Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1830

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2015
Datum publicatie
10-07-2015
Zaaknummer
14/02195
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:506, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:325, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Contractenrecht. Kwalificatie overeenkomst op grond waarvan schip in jachthaven ligt als bewaarneming (art. 7:600 BW)? Gebruik van schip in het belang van bewaarnemer, art. 7:603 lid 1 BW. Samenloop met door de wet geregelde bijzondere overeenkomsten, art. 6:215 BW. Uitleg overeenkomst, Haviltex. Weigering tardief geoordeelde productie bij pleidooi in hoger beroep, hoor en wederhoor.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 215
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2015/159 met annotatie van G.J. de Bock
NTHR 2015, afl. 5, p. 270
JWB 2015/269
NJ 2015/321
NJB 2015/1408
RCR 2015/71
RvdW 2015/863
S&S 2015/135

Uitspraak

10 juli 2015

Eerste Kamer

nr. 14/02195

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. SEAROCCO YACHTS B.V.,

2. RESTANT VERKOOP B.V.,
beide gevestigd te Ubbergen,
gemeente Berg en Dal,

EISERESSEN tot cassatie, verweersters in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: aanvankelijk mr. L. Kelkensberg, thans mr. R.P.J.L. Tjittes,

t e g e n

ALTENA YACHTING B.V.,
gevestigd te Geertruidenberg,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. D. Rijpma.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Searocco Yachts en Restant Verkoop (tezamen als Searocco Yachts c.s.) en Altena.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 204525 / HA ZA 10-1624 van de rechtbank Arnhem van 27 oktober 2010 en 7 maart 2012;

b. het arrest in de zaak 200.104.541 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 januari 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben Searocco Yachts c.s. beroep in cassatie ingesteld. Altena heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Altena heeft in het principale cassatieberoep geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring, althans tot verwerping van het cassatieberoep en in het voorwaardelijk incidentele beroep tot vernietiging van het bestreden arrest. Searocco Yachts c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Searocco Yachts c.s. mede door mr. J.W. de Jong.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van Searocco Yachts c.s. heeft bij brief van 1 mei 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 – 1.9 vermelde feiten. Kort samengevat komen deze op het volgende neer.

(i) Altena heeft in 2005/2006 in opdracht van Searocco Yachts een zeewaardig motorschip van het type Searocco 1500 (de Searocco 6) afgebouwd. Dit schip kreeg de naam Femina. De Femina is in augustus 2006 aan Searocco Yachts opgeleverd.

(ii) Op 13 september 2006 is de Femina voor beurspresentaties op transport gezet naar Port Napoleon aan de Middellandse Zee. Het schip is in Barcelona en in Genua op beurzen gepresenteerd. In het voorjaar van 2007 heeft de (indirect) directeur van Searocco Yachts, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), het schip teruggevaren naar Nederland, alwaar het op 20 juni 2007 is teruggekomen in de haven van Altena. Daarna heeft Altena nog werkzaamheden aan de Femina verricht.

(iii) [betrokkene 1] heeft in zijn hoedanigheid van directeur van [A] B.V. (hierna: [A]) bij schriftelijke overeenkomst van 15 juni 2007 voor de duur van drie jaar aan
Altena het exclusieve recht verleend om tegen een (licentie)vergoeding jachten van het type Searocco (af) te bouwen en te verkopen. Art. 6 van deze overeenkomst luidt:

“6. Het staat [betrokkene 1] vrij om de thans nog in aanbouw zijnde Searocco 2000, alsmede de complete Searocco 1500 [Hoge Raad: de Femina] af te bouwen en te verkopen.

Wel zal [betrokkene 1], zolang voormelde jachten niet verkocht zijn, deze kosteloos ter beschikking stellen voor beurzen en/of promotiedoeleinden.”

(iv) Op 9 juli 2007 heeft [betrokkene 1] namens Searocco Yachts een e-mail gestuurd aan Altena, waarin een bonusregeling voor Altena bij verkoop van de Femina is opgenomen.
De Femina is bij Altena blijven liggen. Er zijn wel één of twee belangstellenden voor het schip geweest, maar tot een verkoop is het niet gekomen.

(v) Nadat een zekere [betrokkene 2] op 28 augustus 2009 ten laste van Restant Verkoop, een andere vennootschap van [betrokkene 1], onder Altena conservatoir scheepsbeslag had gelegd op het (reeds geruime tijd daarvoor door Restant Verkoop aan Altena verkochte) schip de Masalino (ook een Searocco), is Altena met dat schip naar de Hiswa gevaren. Op de Hiswa heeft de aangestelde gerechtelijk bewaarder de door Altena tentoongestelde Masalino op 4 september 2009 ten overstaan van het publiek afgevoerd. Restant Verkoop bleek de Masalino niet bij notariële akte aan Altena in eigendom te hebben overgedragen. Dit een en ander heeft voor Altena tot een vertrouwensbreuk met [betrokkene 1] geleid.

