Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1700

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
13/01924
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:954, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen brandstichting. HR herhaalt relevante overweging uit ECLI:NL:HR:2014:3474. Gelet op de inhoud van b.m. 7 dat inhoudt dat getuige X zag dat verdachte een behoorlijke verdikking onder zijn jas had, heeft het Hof kennelijk bij vergissing in de nadere bewijsoverweging opgenomen dat zij een verdikking onder de jas van medeverdachte zag. De HR leest de bewijsoverweging in die zin verbeterd. Gelet op de - blijkens de bewijsvoering vastgestelde - f&o geeft ’s Hofs oordeel dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de bewezenverklaarde brandstichting in de Volkswagen Polo niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/829
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 juni 2015

Strafkamer

nr. S 13/01924

DAZ/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 8 maart 2013, nummer 21/003884-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.J. Verbeek, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 1 tenlastegelegde en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het onder 1 bewezenverklaarde 'medeplegen' niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 06 juni 2011 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in een auto (merk Volkswagen, type Polo), immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk benzine, althans een brandbare vloeistof over die auto gegoten en vervolgens (open) vuur in aanraking met die brandbare vloeistof gebracht, ten gevolge waarvan die auto is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer op de openbare weg, te weten de Meridiaan, geparkeerde auto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1], hoofdagent, en [verbalisant 2], aspirant, als opgenomen in het door hen op 6 juni 2011 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina's 50 en 51, onder meer inhoudende:

Op maandag 6 juni 2011, omstreeks 01.30 uur, kregen wij het verzoek van de dienstdoende centralist van de gemeenschappelijke meldkamer Utrecht om te gaan naar de Meridiaan te Amersfoort, alwaar een auto in de brand zou staan.

Omstreeks 01.35 uur waren wij ter plaatse. Wij zagen dat de betreffende auto ter hoogte van de aan de Meridiaan gelegen supermarkt stond geparkeerd. Wij zagen dat het een personenauto betrof van het merk Volkswagen, type Polo, kleur zwart en voorzien van het kenteken [AA-00-AA]. Wij zagen dat het raam aan de bijrijderzijde geheel vernield was. Wij zagen dat de binnenzijde van de auto al geheel in de brand stond. De eigenaar van de auto bleek ook ter plaatse.

Wij zagen dat er verderop in de straat, ter hoogte van nummer [1], nog een auto stond met een vernield bijrijderraam. Wij zagen dat dit een personenauto betrof van het merk Daewoo, type Lanos, kleur rood en voorzien van het kenteken [BB-00-BB]. Wij roken bij deze auto een sterke benzine lucht. Wij zagen dat in de auto, op de bijrijderstoel, een fles lag. Wij zagen dat dit een Coca Cola fles van anderhalve liter was. Wij zagen dat op de fles geen dop zat. Wij zagen dat in de fles nog een kleine laag met vloeistof zat. Wij zagen dat de mogelijk bij de fles behorende dop los op de bijrijderstoel lag. Wij zagen dat in de middenconsole een laagje met vloeistof lag. Wij roken dat de vloeistof in de fles en in de middenconsole sterk naar benzine rook. Wij hebben de fles in beslag genomen en op voorgeschreven wijze veiliggesteld voor sporenonderzoek. Wij hebben de fles afgesloten middels de dop die naast de fles lag.

(...)

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Utrecht van 22 september 2011 van de behandeling van de zaak tegen [medeverdachte], voor zover inhoudende al verklaring van [medeverdachte]:

Ik was er bij betrokken. Ik heb die nacht inderdaad [betrokkene 1] gezien en zij maakte een grapje over mijn tanden. Ik was daar met een andere jongen, ik wilde stoer doen. Ik ben bij die Daewoo gaan staan. Ik heb het raampje van die auto ingeslagen en de fles met benzine, een colafles, die ik bij me had naar binnen gegooid. Ik schrok toen ik opeens een enorme steekvlam zag bij die Polo. Ik had die fles met benzine al bij me toen [betrokkene 1] dat grapje over mijn tanden maakte. Ik had die fles onder mijn jas, ik had die benzine ongeveer 10 minuten eerder bij een benzinepomp gekocht.

