Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1801

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
08-07-2015
Zaaknummer
14/05931
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1018, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:7846, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Afwijzing getuigenverzoek. ’s Hofs oordeel dat het horen van de CIE-runners niet noodzakelijk is, is niet zonder meer begrijpelijk. 2. Afwijzing verzoek om ttz. de opgenomen tapgesprekken te beluisteren. Het Hof heeft het verzoek als onvoldoende onderbouwd en overigens ook niet noodzakelijk afgewezen. Gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 328
Wetboek van Strafvordering 410
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/916
NBSTRAF 2015/194
SR-Updates.nl 2015-0318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 juli 2015

Strafkamer

nr. S 14/05931

ABO/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 14 oktober 2014, nummer 21/004235-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1 Geding in cassatie

Het beroep - dat blijkens de daarvan opgemaakte akte niet is gericht tegen de beslissingen van het Hof met betrekking tot het onder 2, 3 primair, 4, 5 en 6 tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte.

Namens de verdachte heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de beslissingen die zijn gerelateerd aan feit 3 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede en het derde middel

3.1.

Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof het verzoek tot het horen van de CIE-runners '[betrokkene 1]' en '[betrokkene 2]' als getuigen onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Het derde middel klaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek de opgenomen tapgesprekken ter terechtzitting te beluisteren.

3.2.

Ten laste van de verdachte is ter zake van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard dat:

"[betrokkene 3] en een mededader op 24 mei 2011 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, ter uitvoering van het door voornoemde [betrokkene 3] en diens mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening weg te nemen geld, toebehorende aan waardetransport Brinks of de Rabobank, en daarbij die voorgenomen diefstal te laten voorafgaan en te laten vergezellen en te laten volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [betrokkene 4] gepleegd met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of (een) aan andere deelnemer(s) van dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren hebbende voornoemde [betrokkene 3] en/of diens mededader opzettelijk - een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht gehouden op voornoemde [betrokkene 4], en - een (binnen)deur van de Rabobank (welke leidt naar een ruimte waar een geldautomaat staat en/of alwaar de overdracht van het geldtransport plaatsvindt) geramd en/of opengebroken en/of vernield, en

- "Geef mij de zakken, dit is echt" en "Geld, geld of andere zaken", geroepen, althans gezegd, en

- kraaienpoten op de weg gegooid/geworpen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, tot het plegen van welk voorgenomen misdrijf hij, verdachte, omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 24 mei 2011 te Driebergen-Rijsenburg of elders in Nederland opzettelijk middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk

- kraaienpoten te vervaardigen en/of ter beschikking te stellen en/of te leveren aan voornoemde [betrokkene 3] en/of diens mededader welke vanuit een vluchtauto door voornoemde [betrokkene 3] en/of diens mededader(s) op het wegdek zijn gegooid/geworpen)."

3.3.

De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot "het onder 3 tenlastegelegde (de overval in Driebergen-Rijsenburg op 24 mei 2011)" als bewijsoverwegingen van het Hof het volgende in:

"De betrokkenheid van verdachte bij de overval

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte bij de voorschreven overval betrokken is geweest en zo ja als medepleger of als medeplichtige. In dit verband zijn de volgende bewijsmiddelen van belang.

De kraaienpoten

De kraaienpoten die zijn aangetroffen in de sporttas in de auto zijn veiliggesteld, inbeslaggenomen en voorzien van nummer SIN AADP0807NL38.

De kraaienpoten die in de sporttas zijn aangetroffen, zijn apart bemonsterd en als veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Van het celmateriaal in de bemonsteringen AADP0807NL #37 en #38 zijn DNA-profielen verkregen. Deze DNA-profielen zijn met elkaar vergeleken. AADP0807NL #37 en #38 kunnen afkomstig zijn van onbekende man F. Het DNA-profiel van het celmateriaal #38 (gekoppeld aan onbekende man F) is opgenomen in de Nederlandse databank voor strafzaken en is vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is een match gevonden met het DNA-profiel van [verdachte] (geboren [geboortedatum] 1978). Dit betekent dat het celmateriaal in #38 afkomstig kan zijn van [verdachte]. Bovendien kan het celmateriaal in de bemonstering #37 eveneens afkomstig zijn van [verdachte]. De berekende frequentie of matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Verdachte heeft eerst op 17 januari 2013 een verklaring gegeven voor het aangetroffen DNA op de kraaienpoten.