(vi) Bij brief van 22 oktober 2009 aan [betrokkene 1] heeft Altena wegens het incident op de Hiswa alle contracten met [betrokkene 1], met [A] en met Searocco Yachts geannuleerd en aan [betrokkene 1] verzocht om, na betaling van de kort daarvoor verzonden factuur voor stallings- en onderhoudskosten, de Femina op te halen.

(vii) Bij brief van 14 februari 2010 heeft de advocaat van Searocco Yachts aan Altena bericht dat Searocco Yachts de Femina in 2007 heeft verkocht en geleverd aan Restant Verkoop. De Femina is nadien, onder (hernieuwd) conservatoir beslag van Altena van 7 januari 2011, bij Altena blijven liggen.

3.2.1

In dit geding vordert Altena veroordeling van Searocco Yachts tot betaling van bedragen ter zake van stalling/liggeld over de periode vanaf 20 juni 2007, reparatiewerkzaamheden en noodzakelijk onderhoud, en een verklaring voor recht dat Restant Verkoop jegens Altena aansprakelijk is voor de kosten van ligplaats, walstroom en milieuheffing vanaf 15 februari 2010.

3.2.2

De rechtbank heeft de vordering jegens Searocco Yachts tot een bedrag van € 28.897,50 (met rente) toegewezen, alsmede de jegens Restant Verkoop gevorderde verklaring voor recht.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, en daartoe als volgt overwogen.

“4.6 Een feit is dat [betrokkene 1], bestuurder van zowel Searocco Yachts, de eigenaresse van de Femina, als van [A], minst genomen heeft toegelaten dat haar schip de Femina op de werf van Altena werd gelegd/gestald, blijkens de overeenkomst van 15 juni 2007 met de bedoeling dat [A] de Femina, zolang zij nog niet was verkocht, kosteloos ter beschikking stelde voor beurzen en/of promotiedoeleinden. Dit past in de e-mail van 9 juli 2007 van Searocco Yachts aan Altena, waaruit blijkt dat zij met Altena een bonus was overeengekomen voor het geval Altena de Femina voor haar zou verkopen. Aldus bevindt Altena zich met betrekking tot de Femina in twee onderling nauw samenhangende rechtsverhoudingen met enerzijds [A] en anderzijds Searocco Yachts, beide bestuurd door [betrokkene 1].

Onder deze omstandigheden mocht Altena er redelijkerwijs op vertrouwen dat Searocco Yachts haar de Femina in bewaring gaf voor de haar door [A] onder een bonusregeling verstrekte bemiddelingsopdracht. Nu de overeenkomst door de bewaarnemer (Altena) in de uitoefening van haar bedrijf is aangegaan, is de bewaargever (Searocco Yachts) haar ingevolge artikel 7:601 lid 1 BW in beginsel loon verschuldigd (hier: liggeld). Het bestaan van de bonusregeling in het kader van de door [A] verstrekte bemiddelingsopdracht sluit dit niet zonder meer uit, temeer nu daarbij niet (met zoveel woorden) uitsluiting van loon c.q. liggeld is bedongen, laat staan voor het geval geen verkoop [tot] stand zou komen.

Searocco Yachts heeft aangevoerd dat [A] de Femina voor beurzen en/of promotiedoeleinden kosteloos aan Altena ter beschikking heeft gesteld. Een kosteloze terbeschikkingstelling betekent echter naar algemeen spraakgebruik dat degene die een zaak aan een ander ter beschikking stelt aan deze laatste geen kosten in rekening brengt, maar niet het omgekeerde, namelijk dat degene aan wie de zaak ter beschikking is gesteld, geen kosten aan zijn wederpartij in rekening zou mogen brengen. Altena behoefde er dan ook in redelijkheid niet op bedacht te zijn dat [A] met deze formulering van artikel 6 in de overeenkomst van 15 juni 2007 beoogde voor zichzelf en voor Searocco Yachts het omgekeerde overeen te komen, namelijk dat aan haar geen kosten in rekening zouden worden gebracht.

Ter comparitie is namens Altena verklaard dat de afgesproken bonus aanzienlijk hoger was dan de normale provisie in deze markt en dat zij, zo zij deze bonus zou hebben gekregen, niet nog afzonderlijk rekeningen aan de scheepseigenaar zou hebben gestuurd voor de stalling, het gebruikelijke onderhoud en de extra kosten. Indien deze mededeling al als een weergave van een contractuele beperking zou moeten worden verstaan, dan doet dit geval zich toch niet voor én omdat Altena geen bonus heeft gekregen én omdat daarop geen vooruitzicht meer bestaat na de beëindiging door Altena bij haar brief van 22 oktober 2009 van alle overeenkomsten.