7. De verklaring van [betrokkene 1] van 9 juni 2011, als opgenomen in het door de verbalisant [verbalisant 3], brigadier, op 9 juni 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 77 en 78, onder meer inhoudende:

Zondag 5 juni 2011, omstreeks 01.30 uur daaraanvolgend, inmiddels maandag 6 juni 2011, kwam ik thuis op [a-straat 1]. Ik rookte buiten nog een sigaret. Ik zat voor mijn flat op een bankje. Terwijl ik daar zat, zag ik twee mij bekende jongens op straat lopen. Ik zag, dat dit de mij bekende [verdachte] was en een jongen die ik ken als [medeverdachte]. [medeverdachte] is een Antilliaanse jongen. Ik zag, dat [verdachte] een dunne glimmende donkerkleurige jas aanhad. Ik zag, dat [verdachte] iets in de binnenzak van zijn jas had. Ik zag een behoorlijke verdikking onder zijn jas. Ik kon niet zien wat hij daarin had.

Kort daarna liepen deze jongens verder. Ik ben achter deze jongens aangelopen omdat ik vermoedde, dat zij iets gingen doen. Ik zag, dat deze jongens de [a-straat] opliepen in de richting van de Meridiaan.

Ik zag, dat deze jongens op de Meridiaan liepen. Ik vermoed, dat ik op ongeveer 30 meter afstand had van [verdachte] en [medeverdachte] was. Ik zag, dat [verdachte] iets uit zijn jaszak pakte. Ik zag daarna een plastic coca-colafles in zijn hand. Ik zag, dat [verdachte] en [medeverdachte] wegrenden in de richting van de Sextant.

De auto welke in brand stond, betrof een Volkswagen type Polo, kleur zwart. Het was mij bekend, dat deze auto eigendom was van [betrokkene 2].

8. De verklaring van [betrokkene 1] als afgelegd ter terechtzitting bij de rechtbank Utrecht op 22 september 2011, onder meer inhoudende:

In de middag van 5 juni 2011 (het hof leest 6 juni 2011) heb ik [verdachte] gezien. Ik zag dat hij een verwonding in zijn gezicht had, rondom zijn oog waren zijn wimpers en een deel van zijn wenkbrauw verdwenen. Die zondagmiddag voor de brand had ik hem ook gezien en toen had hij dat nog niet.

9. De verklaring van [betrokkene 3], afgelegd ter terechtzitting op 22 februari 2013, onder meer inhoudende:

Ik kan mij hetgeen op 6 juni 2011 omstreeks half twee 's nachts gebeurde, nog herinneren. Ik was in de flat aan het computeren. Ik hoorde een harde klap en ik heb daarop uit het raam gekeken. Ik zag niets vreemds. Na ongeveer twee minuten hoorde ik weer een harde klap. Ik keek nog een keer en ik zag iemand iets in een auto gooien. Ik zag de auto branden. Ik zag een andere jongen naar de auto lopen. Na de tweede klap zag ik dat er iets brandends in de auto werd gegooid. Daarna zijn mij geen dingen meer opgevallen.

De auto vatte van binnenuit vlam. Hij ging snel in de fik.

Toen de ene jongen iets brandends gooide, zag ik de andere jongen er naar toe lopen. Ze renden samen weg over de Meridiaan.

10. Het relaas van de verbalisant [verbalisant 3], brigadier, als opgenomen in het door hem op 9 juni 2011 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina 79, onder meer inhoudende:

Op donderdag 9 juni 2011, omstreeks 14.57 uur, sprak ik, verbalisant [verbalisant 3], telefonisch met een vrouw, zijnde;

[betrokkene 1], wonende [a-straat 1] te [plaats].

