Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:181

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-01-2015
Datum publicatie
30-01-2015
Zaaknummer
13/06400
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1907, Gevolgd
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Inhoud petitum, onbegrijpelijke uitleg gedingstukken. Miskenning door rechtbank gestelde voorwaarde voor toedeling. Verschuldigdheid wettelijke rente, ingangsdatum, art. 6:119 BW (HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0387, NJ 2008/108).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/306
JWB 2015/52
RvdW 2015/453
PFR-Updates.nl 2015-0041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 januari 2015

Eerste Kamer

nr. 13/06400

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

[de man],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. S. Kousedghi.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaak FA RK 10-7478 en FA RK 11-6143 van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 januari 2012 en 10 december 2012;

b. de beschikkingen in de zaken 200.120.672/01 & 200.120.673/01 van het gerechtshof Den Haag van
24 april 2013 en 2 oktober 2013, verbeterd en aangevuld bij beschikking van 26 maart 2014.

De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof van 2 oktober 2013 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld en een aanvullend verzoekschrift ingediend.

De man heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep, en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het cassatierekest, het aanvullend cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren danwel het beroep te verwerpen. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt zowel in principaal als in incidenteel beroep tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van de man heeft bij brief van 7 november 2014 op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 1986 in Algerije met elkaar gehuwd.

(ii) Bij beschikking van 23 januari 2012 heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3.2

Het onderhavige geding betreft de vermogens-rechtelijke afwikkeling van het huwelijk. Voor zover in cassatie van belang gaat het om de verdeling van het saldo van de bankrekeningen van partijen en om de toedeling van de voormalige echtelijke woning.

De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht om verdeling bij helfte van het saldo van de bankrekeningen van partijen, inclusief een bedrag van € 200.000,--, dat de man volgens haar van een gezamenlijke rekening heeft overgeschreven naar zijn privérekening. Voorts verzocht zij toedeling aan haar van het aandeel van de man in de echtelijke woning alsmede van zijn aandeel in de daaraan gekoppelde hypothecaire leningen. De man heeft onder meer verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem een bedrag dient te betalen van € 92.225,80, dat de vrouw volgens zijn stelling heeft overgemaakt van een gezamenlijke rekening naar haar privérekening, alsmede een bedrag van € 4.492,06, dat de vrouw volgens hem met zijn privégeld heeft betaald aan een echtscheidingsbemiddelaar.

De rechtbank heeft in haar eindbeschikking met betrekking tot de echtelijke woning beslist, kort gezegd, dat de woning zal worden toebedeeld aan de vrouw onder de voorwaarde dat zij binnen twee maanden na taxatie van de woning aantoont dat zij (financieel) in staat is de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank besliste voorts dat de vrouw na overdracht door de man van zijn aandeel in de woning, aan de man een bedrag van € 52.146,72 diende te vergoeden wegens door hem uit eigen middelen gedane aflossingen op de hypothecaire geldleningen. De rechtbank heeft de overige verzoeken afgewezen.

3.3

Het hof heeft de eindbeschikking van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 42.985,99. Het heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.

Vaststaat dat op het huwelijksvermogensregime van partijen Algerijns recht van toepassing is. Daarvan uitgaande is het hof van oordeel dat het saldo van een bankrekening die op naam van beide partijen staat, aan ieder van partijen voor de helft toekomt. (rov. 33-35)

Met betrekking tot de echtelijke woning heeft de vrouw verzocht dat de man wordt bevolen “binnen 48 uur na daartoe gevorderd te zijn” mee te werken aan de overdracht aan haar van zijn aandeel in de woning. Het hof gaat aan dit verzoek voorbij nu niet is gesteld of gebleken dat de vrouw heeft voldaan aan de door de rechtbank gestelde voorwaarde dat zij aantoont dat zij financieel in staat is de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en de man te doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. (rov. 36-38)

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de aflossingen op de hypothecaire geldleningen zijn verricht vanaf de gemeenschappelijke rekening van partijen. De man heeft derhalve geen recht op vergoeding door de vrouw van de door hem gedane aflossingen. (rov. 39)

Met betrekking tot de door de man verzochte vergoeding door de vrouw van het bedrag van € 92.225,80 overweegt het hof dat vaststaat dat de vrouw dit bedrag van de gezamenlijke rekening heeft overgemaakt naar haar privérekening. De man betwist de stelling van de vrouw dat zij dit bedrag heeft uitgegeven aan kosten van de huishouding. Nu de vrouw haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd, gaat het hof ervan uit dat dit bedrag nog aanwezig is, met uitzondering van een bedrag van € 6.253,81, dat de vrouw heeft betaald aan de echtscheidingsbemiddelaar. De vrouw dient derhalve de helft van het bedrag van € 85.971,99 aan de man te voldoen. Dit brengt mee dat het verzoek van de man tot vergoeding van het bedrag van € 4.492,06 wordt afgewezen. (rov. 41-43)