4.7

Deze beëindiging was terecht op grond van het navolgende. De kantonrechter te Breda heeft bij vonnis van 16 november 2011 tussen [A] en Altena geoordeeld dat fouten van [A], bestaande in de niet-overdracht van de Masalino en haar onvoldoende inspanningen om Altena te vrijwaren van de nadelige gevolgen van het beslag, een onvoorziene omstandigheid opleveren die niet voor rekening van Altena komt en van zodanige aard is dat [A] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet de instandhouding van de overeenkomst van 15 juni 2007 mag verwachten. Dit vonnis heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bekrachtigd bij arrest van 5 februari 2013, dat in kracht van gewijsde is gegaan. Het beroep van Altena jegens Searocco Yachts c.s. op gezag van gewijsde gaat echter niet op omdat Searocco Yachts c.s. daarbij geen partij zijn geweest (zie artikel 236 Rv). Tegen het oordeel in deze gerechtelijke uitspraken dat de fouten van [A] een onvoorziene omstandigheid opleveren die niet voor rekening van Altena komt en van zodanige aard is dat [A] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet de instandhouding van de overeenkomst van 15 juni 2007 mag verwachten, hebben Searocco Yachts c.s. bij pleitnota in hoger beroep aangevoerd dat Altena en haar bestuurders jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld door de Femina en de Masalino zeer slecht te bouwen en samen te spannen met [betrokkene 2] om het beslag op de Femina te leggen. Daartoe hebben zij zich beroepen op de door hen op 20 juni 2013 ingezonden productie 22: een dagvaarding van hen tezamen met [A] van 4 juni 2013 tegen Altena, diverse verwante vennootschappen en haar directeuren Pols. Deze dagvaarding telt 35 pagina’s dicht getypte tekst. Terecht heeft Altena tegen deze nieuwe, gelet op haar omvang te laat ingezonden, productie bezwaar gemaakt. Vanwege haar omvang was dit document niet kort en eenvoudig te doorgronden en evenmin na overleg met cliënte te weerspreken. Daarom wordt deze productie alsnog geweigerd.

Als gevolg hiervan hebben Searocco Yachts c.s. de in voormeld vonnis en arrest aanwezig geoordeelde oorzaak voor de beëindiging door Altena van al haar contractuele relaties met de Polakvennootschappen, waaronder Searocco Yachts c.s. onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat het hof zich op dit punt tussen deze partijen aansluit bij het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch.”

3.3.1

Onderdeel 1 van het middel bestrijdt het oordeel in rov. 4.6 dat Searocco Yachts de Femina aan Altena in bewaring heeft gegeven. Dat oordeel is volgens het onderdeel onjuist, omdat voor bewaarneming is vereist dat de bewaargever de zaak aan de bewaarnemer “toevertrouwt”, wat inhoudt dat de bewaarnemer zich over de hem toevertrouwde zaak ontfermt in het belang van de bewaargever. Nu de Femina op de werf van Altena werd gestald met de bedoeling dat zij het schip kosteloos ter beschikking kreeg voor beurzen en promotiedoeleinden, is dat in haar belang geschied. Althans heeft het hof volgens het onderdeel ontoereikend gemotiveerd dat, zoals voor het aannemen van een bewaarnemingsovereenkomst is vereist, de Femina met het oog op de belangen van Searocco Yachts op de werf van Altena is gestald.

3.3.2

Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat kenmerk van de overeenkomst van bewaarneming is dat de bewaarneming geschiedt in het belang van de bewaargever. Ook het ingevolge art. 7:603 lid 1 BW toegestane gebruik van de zaak door de bewaarnemer dat nodig is om de zaak in goede staat te houden of te brengen, betreft een gebruik in het belang van de bewaargever.

De enkele omstandigheid dat de zaak tevens in het belang van de bewaarnemer mag worden gebruikt, sluit echter niet uit dat sprake is van bewaarneming. Dat volgt mede uit art. 7:603 lid 1 BW, dat immers – naast het geval dat gebruik van de zaak door de bewaarnemer nodig is om de zaak in goede staat te houden of te brengen – de mogelijkheid erkent dat de bewaargever toestemming geeft voor gebruik van de zaak door de bewaarnemer. Aan die mogelijkheid is niet de restrictie verbonden dat het toegestane gebruik slechts het belang van de bewaargever mag dienen.

Het voorgaande stemt overeen met de regels van samenloop. Die brengen immers mee dat op een overeenkomst die zowel voldoet aan de omschrijving van bewaarneming (met als kenmerk dat deze geschiedt in het belang van de bewaargever) als – bijvoorbeeld – aan die van bruikleen (waarbij de bruiklener de zaak, binnen de grenzen van art. 7A:1781 BW, in zijn eigen belang mag gebruiken), in beginsel de voor elk van die beide overeenkomsten gegeven bepalingen naast elkaar van toepassing zijn (vgl. art. 6:215 BW, ook voor uitzonderingen op die regel).