Zij deelde mij mede, dat zij zojuist, op de openbare weg te Amersfoort, de haar bekende [verdachte] had aangetroffen en gesproken. [betrokkene 1] zag, dat [verdachte] een verwonding had aan/in zijn gezicht, zijnde vermoedelijk een brandwond. Zij zag, dat de rondom het oog van [verdachte] de wimpers en de wenkbrauw waren verdwenen. Tevens was de huid rondom het oog verbrand dan wel beschadigd.

11. Het relaas van de verbalisant [verbalisant 3] voornoemd als opgenomen in het door hem op 16 juni 2011 op ambtseed opgemaakt stamproces/verbaal, dossierpagina 8, onder meer inhoudende:

Na aanhouding van [verdachte] op 14 juni 2011, bleek mij, verbalisant [verbalisant 3], uit onderzoek en verklaringen van de verdachte [verdachte] voornoemd;

- dat er lichte schroeisporen in het gezicht van [verdachte] zichtbaar waren,

- dat de wimpers van zijn linker oog nagenoeg verschroeid waren,

- dat delen van zijn wenkbrauw verschroeid waren.

- dat de huid van zijn neusvleugel links beschadigd was en rood verkleurd.

12. De verklaring van [betrokkene 4] als opgenomen in het door de verbalisant [verbalisant 3], voornoemd, op 15 juni 2011, op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, dossierpagina's 61 tot en met 63, onder meer inhoudende:

v: Heeft u op zondag 5 juni 2011 iets bijzonders aan [verdachte] gezien?

a: Nee. Ik heb niets aan [verdachte] gezien.

v: Heeft [verdachte] u iets verteld over frikadellen?

a: nee, [verdachte] heeft mij niets verteld over frikadellen. Ik weet zeker, dat [verdachte], op zondag 5 juni 2011, mij niet heeft verteld, dat hij zijn gezicht had verbrand."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Het hof leidt uit de volgende feiten en omstandigheden af dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het tenlastegelegde feit.

- Op 6 juni 2011 is rond 1:30 uur op de Meridiaan te Amersfoort een Volkswagen Polo in brand gestoken en is - op korte afstand daarvan - in een Daewoo een Coca Cola fles gevonden met een brandbare vloeistof. Bij beide auto's is een raam - het "bijrijdersraam" - ingeslagen en bij beide auto's is gebruik gemaakt van een brandbare vloeistof. In het bijzonder uit de verklaring van getuige [betrokkene 3] leidt het hof af dat de ruit van de Volkswagen Polo is ingeslagen zeer korte tijd nadat de ruit van de Daewoo was ingeslagen.

- Verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] zijn korte tijd voor de brandstichting die avond samen gezien aan de nabij gelegen [a-straat] door getuige [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft hen (uitdrukkelijk) herkend als - de haar bekende - verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. Zij zag een verdikking onder de jas van medeverdachte [medeverdachte]. Het hof hecht ook geloof aan de verklaring van deze getuige voor zover zij heeft verklaard dat zij verdachte en zijn medeverdachte naar of in de richting van de Meridiaan heeft zien lopen.

- In de aan het dossier in deze zaak toegevoegde verklaring van medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg in zijn eigen zaak heeft deze bevestigd dat hij met een andere jongen was toen [betrokkene 1] hen zag. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij van plan was samen met een ander (wiens naam hij niet heeft willen prijsgeven) een auto in brand te steken. Daartoe is benzine speciaal gekocht. Verder heeft hij verklaard dat hij het raampje van de Daewoo heeft ingeslagen en de fles met benzine die hij bij zich had, naar binnen heeft gegooid, zoals al was af te leiden uit de op de fles aangetroffen vingerafdruk. Het hof hecht voorts geloof aan de verklaring van [medeverdachte] voor zover deze inhoudt dat hij een enorme steekvlam zag bij de Polo. Het hof leidt verder uit zijn verklaring af dat verdachte ten tijde van het handelen van [medeverdachte] op de Meridiaan aanwezig was.

