Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1786

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
14/01961
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1005, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:1260, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Toebehoren i.d.z.v. art. 317 Sr. 2. Noodweerexces. Ad 1. Het in ’s Hofs overwegingen besloten liggende oordeel dat de bezitter van een goed, ongeacht de vraag of hij tevens de eigenaar daarvan is, kan worden aangemerkt als degene aan wie het goed toebehoort i.d.z.v. art. 317 Sr geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Opmerking verdient dat voor de beantwoording van de vraag of een goed aan een ander “toebehoort” i.d.z.v. art. 317 Sr op zichzelf niet van belang is of het een illegaal goed is van een zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, dan wel dat het enkele aanwezig hebben van dat goed reeds strafrechtelijke aansprakelijkheid met zich brengt. De – niet dragende – overwegingen van het Hof dat “het bezit dan wel de eigendom van (een partij) cocaïne geen rechtsgoed is in de zin van een door de rechtsorde beschermd belang” en dat “de in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent de vraag betreffende het toebehoren van rechtsgoederen derhalve niet kunnen worden toegepast ter zake de vraag wie rechthebbende is van de partij cocaïne in deze” zijn derhalve onjuist. Ad. 2. ’s Hofs verwerping van het beroep op noodweerexces steunt kennelijk op de onjuiste opvatting dat (een partij) cocaïne geen “goed” is i.d.z.v. art. 41.1 Sr, zodat het Hof het beroep op noodweerexces op ontoereikende gronden heeft verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0307
JIN 2015/163 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
NJB 2015/1421
RvdW 2015/923
NJ 2016/39

Uitspraak

7 juli 2015

Strafkamer

nr. 14/01961

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 11 april 2014, nummer 22/005293-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982.

1 Geding in cassatie

Het beroep - dat blijkens de daarvan opgemaakte akte niet is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft feit 1 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Bewezenverklaring, bewijsvoering en beslissingen op gevoerde verweren

2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 02 april 2011 in het arrondissement Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (inhoudende een grote hoeveelheid cocaïne), toebehorende aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2], welke bedreiging met geweld bestond uit het met zijn mededader

- met hoge snelheid en op korte afstand achter de in een auto zittende [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan te rijden, zulks nadat eerder een schietpartij had plaatsgevonden

waardoor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] schotwonden hadden opgelopen en

- hoorbaar voor [betrokkene 2] met een vuurwapen te schieten."

2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

"Op 2 april 2011, op de parkeerplaats tussen de Havixhorst en de Broekhorst in Alphen aan den Rijn (hierna ook: de parkeerplaats), vindt vlak na middernacht een ontmoeting plaats tussen enerzijds de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] en anderzijds [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4]. Deze ontmoeting zou gaan over de verkoop van drie kilo cocaïne, door de verdachte en zijn medeverdachte aan (een van) de genoemde vier anderen.

[betrokkene 2], [betrokkene 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 1] arriveren in een Renault Laguna op de genoemde parkeerplaats. [betrokkene 2] parkeert deze auto achterwaarts - derhalve met de neus naar de straat gericht - in één van de parkeervakken. Vanaf de voorzijde van de Renault Laguna bezien, staan aan de linkerzijde een witte Hyundai bestelbus en rechts een witte Ford Fiësta en daarnaast een rode Fiat 500 geparkeerd. [betrokkene 2] en [betrokkene 4] stappen uit de Renault Laguna. [betrokkene 1] en [betrokkene 3] blijven in de auto zitten. Vervolgens arriveert medeverdachte [medeverdachte] samen met [betrokkene 6], een kennis, in diens auto. Verdachte en zijn vriendin [betrokkene 5] arriveren in een Kia Ceed. [betrokkene 6] rijdt weg nadat de verdachte uit de auto is gestapt. Verdachte parkeert zijn auto in de directe omgeving van de afgesproken ontmoetingsplek en stapt ook uit. Hij heeft de tas met de cocaïne bij zich. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] lopen samen in de richting van [betrokkene 2] en [betrokkene 4] en vervolgens lopen zij alle vier naar de plek waar de Renault Laguna is geparkeerd.

