Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1833

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
14/03171
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1036, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Getuigenverzoeken.

1. Het middel steunt op de opvatting dat ex art. 318.7 en art. 321 Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: SvM) slechts met toestemming van verdachte, die te dezen niet is gegeven, van het verhoor en van de (hernieuwde) dagvaarding van in het middel genoemde getuigen kon worden afgezien. De regeling van art. 318.7 en 321 SvM komt in de kern overeen met die van art. 280.4 (oud) en 282 (oud) Sv, zoals deze heeft gegolden tot de invoering van de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting per 1 februari 1998 (Stb. 1998, 3). Daargelaten dat op niet-naleving van art. 321 en art. 318.7 SvM geen nietigheid is gesteld, vloeit die nietigheid in gevallen als de onderhavige ook niet voort uit de aard van de niet-inachtgenomen vormen. In dat verband wijst de HR erop dat in sedert HR 28 maart 1944, NJ 1944/402 bestendige jurisprudentie is aangenomen dat het voorschrift van art. 282 (oud) Sv inzake de oproeping van een op de getuigenlijst voorkomende doch niet verschenen getuige, niet geldt in gevallen dat een hernieuwde oproeping reeds van te voren nutteloos of overbodig moet worden geacht. Er bestaat geen grond t.a.v. de vergelijkbare bepaling van SvM anders te oordelen. Ook de wetsgeschiedenis bevat geen aanknopingspunten voor zo een andersluidende wetsuitleg. ’s Hofs door het middel aangevallen beslissingen getuigen derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn in het licht van de door het Hof vastgestelde f&o ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

2. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit (i) de opmerking van de raadsvrouwe dat het zoeken naar de getuigen op gegeven moment moet ophouden en (ii) het achterwege blijven van een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek X als getuige te horen, afgeleid dat de verdediging, nadat het niet gelukt was om X op St. Kitts te horen, geen prijs meer stelde op het horen van X als getuige. Het in het bestreden vonnis besloten liggende oordeel van het Hof dat de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen van X voor het bewijs van het tlgd. kunnen worden gebruikt, getuigt - mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen - niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Middelen voor het overige: art. 81.1 RO. Ambtshalve: strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0327
NJB 2015/1423
RvdW 2015/914

Uitspraak

7 juli 2015

Strafkamer

nr. S 14/03171 A

AJ/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 20 december 2013, nummer H 006/13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in Sint Maarten op [geboortedatum] 1977.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Bewezenverklaring

Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:

"1. dat hij tezamen en in vereniging met een ander op 20 april 2011 te Sint Maarten, ter uitvoering van het door hem, verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [betrokkene 6] van het leven te beroven, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen op en/of in de richting van die [betrokkene 6] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; en ter uitvoering van het door hem, verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [betrokkene 7] van het leven te beroven, opzettelijk meermalen, met een vuurwapen op en/of in de richting van die [betrokkene 7] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(...)

(II) 1. dat hij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2010 tot en met 16 november 2011 te Sint Maarten bestuurder (leider) was van een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van personen, waartoe hij, verdachte, en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer andere perso(o)n(en) behoorden, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het opzettelijk handelen in strijd met verbodsbepalingen van de Vuurwapenverordening 1930, te weten: het voorhanden hebben van vuurwapens in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930

en/of

- het opzettelijk handelen in strijd met verbodsbepalingen van de Opiumlandsverordening 1960, te weten:

het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Sint Maarten brengen (invoeren en/of uitvoeren) van cocaïne en/of hennep als bedoeld in artikel 1 van de Opiumlandsverordening 1960,

en/of

- het plegen van moord c.q. doodslag, als bedoeld in artikel 302 c.q. 300 van het Wetboek van Strafrecht;

(II) 2. dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen, op 25 mei 2011 te Sint Maarten, langs de Waterfront Road, opzettelijk, en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [betrokkene 8], van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels geschoten in het lichaam van die [betrokkene 8], tengevolge waarvan voornoemde [betrokkene 8] is overleden;

(II) 3. dat hij tezamen en in vereniging met een ander of anderen, op of omstreeks 7 juli 2011 te Sint Maarten, op of nabij de Fort Willem Road, opzettelijk, en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [betrokkene 9], van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels geschoten in het lichaam van die [betrokkene 9], tengevolge waarvan voornoemde [betrokkene 9] is overleden."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt onder meer dat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd zonder daartoe door de verdachte gegeven toestemming heeft afgezien van het horen dan wel dagvaarden van getuigen.

3.2.1.

