derde prejudiciële vraag wordt als volgt beantwoord. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.5.2-3.5.7 is overwogen, kan een incassopercentage dat gebruikelijk is in de branche waarin beide partijen opereren of dat door de schuldenaar zelf in de verhouding tot zijn schuldenaren wordt gehanteerd, een van de in aanmerking te nemen omstandigheden zijn bij de beoordeling van de redelijkheid van buitengerechtelijke incassokosten. Niet kan echter worden aanvaard dat een dergelijk percentage daarbij in beginsel als uitgangspunt zou moeten dienen. Met dat uitgangspunt zou immers afbreuk worden gedaan aan de hiervoor in 3.5.3 genoemde strekking van art. 242 Rv en aan de hiervoor in 3.5.7 genoemde rechterlijke beoordelingsvrijheid.

3.5.9

In antwoord op de vierde prejudiciële vraag, eerste alinea, wordt het volgende overwogen. Uit hetgeen hiervoor in 3.5.2.-3.5.7 is overwogen, vloeit voort dat het voor de beantwoording van de tweede en derde prejudiciële vraag geen verschil maakt of de schuldeiser met betrekking tot de incasso van zijn vordering op zijn beurt met zijn rechtsbijstandverlener afspreekt dat hij het tussen de schuldeiser en de schuldenaar bedongen vaste of degressieve incassopercentage van de hoofdsom aan zijn rechtsbijstandverlener is verschuldigd. Ook een dergelijke afspraak kan een van de in aanmerking te nemen omstandigheden zijn bij de beoordeling van een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten waarop de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn. Daarbij verdient opmerking dat krachtens art. 242 Rv als uitgangspunt heeft te gelden dat de kosten redelijk moeten zijn jegens de schuldenaar.

3.5.10

De vierde prejudiciële vraag, tweede alinea, wordt als volgt beantwoord. Het antwoord op de vraag of een schuldeiser die de in 3.5.9 bedoelde afspraak in zijn stellingen noemt, in beginsel heeft voldaan aan de hiervoor in 3.5.7 aangeduide stelplicht ten aanzien van gevorderde buitengerechtelijke incassokosten die het volgens art. 2 BIK verschuldigde bedrag overtreffen, kan niet in algemene zin worden gegeven. Dit dient in voorkomende gevallen te worden beoordeeld aan de hand van hetgeen hiervoor in 3.5.2-3.5.8 is overwogen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

beantwoordt de prejudiciële vragen op de hiervoor in 3.4.7 en 3.5.7-3.5.10 vermelde wijze;

begroot de kosten van deze prejudiciële procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv aan de zijde van [appellante] op € 1.800,-- en aan de zijde van [geïntimeerde] op nihil.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 juli 2015.