Of een overeenkomst in een concreet geval (mede) kan worden aangemerkt als een overeenkomst van bewaarneming, is voorts afhankelijk van uitleg van de rechtshandeling in het licht van alle omstandigheden van het geval aan de hand van de Haviltexmaatstaf, te beoordelen met inachtneming van de hiervoor vermelde wettelijke regels.

3.3.3

Het hof heeft het vorenstaande niet miskend.
Het heeft tot uitgangspunt genomen dat de tussen partijen gesloten contracten (hiervoor in 3.1 onder (iii) en (iv) vermeld) – waaronder de bonusregeling, die mede voorzag in een vergoeding voor Altena ter zake van liggeld en gemaakte onkosten indien de Femina zou worden verkocht – zijn beëindigd vanwege de (gerechtvaardigde) opzegging door Altena van die overeenkomsten. Het heeft voorts in navolging van de rechtbank geoordeeld dat het stallen van de Femina in de haven van Altena, gelet op de omstandigheden van het geval, aangemerkt kan worden als bewaarneming in de zin van art. 7:600 BW, en dat Altena daarom ingevolge art. 7:601 lid 1 BW recht heeft op loon. In dat oordeel ligt besloten dat Altena de Femina mede in het belang van Searocco Yachts op haar werf heeft gestald, nu zij aldus in staat was activiteiten te ontplooien gericht op de verkoop van het schip ten behoeve van Searocco Yachts. Dat Altena tevens, in haar eigen belang, gerechtigd was het schip kosteloos te gebruiken voor beurzen en promotieactiviteiten, behoefde aan het oordeel van het hof dat sprake is van een bewaarnemingsovereenkomst niet in de weg te staan.
Dat oordeel berust mede op uitleg van de overeenkomst en op waarderingen van feitelijke aard, en behoefde in het licht van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd geen nadere motivering.

Onderdeel 1 faalt derhalve.

3.4.1

Onderdeel 2 klaagt dat het hof in rov. 4.7 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de door Searocco Yachts c.s. als productie in het geding gebrachte dagvaarding van 4 juni 2013 heeft geweigerd. Volgens het onderdeel is hen daarmee, in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, de mogelijkheid ontnomen om (toereikend) te reageren op het standpunt van Altena dat zij op goede gronden alle relaties met [betrokkene 1] en diens vennootschappen heeft verbroken.

3.4.2

Het standpunt van Altena dat zij op goede gronden alle relaties met [betrokkene 1] en diens vennootschappen heeft verbroken, was reeds in eerste aanleg door de rechtbank onderschreven, waarbij de rechtbank zich had aangesloten bij het oordeel van de kantonrechter in een andere procedure (tussen Altena en [A]). De omstandigheid dat in de loop van het hoger beroep in de onderhavige procedure het vonnis van de kantonrechter door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch was bekrachtigd en het arrest van dat hof in kracht van gewijsde was gegaan, bracht geen wezenlijke wijziging in de stand van zaken in het hoger beroep in de onderhavige procedure. Het lag op de weg van Searocco Yachts c.s. om in hoger beroep op te komen tegen het oordeel van de rechtbank dat het desbetreffende standpunt van Altena juist was, en daartegen het nodige aan te voeren.

Ter bestrijding van het standpunt van Altena en het daarmee overeenstemmende oordeel van de rechtbank, hebben Searocco Yachts c.s. naar de vaststelling van het hof (rov. 4.7) bij pleitnota in hoger beroep betoogd dat Altena en haar bestuurders jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld door de Femina en de Masalino zeer slecht te bouwen en samen te spannen met [betrokkene 2] om het beslag op de Femina te leggen. Searocco Yachts c.s. klagen echter niet dat hetgeen ter onderbouwing daarvan in de dagvaarding van 4 juni 2013 was aangevoerd, niet reeds in de memorie van grieven in de onderhavige procedure kon worden aangevoerd. Evenmin bestond een beletsel om de aan hun betoog ten grondslag liggende feiten en omstandigheden in hun pleitnota naar voren te brengen; zij hebben dat overigens ook gedaan, zij het op summiere wijze en naar het oordeel van het hof – in zoverre in cassatie niet bestreden – onvoldoende gemotiveerd.

Om deze redenen faalt de aan onderdeel 2 ten grondslag liggende stelling dat Searocco Yachts c.s. door de weigering van de als productie in het geding gebrachte dagvaarding van 4 juni 2013, de mogelijkheid is ontnomen om toereikend te reageren op het standpunt van Altena, en dat het hof daarom in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor heeft gehandeld. Het onderdeel treft derhalve geen doel.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt Searocco Yachts c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Altena begroot op € 1.991,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, C.E. Drion, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 juli 2015.