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1

Onderdeel A klaagt in de kern dat het hof niet, althans niet deugdelijk gemotiveerd, heeft beslist op het in hoger beroep gehandhaafde verzoek van de vrouw om het door de man van de gezamenlijke rekening opgenomen bedrag van € 200.000,-- in de verrekening te betrekken. Het onderdeel betoogt dat het bij het door de vrouw in haar petitum in hoger beroep genoemde bedrag van € 45.603,-- gaat om de saldo-aanspraak van de vrouw, waarin onder meer rekening is gehouden met het bedrag van € 200.000,--.

De klacht slaagt.

De vrouw heeft in eerste aanleg met zoveel woorden verzocht om genoemd bedrag van € 200.000,-- in de verrekening te betrekken. In hoger beroep heeft zij verzocht om de man te bevelen mee te werken aan de overdracht aan haar van zijn aandeel in de woning “onder vergoeding aan de vrouw van de overwaarde van de beperkte gemeenschap ad € 45.603,-- (…)”. Zij heeft in dat verband verwezen naar het door haar overgelegde voorstel tot verdeling (prod. 33 bij haar appelschrift), waarin onder de te verdelen activa zowel het door de man opgenomen bedrag van € 200.000,-- als het door haar opgenomen bedrag van € 92.225,80 zijn vermeld. Blijkens de gedingstukken heeft de man in hoger beroep ten aanzien van het bedrag van € 200.000,-- verweer gevoerd, inhoudende dat het bij dit bedrag gaat om pensioenrechten waar de vrouw volgens hem geen recht op heeft. Indien het hof het door de vrouw in hoger beroep gedane verzoek heeft uitgelegd als niet mede betrekking hebbend op genoemd bedrag van € 200.000,--, is zijn oordeel onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat de man blijkens zijn verweer het verzoek wel heeft opgevat als betrekking hebbend op dat bedrag. Indien het hof heeft geoordeeld dat het bedrag van € 200.000,-- niet voor verrekening in aanmerking komt, is zijn oordeel eveneens onbegrijpelijk. Zonder nadere motivering valt immers niet in te zien waarom het door de vrouw opgenomen bedrag van € 92.225,80 wel voor verrekening in aanmerking komt en het door de man opgenomen bedrag van € 200.000,-- niet.

4.2

Onderdeel C klaagt dat het hof ten onrechte geen gevolg heeft verbonden aan zijn overweging (rov. 37) dat de door de rechtbank bepaalde taxatie niet meer hoeft plaats te vinden nu de man in hoger beroep akkoord is met de door de vrouw gestelde waarde van de woning van € 305.000,--.

Ook deze klacht is terecht voorgesteld.

De rechtbank heeft in haar eindbeschikking bepaald dat de woning aan de vrouw zou worden toebedeeld onder de voorwaarde dat zij binnen twee maanden na de taxatie aantoont dat zij, kort gezegd, in staat is de woning te financieren. Nu, gelet op rov. 37 van het hof, de door de rechtbank gestelde voorwaarde van taxatie is vervallen, maar niet de voorwaarde dat de vrouw aantoont dat zij de woning kan financieren, had het hof een nieuwe ingangsdatum behoren te bepalen van de termijn van twee maanden waarbinnen de vrouw aan laatstgenoemde voorwaarde moet voldoen.

4.3

De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1

Het middel klaagt dat het hof bij zijn beslissing om de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 42.985,99 over het hoofd heeft gezien dat de man ook heeft verzocht om vergoeding van wettelijke rente.

5.2

Het hof heeft in rov. 3 vastgesteld dat de man in incidenteel appel vergoeding heeft verzocht van het bedrag van € 92.225,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van overboeking tot aan de dag der algehele voldoening, en heeft in rov. 42 beslist dat de vrouw de helft van het bedrag van (€ 92.225,80 minus € 6.253,81 =) € 85.971,99 aan de man dient te voldoen.
De beschikking van het hof houdt niets in omtrent de verzochte wettelijke rente. In zoverre is de klacht terecht voorgesteld.

Opmerking verdient dat ingevolge art. 6:119 lid 1 BW wettelijke rente over de voldoening van een geldsom slechts verschuldigd is over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Het onderhavige verzoek van de man heeft betrekking op de verdeling en verrekening van het saldo van de bankrekeningen van partijen. Zolang deze verdeling niet definitief is vastgesteld, is de vrouw niet in verzuim met de betaling van het toegewezen bedrag (vgl. HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0387, NJ 2008/108). Na verwijzing zal de zaak met inachtneming hiervan opnieuw moeten worden beoordeeld.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2013;

verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 januari 2015.