Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1726

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
26-06-2015
Zaaknummer
14/06010
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:4404, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 5a Wet OB; artt. 33 en 34 BTW-richtlijn 2006; art. 22 Verordening (EG) nr. 1777/2005. Afstandsverkopen worden pas verricht op de plaats van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen nadat de drempel van het voor de lidstaat van aankomst aangewezen bedrag aan afstandsverkopen is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1381
V-N 2015/32.18 met annotatie van Redactie
BNB 2015/170
Belastingadvies 2015-19.8
FutD 2015-1573 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/1916 met annotatie van Mr. C.C. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

Nr. 14/06010

26 juni 2015

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 oktober 2014, nrs. 13/00130 en 13/00131, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 11/5499 en AWB 11/6144) betreffende de aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2010 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking, alsmede de ter zake van het tijdvak 1 april 2011 tot en met 30 juni 2011 gegeven boetebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende handelt vanuit Nederland in kleding en bijbehorende accessoires. Deze artikelen worden door haar onder meer via een webwinkel verkocht.

2.2.

Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat de onderhavige naheffingsaanslag moet worden verminderd met een door belanghebbende, bij haar aangifte over hetzelfde tijdvak waarop de onderhavige naheffingsaanslag betrekking heeft, voldaan bedrag aan omzetbelasting aangezien dat bedrag betrekking zou hebben op door belanghebbende via haar webwinkel aan particuliere afnemers in Duitsland verkochte en afgeleverde artikelen. Het Hof heeft deze stelling verworpen omdat - aldus het Hof - in het eerste kwartaal van 2010 de hiervoor bedoelde verkopen nog niet het bedrag van € 100.000 hebben overschreden. Alsdan is naar het oordeel van het Hof voor het toepassen van artikel 5a van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) met betrekking tot die verkopen in het onderhavige tijdvak geen plaats, aangezien de plaats van levering eerst na het bereiken van het voormelde bedrag wordt verlegd van Nederland naar het land van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen.

2.3.1.

Middel III richt zich tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat gedurende het jaar 2010 voor meer dan € 100.000 aan particuliere afnemers in Duitsland is verkocht en afgeleverd zodat ook met betrekking tot de daarin begrepen verkopen in het eerste kwartaal 2010 in Nederland geen omzetbelasting is verschuldigd.

2.3.2.

Ingevolge artikel 5a, lid 1, van de Wet worden, voor zover hier van belang, de aan afnemers als bedoeld in artikel 33, lid 1, letter a, van BTW-richtlijn 2006 (in het bijzonder niet-belastingplichtigen) verrichte leveringen van goederen die, direct of indirect, door of voor rekening van de ondernemer die de levering verricht worden verzonden of vervoerd uit een andere lidstaat dan die van aankomst van de verzending of het vervoer, verricht op de plaats van aankomst van de verzending of het vervoer (deze leveringen hierna ook: afstandsverkopen). Ingevolge artikel 5a, lid 4, van de Wet is het eerste lid niet van toepassing op afstandsverkopen, voor zover het totaal van de vergoedingen ter zake daarvan in het lopende kalenderjaar niet meer beloopt dan het bedrag dat hiervoor bij ministeriële regeling is aangewezen, mits het totaal van die vergoedingen in het voorafgaande kalenderjaar niet meer heeft belopen dan dit bedrag. Voor afstandsverkopen met bestemming Duitsland is het zo-even bedoelde bedrag € 100.000 (vgl. artikel 2a, aanhef en letter d, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968).

2.3.3.

Artikel 5a van de Wet dient ter uitvoering van de artikelen 33 en 34 van BTW-richtlijn 2006 en moet in overeenstemming daarmee worden uitgelegd. Artikel 34, lid 1, letter b, van BTW-richtlijn 2006 bepaalt dat de in artikel 33 van BTW-richtlijn 2006 neergelegde bijzondere regel met betrekking tot de belastbaarheid van afstandsverkopen onder meer niet van toepassing is indien het totale bedrag, de btw niet inbegrepen, van de onder de voorwaarden van artikel 33 in die lidstaat verrichte leveringen in eenzelfde kalenderjaar niet hoger is dan € 100.000.

Verordening (EG) nr. 1777/2005 van de Raad van 17 oktober 2005, Pb L 288 van 29 oktober 2005 (hierna: de Verordening) bevat bepalingen ter uitvoering van de Zesde richtlijn en sedert 1 januari 2007 van BTW-richtlijn 2006 (zie voor dit laatste artikel 411, lid 2, van BTW-richtlijn 2006). Artikel 22 van de Verordening (sedert 1 juli 2011 artikel 14 van Verordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011) dient ter uitvoering van artikel 34 van BTW-richtlijn 2006 en bepaalt, kort gezegd en voor zover in dit geval van belang, dat, wanneer met betrekking tot een bepaalde lidstaat van bestemming het hiervoor bedoelde drempelbedrag van € 100.000 in de loop van een kalenderjaar wordt overschreden, afstandsverkopen belastbaar blijven in de lidstaat van vertrek of verzending van de goederen tot het tijdstip waarop een levering ingevolge een afstandsverkoop wordt verricht die leidt tot overschrijding van het drempelbedrag.

2.3.4.

Voor de toepassing van artikel 5a van de Wet betekent het hiervoor in 2.3.3 overwogene, dat – afgezien van in dit artikel opgenomen uitzonderingen die in dit geval niet van belang zijn – voor leveringen die in het kader van afstandsverkopen naar een bepaalde andere lidstaat in een kalenderjaar zijn verricht vóór het bereiken van deze grens, de plaats van levering wordt bepaald door de hoofdregel van artikel 5, lid 1, letter a, van de Wet, te weten de plaats waar de verzending of het vervoer aanvangt.

2.3.5.

Aangezien het Hof - in cassatie onbestreden - heeft vastgesteld dat het totale bedrag van de afstandsverkopen met bestemming Duitsland in het eerste kwartaal van 2010 niet meer is geweest dan het drempelbedrag van € 100.000, is op die verkopen artikel 5a, lid 1, van de Wet niet van toepassing. Middel III faalt derhalve.

2.4.

De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2015.