Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1749

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
14/03881
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:402, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vaststelling Nederlanderschap; art. 17 RWN. Verloren gaan Nederlandse nationaliteit door vrijwillig verkrijgen andere nationaliteit, art. 15 lid 1 onder a RWN. Uitzondering op hoofdregel (art. 15 lid 2 RWN en art. 1 lid 5 Verdrag van Straatsburg). Betekenis begrip ‘land van die andere nationaliteit’ in art. 15 lid 2 RWN. Betekenis Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS), art. 15A onder b RWN.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 15
Rijkswet op het Nederlanderschap 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1336
JWB 2015/250
RvdW 2015/798
NJ 2015/439 met annotatie van S.F.M. Wortmann
JV 2015/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 juni 2015

Eerste Kamer

14/03881

EE/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te ’s-Gravenhage,

VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.M. van Asperen,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, verzoeker in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/450275/HA RK 13-456 van de rechtbank
Den Haag van 1 mei 2014.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 16 april 2015 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) [verweerder] is op [geboortedatum] 1952 geboren in Suriname, dat toen als district deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden. Bij zijn geboorte verkreeg [verweerder] de Nederlandse nationaliteit.

(ii) Op 25 november 1975 heeft het toenmalige land Suriname zich afgescheiden van het Koninkrijk der Nederlanden en is de Republiek Suriname een soevereine staat geworden.

(iii) Eveneens op 25 november 1975 trad in werking de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (Trb. 1975, 132; hierna: TOS).

(iv) Op 25 november 1975 was [verweerder] meerderjarig en had hij zijn woonplaats in Nederland. Ingevolge de TOS behield hij daarom zijn Nederlandse nationaliteit.

( v) Op 15 maart 1983 heeft [verweerder] te Paramaribo op de voet van art. 5 lid 1 TOS geopteerd voor de Surinaamse nationaliteit, waardoor hij op grond van art. 2 lid 1 TOS de Nederlandse nationaliteit verloor.

(vi) Bij Koninklijk Besluit van 7 september 1987 herkreeg [verweerder] door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit. Dit leidde op grond van art. 11 lid 2 van de Surinaamse nationaliteitswet ertoe dat [verweerder] de Surinaamse nationaliteit verloor.

(vii) [verweerder] heeft in 2007 de Surinaamse nationaliteit aangevraagd. Bij resolutie van 5 april 2011 is hem de Surinaamse nationaliteit verleend.

(viii) Vanaf zijn geboorte tot eind juni 2011 verbleef [verweerder] afwisselend in Suriname en in Nederland. Sinds 21 juni 2011 verblijft hij onafgebroken in Nederland.

3.2.1

[verweerder] heeft op de voet van art. 17 RWN verzocht om vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit.

3.2.2

De rechtbank heeft vastgesteld dat [verweerder] zijn bij Koninklijk Besluit van 7 september 1987 herkregen Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren als gevolg van zijn vrijwillige verkrijging van de Surinaamse nationaliteit bij resolutie van 5 april 2011. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

“5.7 Verzoeker is in 1952 geboren in het District Suriname. Ten tijde van zijn geboorte (en tot 25 november 1975) was Suriname een land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Thans is de Republiek Suriname een soevereine Staat. In dit geval doet zich dus de bijzondere situatie voor dat verzoeker is geboren in een ander land, waarvan hij later vrijwillig de nationaliteit heeft verworven, maar dat dat land ten tijde van zijn geboorte geen soevereine Staat was, maar onderdeel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden. De vraag die moet worden beantwoord is of deze omstandigheid maakt dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene is geboren in het ‘land van die andere nationaliteit’ in de zin van [art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN].

5.8.