De procesgang in hoger beroep is - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 7 tot en met 14.

3.2.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2013 houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter constateert dat de getuigen [getuige 2], [getuige 4], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], en [getuige 9] niet verschenen zijn. (...)

Mr. Vaders voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:

De verdediging persisteert bij het verzoek deze getuigen te horen. Hun verklaringen zijn gebruikt voor de feitenvaststelling. De verklaringen van heden passen niet bij de eerdere verklaringen.

(...)

De procureur-generaal voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:

De politie heeft getracht de getuigen mee te brengen, maar dat is tevergeefs gebleken. (...)

Het openbaar ministerie geeft er de voorkeur aan om door te gaan met de behandeling.

Het Hof trekt zich terug voor beraad in raadkamer.

Na hervatting deelt de voorzitter - zakelijk

weergegeven - het volgende mee:

Niet alle getuigen zijn overeenkomstig de opdracht van het Hof gehoord. (...) De rechter-commissaris heeft afgezien van het horen van de getuige [betrokkene 5], nadat deze getuige, ondanks een bevel medebrenging, tweemaal niet was verschenen en de woning op het bekende adres van de getuige niet meer bewoond bleek. Het Hof verenigt zich met het oordeel van de rechter-commissaris dat het nodeloos is verdere pogingen te doen en ziet af van het horen van de getuige [betrokkene 5].

Bij de overige niet gehoorde getuigen is het de vraag of het aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Is dat niet het geval, dan is het nodeloos om verdere pogingen te doen. (...)

Ter zake van de getuigen [getuige 2], [getuige 9], [getuige 4], [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 8] heeft de rechter-commissaris gerapporteerd dat deze getuigen zijn opgeroepen en niet verschenen. Het Hof heeft de procureur-generaal verzocht de getuigen voor deze zitting op te roepen en het Hof heeft daarbij de medebrenging bevolen. De getuigen zijn niet aangetroffen door de politie en zij zijn evenmin vrijwillig verschenen.

Uit het proces-verbaal van de politie en de overgelegde uittreksels uit de basisadministratie blijkt dat de getuigen zijn opgeroepen op het adres zoals dat is opgenomen in de basisadministratie. De politie heeft hen daar niet aangetroffen. Ook zijn oproepingen uitgegaan naar andere adressen zoals die bekend zijn uit het dossier. De getuigen zijn daar evenmin aangetroffen door de politie. Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden gebleken op basis waarvan aannemelijk is dat deze getuigen binnen een aanvaardbare termijn alsnog kunnen worden gehoord. Het doen van verdere pogingen om deze getuigen te horen is daarmee nodeloos. Het Hof zal daarom afzien van het horen van deze getuigen."

3.3.

De in deze zaak relevante bepalingen van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten (hierna: SvM) luiden als volgt:

- art. 318, zevende lid:

"Alle op de lijst gebrachte getuigen worden verhoord, tenzij het Hof met toestemming van de procureur-generaal en de verdachte van hun verhoor afziet."

- art. 321:

"Indien een op de lijst voorkomende getuige niet is verschenen, beveelt het Hof, tenzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 318, zevende lid, van zijn verhoor wordt afgezien, dat hij tegen een door het Hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard en kan het daarbij tevens zijn medebrenging gelasten."

3.4.

Het middel steunt op de opvatting dat ingevolge art. 318, zevende lid, en art. 321 SvM slechts met toestemming van de verdachte, die te dezen niet is gegeven, van het verhoor en van de (hernieuwde) dagvaarding van in het middel genoemde getuigen kon worden afgezien.

3.5.1.

De regeling van de art. 318, zevende lid, en 321 SvM komt in de kern overeen met die van art. 280, vierde

lid, (oud) en 282 (oud) Sv, zoals deze heeft gegolden tot de invoering van de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting per 1 februari 1998 (Stb. 1998, 3), inhoudende:

"Alle verschenen getuigen worden gehoord, tenzij door de rechtbank met toestemming van den officier van justitie en van den verdachte van hun verhoor wordt afgezien."

onderscheidenlijk:

"Indien een op de lijst voorkomende getuige niet is verschenen, beveelt de rechtbank, tenzij met toestemming van den officier en den verdachte van zijn verhoor wordt afgezien, dat hij tegen een door haar te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard of schriftelijk opgeroepen en kan zij daarbij tevens zijne medebrenging gelasten."

3.5.2.