Deze verklaring luidt kort gezegd dat verdachte de CIE (thans TCI), [betrokkene 1] en [betrokkene 2], in februari of maart 2011 heeft verteld over kraaienpoten die in een loods werden gemaakt. Verdachte heeft van de CIE de opdracht gekregen de kraaienpoten in te kopen. Hij heeft de kraaienpoten meegenomen naar een ontmoeting met de CIE en ze daar aan hen getoond. Bij gelegenheid daarvan moet zijn DNA op de kraaienpoten terecht zijn gekomen. De CIE wilde de kraaienpoten echter niet hebben waarna verdachte de kraaienpoten naar de loods heeft teruggebracht.

Uit de brief van CIE-officier van justitie, mr. B. Wind van 27 januari 2013 volgt dat uit onderzoek is gebleken dat geen informant die door de CIE Amsterdam al dan niet in de door verdachte gestelde periode kraaienpoten heeft laten zien of heeft aangeboden aan runners van de CIE. Voorts is niet gebleken dat een informant opdracht of toestemming heeft gekregen van de CIE of een CIE-officier van justitie om kraaienpoten aan te kopen of te verkrijgen. De officier van justitie stelt vervolgens vast dat de bewering van verdachte onjuist is en er - vanwege opsporings- en veiligheidsbelangen - derhalve geen noodzaak bestaat opening van zaken te geven over de vraag of verdachte door de CIE is benaderd. In het proces-verbaal van De Wind van 13 januari 2014 - dat tot stand is gekomen nadat verdachte op eigen initiatief vanuit de PI telefonisch contact heeft opgenomen met [betrokkene 2] - is vermeld dat de brief van 27 januari 2013 op volledige waarheid berust. Wel volgt ditmaal uit het proces-verbaal dat de CIE, bij monde van [betrokkene 2], met verdachte over kraaienpoten heeft gesproken. Kennelijk heeft de officier van justitie het verantwoord geacht, al dan niet gelet op het gegeven dat verdachte zelf telefonisch contact heeft gezocht met [betrokkene 2], opening van zaken te geven over de CIE contacten die verdachte heeft gehad en waarover bij gelegenheid van een van die contacten is gesproken. Van onwaarheden of onjuistheden in de hierover opgemaakte processen-verbaal is het hof echter niets gebleken. In voormeld proces-verbaal wordt benadrukt dat er met verdachte geen afspraken zijn gemaakt over kraaienpoten zoals door hem is beweerd.

Uit de gesprekken die verdachte met [betrokkene 2] vanuit de PI heeft gevoerd valt weliswaar op te maken dat er over kraaienpoten is gesproken maar niet dat er afspraken met de CIE zijn gemaakt zoals door verdachte is beweerd noch dat hij kraaienpoten al dan niet in opdracht van de CIE heeft meegenomen en aan de CIE heeft laten zien. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 mei 2014, opgemaakt door De Wind en de chef van de CIE, Venema, volgt dat de CIE met verdachte over kraaienpoten heeft gesproken maar niet dat hij kraaienpoten aan een of meer runners heeft laten zien of aangeboden hetgeen ook niet door runners van de CIE is gevraagd aan verdachte.

Het hof acht de verklaring van verdachte over de vraag op welke wijze zijn DNA op de kraaienpoten is gekomen niet aannemelijk gelet op bovenvermelde informatie van de CIE. Dat er contacten zijn geweest met de CIE staat op grond van het bovenvermelde vast, maar doet aan het vorenstaande niets af. Op geen enkele wijze is gebleken dat vanwege de CIE, politie of openbaar ministerie onwaarheden en/of onjuistheden naar voren zijn gebracht.