Gelet op de ratio van deze bepaling, te weten dat een persoon een meervoudige nationaliteit mag bezitten, wanneer sprake is van een daadwerkelijke en nauwe band met de andere Staat, valt niet in te zien waarom verzoeker – die gezien de [hiervoor in 3.1 onder (i)-(viii); Hoge Raad] vermelde feiten zonder meer een bijzondere band met Suriname heeft – zich niet met vrucht op de bepalingen van artikel 15 lid 2 aanhef, onder a en b, RWN kan beroepen. Hij is immers geboren in Suriname, hij had ten tijde van de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit zijn hoofdverblijf in Suriname en hij had tijdens zijn minderjarigheid gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf in Suriname. Daarbij valt evenmin in te zien waarom iemand die bijvoorbeeld is geboren in België en aan de in dit artikel genoemde voorwaarden voldoet bij vrijwillige verkrijging van de Belgische nationaliteit wel de Nederlandse nationaliteit zou mogen behouden, terwijl iemand die is geboren in het voormalige District Suriname bij verkrijging van de Surinaamse nationaliteit de Nederlandse nationaliteit zou verliezen.”

3.3

In de kern klaagt het middel dat het oordeel van de rechtbank over het in art. 15 lid 2 RWN gebruikte begrip ‘land van die andere nationaliteit’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het middel heeft de rechtbank miskend dat art. 15 lid 2 RWN uitzonderingen bevat op de hoofdregel van art. 15 lid 1, aanhef en onder a, RWN dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit, en dat het begrip ‘het land van die andere nationaliteit’ slechts ziet op een andere soevereine staat. Nu de Republiek Suriname eerst op 25 november 1975 een soevereine staat is geworden, kunnen personen, zoals [verweerder], die voor die datum in het district of het land Suriname werden geboren en op die datum meerderjarig waren, geen beroep doen op de uitzonderingen van art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN, aldus het middel.

3.4.1

Het middel faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [verweerder] zijn in 1987 herkregen Nederlandse nationaliteit niet heeft verloren als gevolg van de in 2011 aan hem verleende Surinaamse nationaliteit. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.4.2

Art. 15 RWN bevat de gronden waarop het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat. Het eerste lid onder a van dat artikel bepaalt dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit. Deze verliesgrond is ontleend aan art. 1 lid 1 Verdrag betreffende beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, 4; hierna: Verdrag van Straatsburg).

3.4.3

Art. 15 lid 2 RWN bevat drie uitzonderingen op de hoofdregel van art. 15 lid 1, aanhef en onder a, RWN, welke uitzonderingen stroken met art. 1 lid 5 Verdrag van Straatsburg. Ingevolge art. 15 lid 2 RWN gaat de Nederlandse nationaliteit niet verloren indien de persoon die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt, in het land van die andere nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft (onder a), voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft gehad (onder b), of gehuwd is met een persoon die die andere nationaliteit bezit (onder c).

3.4.4

Blijkens de stukken, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4 en 2.7, heeft art. 1 lid 5 Verdrag van Straatsburg tot doel de integratie van (tweede generatie) immigranten in het land van hun verblijf te bevorderen door hun de mogelijkheid te bieden om de nationaliteit van dat land te verwerven zonder dat zij daardoor hun oorspronkelijke nationaliteit verliezen. Nederland heeft ter uitvoering daarvan art. 15 lid 2 RWN ingevoerd, welke bepaling in de daarin omschreven gevallen meebrengt dat een Nederlander, in afwijking van de in art. 15 lid 1 RWN neergelegde hoofdregel, het Nederlanderschap niet verliest indien hij vrijwillig de nationaliteit van een ander land verkrijgt. Bij de invoering van deze bepaling is verwezen naar het hiervoor vermelde oogmerk dat aan art. 1 lid 5 Verdrag van Straatsburg ten grondslag ligt (Kamerstukken II 1997-1998, 25 891 (R 1609), nr. 3, p. 2-3, geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.7).