Op enig moment loopt verdachte terug naar zijn auto. [medeverdachte] neemt plaats in de Renault Laguna. Op dat moment ligt de tas met cocaïne ook in die auto. Hoewel de verklaringen hieromtrent niet eensluidend zijn, is het duidelijk dat [medeverdachte] zich op enig moment weer buiten de auto bevindt en dat tussen hem en [betrokkene 3] een worsteling plaatsvindt. Ook kan worden aangenomen dat [medeverdachte] tijdens deze worsteling op de grond ligt en op enig moment een wapen in zijn handen heeft. [betrokkene 3] roept dan: "Hij heeft een pistool", stapt in de Renault Laguna en de auto wordt gestart. De tas met cocaïne ligt nog steeds in de auto.

Terwijl de Renault Laguna uit het parkeervak wegrijdt en een bocht naar links maakt richting de Broekhorst, schiet [medeverdachte] - die zich op dat moment links en op korte afstand van de bestuurderszijde van de Renault Laguna bevindt - meermalen in de richting van die Renault Laguna. Hierbij worden alle vier de inzittenden geraakt. [betrokkene 4] en [betrokkene 3] worden in het hoofd geraakt, [betrokkene 2] ter hoogte van de linkerborst, schouder en achterarm en [betrokkene 1] in de linkerschouder.

De Renault Laguna rijdt weg en [medeverdachte] rent vervolgens in de richting van de Kia Ceed. Hij stapt in de auto en zegt tegen verdachte en [betrokkene 5] dat 'ze' hem hebben geript, dat hij is geslagen en dat de cocaïne is afgepakt. Ook zegt [medeverdachte] dat hij 'hen' heeft geschoten. De verdachte en [medeverdachte] besluiten de Renault Laguna achterna te rijden om te proberen de cocaïne terug te krijgen. Ze rijden - met verdachte aan het stuur - daarbij met hoge snelheid en op korte afstand achter de Renault Laguna aan. Op enig moment gooit [betrokkene 1] de tas met cocaïne uit het raam van de auto. Hierop stopt verdachte de auto, [medeverdachte] stapt uit, pakt de tas, stapt weer in en rijdt met verdachte en [betrokkene 5] naar Rotterdam. De inzittenden van de Renault Laguna rijden naar het Bleuland Ziekenhuis in Gouda. Daar blijkt dat zowel [betrokkene 3] als [betrokkene 4] zijn overleden door orgaanschade aan de hersenstam ten gevolge van een doorschot in het hoofd.

(...)

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 maart 2014 is door de raadsman betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde afpersing. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het in de tenlastelegging omschreven goed, te weten de cocaïne, aan de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] toebehoorde en derhalve niet geheel of gedeeltelijk aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] of aan een ander dan verdachte en medeverdachte [medeverdachte].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de hiervoor (...) beschreven feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de cocaïne wilde verkopen en dat [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] de cocaïne van [medeverdachte] en de verdachte hebben 'geript'. Aan de verdachte is onder 1 meer subsidiair ten laste gelegd dat hij [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] vervolgens - kortgezegd - met geweld heeft gedwongen de hen toebehorende cocaïne af te geven.

Vooropgesteld dient te worden dat (het een feit van algemene bekendheid is dat) cocaïne een illegaal goed is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en mitsdien vatbaar voor onttrekking aan het verkeer op grond van artikel 36c, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast brengt het enkele aanwezig hebben van cocaïne reeds strafrechtelijke aansprakelijkheid in de zin van artikel 2, onder C, in samenhang met artikel 10, derde lid van de Opiumwet met zich.

Tegen die achtergrond bezien is het hof van oordeel dat het bezit dan wel de eigendom van (een partij) cocaïne, zoals waarvan in deze zaak sprake is, geen rechtsgoed is in de zin van een door de rechtsorde beschermd belang. De in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent de vraag betreffende het toebehoren van rechtsgoederen kunnen derhalve niet worden toegepast ter zake de vraag wie rechthebbende is van de partij cocaïne in deze.

Naar oordeel van het hof konden [betrokkene 1] en [betrokkene 2], nadat zij, samen met de andere twee inzittenden van de Renault Laguna, [medeverdachte] de cocaïne hadden afgenomen als heer en meester daarover beschikken. Toen zij met de auto, waarin zich de tas met cocaïne bevond, van de parkeerplaats wegreden, behoorde de cocaïne hen dus daadwerkelijk toe in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht zodat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de zin van die bepaling door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] konden worden gedwongen tot afgifte hiervan.

Het hof verwerpt het verweer."

2.3.