Daar komt bij dat verdachte zich bij de politie lang op zijn zwijgrecht heeft beroepen en eerst op 17 januari 2013 met een verklaring over zijn DNA op de kraaienpoten is gekomen. Bovendien heeft verdachte over de vraag op welk moment zijn DNA op de kraaienpoten is terecht gekomen en op welke wijze wisselend verklaard. Het hof zal de aangetroffen DNA-sporen van verdachte op de kraaienpoten derhalve bezigen tot het bewijs.

De raadsman heeft, indien het hof de van verdachte aangetroffen DNA-sporen voor het bewijs zal bezigen,

- in voorwaardelijk zin - zijn gedane verzoeken (het hof begrijpt de verzoeken, zoals gedaan in het mailbericht van 13 mei 2014 (en herhaald ter terechtzitting van 27 mei 2014)) herhaald.

Het hof heeft ter terechtzitting van 27 mei 2014 de verzoeken van de verdediging afgewezen. Het hof ziet, gelet op het hiervoor overwogene, geen aanleiding om die beslissing te herzien. Het verzoek om de runners [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen was bovendien daarvoor al door het hof afgewezen in het tussenarrest van 1 oktober 2013. In het tussenarrest is toen aangegeven dat verdachte die getuigen wilde horen ter bevestiging van zijn verklaring dat zijn DNA op de kraaienpoten terecht is gekomen, omdat verdachte die kraaienpoten uit een loods heeft gehaald en aan CIE-runners heeft laten zien. Het hof was toen van oordeel dat geen begin van aannemelijkheid voor het alternatieve scenario van de verdachte bestond en dat verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging werd geschaad door het niet horen van deze getuigen. Ter zitting van 14 januari 2014 heeft de verdachte verklaard dat hij in een loods een tas vond, dat hij de tas heeft opengemaakt en dat hij zag dat daarin kraaienpoten zaten. Eén kraaienpoot zou hem toen door de tas heen in zijn been hebben geprikt. Na de overval in Driebergen zou verdachte zijn benaderd door de CIE-runners. Verdachte is toen weer naar de loods gegaan en heeft kraaienpoten opgehaald en meegenomen naar de plaats waar hij de CIE-runners zou ontmoeten. Verdachte kan niet zeggen of hij de kraaienpoten aan de CIE-runners heeft getoond.

Met zijn verklaring lijkt de verdachte te willen stellen dat de reden dat het DNA is aangetroffen op de kraaienpoten een andere is dan zijn betrokkenheid bij de overval in Driebergen. Uit de verklaringen van verdachte blijkt niet hoe de CIE-runners dit kunnen bevestigen. Verdachte heeft niet gesteld dat de CIE-runners iets kunnen verklaren over de omstandigheid dat verdachte de kraaienpoten in de loods vond en zich daaraan heeft geprikt. De keer dat verdachte met de CIE-runners had afgesproken en kraaienpoten bij zich zou hebben gehad, vond plaats na de overval in Driebergen. De kraaienpoten die verdachte toen bij zich zou hebben gehad, kunnen niet de kraaienpoten zijn die de politie voordien in de vluchtauto heeft aangetroffen. Het hof ziet daarom nog steeds geen verdedigingsbelang om [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen. Het bijkomende argument van de verdediging om te kunnen onderzoeken of er mogelijk vormen zijn verzuimd, maakt dat niet anders. Het verzoek om [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen wordt bijgevolg opnieuw afgewezen. Ook de andere verzoeken, die het hof reeds op 27 mei 2014 heeft afgewezen, worden opnieuw afgewezen, omdat het hof de noodzaak tot het horen van die getuigen, het beluisteren van telefoongespreken ter zitting, het toevoegen van gesprekken en schriftelijke stukken niet is gebleken."

3.4.1.