Anders dan de Staat betoogt, brengt het aan art. 1 lid 5 Verdrag van Straatsburg en art. 15 lid 2 RWN ten grondslag liggende oogmerk om de integratie van (tweede generatie) immigranten te bevorderen, echter niet mee dat art. 15 lid 2 RWN slechts van toepassing is in de situatie dat d e desbetreffende Nederlander een (tweede generatie) immigrant is in het andere land. De tekst van art. 15 lid 2 RWN is immers niet op die situatie toegesneden, maar houdt in dat de betrokken Nederlander een voldoende band met dat andere land heeft, of heeft gehad, op een van de in dit lid onder a tot c precies omschreven gronden.

3.4.5

De Staat heeft voorts betoogd dat met ‘het land van die andere nationaliteit’ in art. 15 lid 2 RWN slechts gedoeld kan zijn op (de nationaliteit van) een andere soevereine staat. Dat betoog is op zichzelf juist, maar leidt niet tot de door de Staat daaraan verbonden conclusie. De woorden ‘het land van die andere nationaliteit’ verwijzen naar het bepaalde in art. 15 lid 1, aanhef en onder a, RWN dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat ‘door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit’. Daarom is met ‘het land van die nationaliteit’ in lid 2 gedoeld op het land (de soevereine staat) waarvan de Nederlander de nationaliteit verkrijgt als bedoeld in lid 1 onder a, en derhalve het land (de soevereine staat) zoals bestaand ten tijde van die naturalisatie. Noch de tekst, noch de strekking van art. 15 lid 2 RWN, noch de parlementaire geschiedenis daarvan, biedt echter aanknopingspunten om deze bepaling buiten toepassing te laten in gevallen waarin de staat waarvan de meerderjarige Nederlander de nationaliteit vrijwillig verkrijgt, ten tijde van diens geboorte aldaar dan wel ten tijde van diens verblijf aldaar als minderjarige, nog niet als zelfstandige en soevereine staat bestond maar nog deel uitmaakte van een andere soevereine staat (hierna: nieuwe soevereine staat).

De in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, RWN omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap komt derhalve ook toe aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en

- op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder a, RWN), dan wel

- als minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf heeft gehad op het grondgebied van die staat voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder b, RWN).

3.4.6

In cassatie staat als onbestreden vast (zie rov. 5 van de bestreden beschikking) dat [verweerder], die op 7 september 1987 (wederom) de Nederlandse nationaliteit had verkregen, (i) op [geboortedatum] 1952 is geboren in het district Suriname, (ii) tijdens zijn minderjarigheid gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf in het district of het land Suriname heeft gehad, en (iii) ten tijde van de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit op 5 april 2011 zijn hoofdverblijf in Suriname had. Gelet daarop heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat – ook al was Suriname ten tijde van de gebeurtenissen (i) en (ii) nog geen zelfstandige en soevereine staat – [verweerder] ingevolge art. 15 lid 2, aanhef en onder a én onder b, RWN, het Nederlanderschap niet heeft verloren toen hij op 5 april 2011 (wederom) de Surinaamse nationaliteit verkreeg.

3.4.7

Anders dan de Staat nog heeft betoogd, dwingt de TOS niet tot een andere uitleg van art. 15 lid 2 RWN. Blijkens de preambule voorziet de TOS erin dat “in verband met het onafhankelijk worden van Suriname een nationaliteitenregeling wordt getroffen”. De TOS staat dan ook niet in de weg aan de toepassing van art. 15 lid 2 RWN op personen wier nationaliteit eerder ingevolge de TOS is bepaald. Ook art. 15A, aanhef en onder b, RWN, waarin is bepaald dat het Nederlanderschap verloren gaat voor een meerderjarige die ingevolge de TOS de Surinaamse nationaliteit verkrijgt, laat onverlet dat art. 15 lid 2 RWN (indien aan de voorwaarden daarvan is voldaan) het verlies van het Nederlanderschap belet indien een meerderjarige vrijwillig de Surinaamse nationaliteit verkrijgt anders dan ingevolge de TOS, zoals het geval was bij de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit door [verweerder] op 5 april 2011.

3.5

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 387,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion en

M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 26 juni 2015.