Daargelaten dat op niet-naleving van art. 321 en art. 318, zevende lid, SvM geen nietigheid is gesteld, vloeit die nietigheid in gevallen als de onderhavige ook niet voort uit de aard van de niet-inachtgenomen vormen. In dat verband wijst de Hoge Raad erop dat in sedert HR 28 maart 1944,
NJ 1944/402 bestendige jurisprudentie is aangenomen dat het voorschrift van art. 282 (oud) Sv inzake de oproeping van een op de getuigenlijst voorkomende doch niet verschenen getuige, niet geldt in gevallen dat een hernieuwde oproeping reeds van te voren nutteloos of overbodig moet worden geacht. Er bestaat geen grond ten aanzien van de vergelijkbare bepaling van het Wetboek van Strafvordering van Sint Maarten anders te oordelen. Ook de wetsgeschiedenis bevat geen aanknopingspunten voor zo een andersluidende wetsuitleg.

3.5.3. '

s Hofs door het middel aangevallen beslissingen getuigen derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn in het licht van de door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

3.6.

Voor zover het middel daarover klaagt, is het tevergeefs voorgesteld.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel klaagt dat art. 6 EVRM is geschonden doordat het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van poging tot doodslag op [betrokkene 7] in beslissende mate is gebaseerd op tegenover de politie afgelegde verklaringen van een persoon die door de verdediging niet als getuige kon worden gehoord.

4.2.

Het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van poging tot doodslag op [betrokkene 7] steunt op de bewijsvoering die in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 44 tot en met 46 is weergegeven.

4.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 augustus 2013 houdt onder meer het volgende in:

"De voorzitter deelt het volgende mede:

(...) In de zaken van [medeverdachte 3] en [verdachte] zijn nog diverse getuigenverhoren gepland. Ook hier geldt dat de rechter-commissaris alle mogelijke inspanningen dient te doen om deze getuigen te horen. Voor wat betreft het rechtshulpverzoek aan St. Kitts heeft de rechter-commissaris contact met de betreffende autoriteiten.

De procureur-generaal voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:

De verhoren van de getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 7] op St. Kitts zijn inmiddels gepland op 18 en 19 september 2013. Dit zal plaatsvinden op een zitting van het Engelse gerecht (...) Ik merk nog wel op dat [betrokkene 7] niet vast zit en er dus geen garantie bestaat dat hij zal verschijnen. (...)

De raadsvrouw voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:

Het is de insteek van de verdediging om de zaken inhoudelijk te behandelen in november. Als alles in het werk is gesteld om de getuigen te horen, maar dat niet gelukt is, dan houdt het op. Van [betrokkene 7] staat niet vast dat hij op St. Kitts verblijft. Hij is ook op een adres op Sint Maarten opgeroepen."

4.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 november 2013 houdt onder meer het volgende in:

"Mr. Vaders voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:

(...) De getuigen [betrokkene 6] en [betrokkene 7] zijn niet gehoord. Er zou geregeld worden dat ze werden gehoord, maar het bleek een feestdag op St. Kitts. Daarom ging het niet door. (...)

De procureur-generaal voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:

(...) Ter zake van [betrokkene 6] en [betrokkene 7] merk ik op dat ik niet op de bonnefooi naar St. Kitts kan gaan. (...)

Het Hof trekt zich terug voor beraad in raadkamer.

Na hervatting deelt de voorzitter - zakelijk

weergegeven - het volgende mee:

Niet alle getuigen zijn overeenkomstig de opdracht van het Hof gehoord. (...) Van de getuige [betrokkene 7] is niet bekend waar hij verblijft. Het is niet aannemelijk dat hij binnen aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het Hof ziet daarom af van het horen van deze getuige."

4.5.

Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk uit (i) de onder 4.3 weergegeven opmerking van de raadsvrouwe dat het zoeken naar de getuigen op gegeven moment moet ophouden, en (ii) het achterwege blijven van een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek [betrokkene 7] als getuige te horen, afgeleid dat de verdediging, nadat het niet gelukt was om [betrokkene 7] op St. Kitts te horen, geen prijs meer stelde op het horen van [betrokkene 7] als getuige. Het in het bestreden vonnis besloten liggende oordeel van het Hof dat de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen van [betrokkene 7] voor het bewijs van het tenlastegelegde kunnen worden gebruikt, getuigt - mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen - niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

4.6.

Het middel faalt.

5 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 29 jaren en 9 maanden.

7 Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 6 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 29 jaren en 6 maanden bedraagt.

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2015.

Mr. De Savornin Lohman is buiten staat dit arrest te ondertekenen.