Het proces-verbaal van het openbaar deel van de terechtzitting van het Hof van 27 mei 2014 houdt het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat de gesprekken die verdachte vanuit de PI gevoerd heeft met [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ad verbatim zijn uitgewerkt en bij de gedelegeerd raadsheer-commissaris, in tegenwoordigheid van de advocaat-generaal en de raadsman, zijn uitgeluisterd. Ook het aanvankelijk gemiste gesprek van 6 januari 2014 is bij de raadsheer-commissaris boven water gekomen en uitgeluisterd. Dit gesprek is nadien ad verbatim uitgewerkt en aan de raadsman, advocaat-generaal en het hof ter beschikking gesteld.

Voorts is op 6 mei 2014 een aanvullend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de CIE-officier van justitie, mr B. Wind, en de chef TCI van de eenheid Amsterdam, F. Venema.

Het hof heeft, voor de duidelijkheid en om discussie in de toekomst te voorkomen, besloten dat deze stukken, inclusief het proces-verbaal van bevindingen van 8 april 2014, opgemaakt door F. Venema, als processtukken aan het dossier zullen worden toegevoegd, zo dat niet reeds is geschied.

Voorts maakt de voorzitter melding van de mail van de raadsman van 13 mei 2014 waarin hij enkele nadere onderzoekswerken heeft geformuleerd, de mail van de advocaat-generaal van 14 mei 2014 en de mail van de griffier van het hof van 15 mei 2014 inhoudende de beslissing van de Voorzitter dat vooralsnog geen aanleiding wordt gezien om in de nader geformuleerde onderzoekswensen van de raadsman te bewilligen."

3.4.2.

Het proces-verbaal van de niet in het openbaar gehouden terechtzitting van het Hof van 27 mei 2014 houdt het volgende in:

"De raadsman voert het woord - zakelijk weergegeven -:

In mijn mail van 13 mei 2014 heb ik enkele nadere verzoeken gedaan. Het gaat daarbij om de alternatieve lezing die cliënt heeft gegeven over hoe het kan zijn dat zijn DNA op een aantal kraaienpoten terecht is gekomen. Deze lezing is niet door de rechtbank geloofd. Uw hof heeft aanvankelijk, bij tussenarrest van 1 oktober 2013, geconcludeerd dat er geen begin van aannemelijkheid van het alternatieve scenario bestond, gelet op de brief van CIE-officier De Wind van 27 januari 2013. Dat begin is er, wat mij betreft, wel gekomen. Cliënt heeft immers mijn suggestie aangegrepen om zelf telefonisch contact te zoeken met [betrokkene 2] vanuit de PI. Deze gesprekken ondersteunen het begin van aannemelijkheid van het alternatieve scenario van verdachte. Naar aanleiding van deze telefonische contacten heeft uw hof op de vorige inhoudelijke terechtzitting besloten dat deze tapgesprekken uitgewerkt en beluisterd dienden te worden. Ook het gesprek van 6 januari 2014 bleek er uiteindelijk wel te zijn, hoewel de ad verbatim uitwerking daarvan helaas lang op zich heeft laten wachten.

Mijn eerste verzoek is het beluisteren van de opgenomen gesprekken ter terechtzitting van uw hof. Het gaat dan slechts om de gesprekken die cliënt met [betrokkene 2] heeft

gevoerd en niet om het gesprek dat cliënt met [betrokkene 1] heeft gevoerd. Ik wil deze gesprekken ter terechtzitting beluisteren aangezien ik de ad verbatim uitgewerkte tekst van het gesprek van 6 januari 2014 nog niet heb kunnen vergelijken met de audioversie. Bovendien wil ik met u luisteren naar de gesprekken om te horen of er bepaalde intonaties waarneembaar zijn.

Het is juist dat ik het gesprek van 6 januari 2014 al heb beluisterd bij de raadsheer-commissaris maar toen was de ad verbatim uitgewerkte versie nog niet voorhanden. Ik meen mij van het gesprek te herinneren, ik heb daarvan ook aantekeningen gemaakt, dat [betrokkene 2] heeft aangeboden om op te treden als getuige in de strafzaak van cliënt. Dat wordt later echter door hem ontkend. Ik wil daarbij wijzen op het proces-verbaal van bevindingen van Wind van 13 januari 2014."

