Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1748

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
14/05498
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:406, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2014:2903, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHAMS:2016:2125
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Machtiging curatele (art. 1:386 BW). Verkoop van een pand (art. 1:345 lid 1 BW). Belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1339
JWB 2015/251
RvdW 2015/799
NJ 2015/336 met annotatie van S.F.M. Wortmann
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 juni 2015

Eerste Kamer

14/05498

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. M.A.J.G. Janssen,

t e g e n

1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],

2.[verweerster 2],
wonende te [woonplaats],

3. [verweerster 3],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerders] c.s.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 2365464/13-85895 van de kantonrechter te Leiden van 17 oktober 2013;

b. de beschikking in de zaak 200.140.403/01 van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2014.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerders] c.s. hebben geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2014 en tot verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [verzoeker], verweerder in cassatie onder 1 (hierna: [verweerders]) en verweerster in cassatie onder 2 (hierna: [verweerster 2]) zijn kinderen van verweerster in cassatie onder 3 (hierna:
    de moeder).

  • -

    ii) De moeder is bij beschikking van 23 mei 2013 van de kantonrechter te Leiden onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis met benoeming van [verweerders] en [verweerster 2] tot curatoren (hierna: de curatoren).

  • -

    iii) [verzoeker] is bewoner en huurder van het woon/winkelpand aan de [a-straat] te [plaats] (hierna: het pand).
    Het pand is eigendom van de moeder.

3.2

[verweerders] heeft – met instemming van [verweerster 2] – bij verzoek van 16 september 2013 de kantonrechter verzocht hem toestemming te verlenen om initiatieven tot verkoop van het pand te ondernemen (art. 1:386 in verbinding met art. 1:345 lid 1, aanhef en onder a, BW). De kantonrechter heeft toestemming verleend voor de verkoop van het pand in bewoonde staat tegen een minimale verkoopprijs van € 150.000,--.

3.3.1

[verzoeker] heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hij heeft het hof verzocht die beschikking te vernietigen en een machtiging tot verkoop aan hem te verlenen, dan wel het verzoek geheel af te wijzen.

3.3.2

Het hof heeft [verzoeker] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“3. De appellant stelt met betrekking tot de ontvankelijkheid van zijn hoger beroep dat hij (…) rechten heeft die rechtstreeks door de veel te ruime machtiging tot verkoop worden geschonden. De appellant heeft verschillende aan de onroerende zaak verbonden rechten, waaronder huurrechten en het recht van eerste koop. Deze huurrechten komen door een verkoop deels te vervallen, omdat verschillende huurafspraken zijn gemaakt die specifiek en direct te maken hebben met de moeder-zoon verhouding. Het recht van eerste koop kan tegen een nieuwe verhuurder al helemaal niet worden ingeroepen, aldus de appellant. Bovendien heeft de appellant inmiddels recht op levering verkregen, nu beide curatoren hem (…) de gelegenheid hebben gegeven om de onroerende zaken te kopen. (…)

6. (…) het [gaat] ook bij een machtigingsprocedure (artikel 1:386, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek in verbinding met artikel 1:345 BW) om een beperkte regeling, waarbij slechts de curanda en de curatoren zijn betrokken. De machtigingsprocedure waarover het in het onderhavige geding gaat, kan niet worden aangemerkt als een ‘zaak van curatele' als bedoeld in artikel 798, lid 2 Rv, nu de in die bepaling opgenomen uitbreiding van de kring van belanghebbenden niet in overeenstemming is met de aard en strekking van een dergelijke procedure. Appellant kan als zoon dan ook niet als belanghebbende in de zin van artikel 798, lid 2 Rv worden aangemerkt. Evenmin is hij belanghebbende in de zin van het eerste lid van dit artikel. De zaak heeft immers, niet rechtstreeks betrekking op zijn rechten of verplichtingen. De conclusie is, dat de appellant niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep.”

3.4

Het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Het betoogt dat het hof [verzoeker] als belanghebbende had moeten aanmerken op grond van diens rechten ten aanzien van de onroerende zaak.

3.5

Het hof heeft zijn oordeel dat [verzoeker] niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, enkel gemotiveerd met de overweging dat de zaak niet rechtstreeks betrekking heeft op diens rechten of verplichtingen. Daarbij is het niet ingegaan op de – in rov. 3 van zijn beschikking vermelde – stellingen van [verzoeker] die betrekking hebben op de specifieke omstandigheden van dit geval, in het bijzonder de stelling dat [verzoeker] rechten uit de huurverhouding met zijn moeder ten dele samenhangen met de moeder-zoonverhouding en niet tegen een nieuwe verhuurder kunnen worden ingeroepen.

In een geval als het onderhavige kan de huurder in elk geval als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv worden aangemerkt indien aannemelijk is dat toewijzing van het verzoek leidt tot een dreiging van inbreuk op zijn rechten als huurder. Indien het hof ervan is uitgegaan dat de zojuist vermelde stellingen van [verzoeker] over de huurverhouding hem nog niet tot belanghebbende maken, is het derhalve uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof op andere gronden aan die stellingen is voorbijgegaan, heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.

3.6

Het middel is in zoverre gegrond. Het behoeft voor het overige geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 augustus 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerders] c.s. (verweerders) in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 377,49 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 26 juni 2015.