Het Hof heeft met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen en beslist:

"Verweer met betrekking tot (extensief) noodweerexces

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman voorts betoogd dat de verdachte ter zake van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat dat de verdachte heeft gehandeld uit extensief noodweerexces. De raadsman heeft gesteld de verdachte door de afpersing weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn goed - te weten de cocaïne - veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals hiervoor reeds overwogen is het hof van oordeel dat het bezit dan wel de eigendom van (een partij) cocaïne, zoals waarvan in deze zaak sprake is, geen rechtsgoed is in de zin van een door de rechtsorde beschermd belang. De in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent de vraag naar het toebehoren van rechtsgoederen kunnen derhalve niet worden toegepast ter zake de vraag wie rechthebbende is van de partij cocaïne in kwestie.

Ook voor een geslaagd beroep op noodweer is - naar het oordeel van het hof - allereerst vereist dat het gaat om een belang dat door de rechtsorde wordt beschermd. In deze is evenwel sprake van een partij cocaïne, die daar niet onder te brengen valt zodat de verdachte een beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht niet toekomt.

Daarbij is het een feit van algemene bekendheid dat in (de illegale wereld van) de drugshandel van (grote) partijen cocaïne verkopers hiervan regelmatig worden bestolen, 'geript'. Nu de verdachte in weerwil daarvan zich willens en wetens in de drugshandel (van deze omvang) heeft begeven, komt hem ook om die reden een beroep op noodweer, ter zake van de geripte partij cocaïne, niet toe.

Nu verdachte reeds geen beroep op noodweer toekomt, kan een beroep (extensief) noodweerexces naar het oordeel van het hof evenmin slagen.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat sprake was van noodweerexces als gevolg van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eens anders lijf, in dit geval dat van medeverdachte [medeverdachte] ten tijde van de worsteling tussen hem en [betrokkene 3], overweegt het hof dat nu hiervoor geen nadere motivering is gegeven, niet is in te zien waarom de verdachte - die immers niet bij de worsteling aanwezig was - zich met betrekking tot deze situatie op noodweer(exces) zou kunnen beroepen.

(...)

Het verweer wordt in alle onderdelen verworpen."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het in de tenlastelegging omschreven goed 'cocaïne' aan de verdachte en zijn medeverdachte - en derhalve niet aan de slachtoffers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] - toebehoorde, zodat geen sprake kan zijn van afpersing.

3.2.

Blijkens de hiervoor in 2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de cocaïne aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] toebehoorde in de zin van art. 317 Sr vanaf het moment dat zij met de auto, waarin zich de tas met de cocaïne bevond, van de parkeerplaats wegreden. Daartoe heeft het Hof overwogen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2], nadat zij samen met de andere twee inzittenden van de Renault Laguna, [medeverdachte] de cocaïne hadden afgenomen, daarover als heer en meester konden beschikken.

In die overwegingen ligt als oordeel van het Hof besloten dat de bezitter van een goed, ongeacht de vraag of hij tevens de eigenaar daarvan is, kan worden aangemerkt als degene aan wie het goed toebehoort in de zin van art. 317 Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.3.

De hier bedoelde overwegingen dragen dat oordeel van het Hof zelfstandig, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.

3.4.

Opmerking verdient nog dat voor de beantwoording van de vraag of een goed aan een ander "toebehoort" in de zin van art. 317 Sr op zichzelf niet van belang is of het een illegaal goed is van een zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, dan wel dat het enkele aanwezig hebben van dat goed reeds strafrechtelijke aansprakelijkheid met zich brengt. De - zoals hiervoor aangegeven niet dragende - onder 2.2 eveneens weergegeven overwegingen van het Hof dat "het bezit dan wel de eigendom van (een partij) cocaïne geen rechtsgoed is in de zin van een door de rechtsorde beschermd belang" en dat "de in het strafrecht ontwikkelde regels omtrent de vraag betreffende het toebehoren van rechtsgoederen derhalve niet kunnen worden toegepast ter zake de vraag wie rechthebbende is van de partij cocaïne in deze" zijn derhalve onjuist.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweerexces.

4.2.

Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen steunt kennelijk, zoals volgt uit de onder 2.3 weergegeven overweging van het Hof, welke overweging voortbouwt op zijn onder 2.2 weergegeven overweging, op de opvatting dat (een partij) cocaïne geen "goed" is in de zin van art. 41, eerste lid, Sr. Deze opvatting is onjuist, zodat het Hof het beroep op noodweerexces op ontoereikende gronden heeft verworpen.

4.3.

Het middel is terecht voorgesteld.

5 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel

onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de strafbaarheid van de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J. de Hullu, Y. Buruma en V. van de Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2015.