3.4.3.

Het in 3.4.1 vermelde proces-verbaal houdt voorts het volgende in:

"De voorzitter deelt, naar aanleiding van de op het niet openbare gedeelte van de terechtzitting gedane verzoeken van de raadsman de beslissing van het hof mede.

De verzoeken van de raadsman, zoals vervat in de mail van 13 mei 2014 en zoals ter terechtzitting herhaald en nader toegelicht, worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.

Het hof stelt voorop dat deze verzoeken zijn gedaan in het licht van de alternatieve verklaring van verdachte over hoe het kan dat zijn DNA op de kraaienpoten terecht is gekomen. De verdediging wenst uit een andere bron dan verdachte bevestiging te zien voor dat alternatieve scenario. Ingewikkeld daarbij is dat verdachte wisselend heeft verklaard over de vraag of het DNA op de kraaienpoten terecht is gekomen door contacten met de CIE en hoe of juist op een eerder moment. Uit de uitgewerkte tapgesprekken is echter wel gebleken - en in zoverre bevestigd - dat er contacten met de CIE zijn geweest en dat er met de CIE is gesproken over kraaienpoten. Dit volgt ook uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 mei 2014, opgemaakt door Wind en Venema. Dat de CIE niet in een eerder stadium op eigen initiatief opening van zaken heeft gegeven over de contacten die verdachte met de CIE onderhield, is gelegen in het algemene opsporings- en afschermingsbelang. Het is nu aan de rechter om de waarde van het door verdachte geschetste alternatieve scenario te wegen.

De verzoeken van de raadsman zijn gelet op het vorenstaande onvoldoende onderbouwd en overigens ook niet noodzakelijk. De verzoeken worden daarom afgewezen."

3.5.1.

De verdediging heeft herhaalde malen, laatstelijk ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi, het verzoek gedaan de CIE-runners '[betrokkene 1]' en '[betrokkene 2]' als getuigen te horen. Aan dat verzoek is ten grondslag gelegd dat de verdachte - die betwist dat hij betrokken is geweest bij het strafbare feit, in het opsporingsonderzoek waarvan kraaienpoten zijn aangetroffen waarop celmateriaal met het DNA-profiel van de verdachte - vóór de overval in Driebergen op 24 mei 2011 met deze runners, althans met '[betrokkene 2]', heeft gesproken over door de verdachte aangetroffen kraaienpoten en dat reeds vóór de overval in Driebergen celmateriaal van de verdachte op de kraaienpoten is terechtgekomen.

Het Hof heeft het (laatste) verzoek afgewezen op de in zijn overwegingen in het arrest vermelde gronden. Die houden, kort gezegd, in dat het proces-verbaal van de CIE weliswaar inhoudt dat de CIE-runner '[betrokkene 2]' met de verdachte over kraaienpoten heeft gesproken, maar dat daaruit niet volgt dat de verdachte die kraaienpoten aan de CIE heeft laten zien of dat met betrekking tot die kraaienpoten door de verdachte en de CIE afspraken zijn gemaakt. Klaarblijkelijk heeft het Hof daaraan de conclusie verbonden dat uit hetgeen de CIE-runners kunnen verklaren niets valt af te leiden over de mogelijkheid dat DNA-sporen van de verdachte op de kraaienpoten zijn terechtgekomen vóór de overval in Driebergen, zodat het horen van de runners niet noodzakelijk is. Dat oordeel is evenwel niet zonder meer begrijpelijk.

3.5.2.

Het tweede middel is terecht voorgesteld.

3.6.1.

Het Hof heeft het verzoek van de verdediging om ter terechtzitting de opgenomen tapgesprekken te beluisteren, als onvoldoende onderbouwd en overigens ook niet noodzakelijk afgewezen. Gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, zoals weergegeven in 3.4.2, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.

3.6.2.

Het derde middel is terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voor zover in cassatie aan de orde - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2015.