- De getuige [betrokkene 3] heeft verklaard gezien te hebben dat - toen hij na de tweede harde klap naar buiten keek - één jongen iets dat brandde in de auto gooide en dat de auto in brand vloog en dat een andere jongen op dat moment naar hem toe liep en dat zij vervolgens gezamenlijk weg renden schuin over de Meridiaan.

- Dat verdachte op korte afstand heeft gestaan toen de brand ontstond leidt het hof mede af uit de omstandigheid dat korte tijd na het tijdstip van de brandstichting is gebleken dat de wimpers boven het linkeroog van verdachte zijn verschroeid. De verklaring van verdachte dat dit zou zijn gebeurd bij het thuis bakken van frikadellen en al voor het tijdstip van de brandstichting hebben plaatsgevonden, acht het hof, mede in het licht van de verklaring van de moeder van verdachte die heeft verklaard van dat letsel (daarvóór) niets te hebben gezien, niet aannemelijk. In het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank d.d. 22 september 2011 staat weliswaar vermeld dat de getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij verdachte [verdachte] op 5 juni 2011 heeft gezien en dat zij zag dat zijn wimpers boven zijn oog waren verschroeid, maar het hof is van oordeel dat het bij de vermelding van de datum om een misslag gaat.

Het hof stelt vast dat de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] niet verschillen over plaats en tijd van de brandstichting maar wel over de wijze van brandstichting. De vaststellingen aan het voertuig corresponderen met de verklaring van [betrokkene 3]. Een en ander heeft - anders dan de raadsman heeft aangevoerd - echter geen gevolgen voor de beoordeling van de betrokkenheid van verdachte. Dat de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 1] verschillen over de richting van weglopen acht het hof van ondergeschikt belang.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof niet aannemelijk acht dat [betrokkene 5] in plaats van verdachte degene is die naast de medeverdachte betrokken is bij de brandstichting."

2.3.

In zijn arrest van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid en meer in het bijzonder met het oog op gevallen waarin het medeplegen niet bestaat in gezamenlijke uitvoering. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.

2.4.1.

Gelet op de inhoud van bewijsmiddel 7 dat inhoudt dat de getuige [betrokkene 1] zag dat de verdachte een behoorlijke verdikking onder zijn jas had, heeft het Hof kennelijk bij vergissing in de nadere bewijsoverweging opgenomen dat zij een verdikking onder de jas van de medeverdachte [medeverdachte] zag. De Hoge Raad leest de bewijsoverweging in die zin verbeterd.

2.4.2.

Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof onder meer het volgende vastgesteld. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] liepen korte tijd voor de brandstichting samen in de richting van de Meridiaan. [medeverdachte] heeft hierover verklaard dat hij van plan was om samen met een ander - wiens naam hij niet wil prijsgeven - een auto in brand te steken. Daartoe is speciaal benzine gekocht. Bij twee auto's - een Daewoo, type Lanos, en de in de bewezenverklaring genoemde Volkswagen Polo - is een ruit ingeslagen en is een fles met brandbare vloeistof naar binnen gegooid. [medeverdachte] heeft een colafles met benzine, die hij onder zijn jas droeg, bij de Daewoo naar binnen gegooid. Vlak voor de brandstichting in de Volkswagen Polo zag de getuige [betrokkene 1] dat de verdachte een behoorlijke verdikking onder zijn jas had. Op de Meridiaan zag [betrokkene 1] dat de verdachte iets uit zijn jaszak pakte en dat hij een colafles in zijn hand had. Nadat een brandend voorwerp in de Volkswagen Polo was gegooid, vloog deze auto in brand. De verdachte en [medeverdachte] renden vervolgens samen weg.

2.5.

Gelet op deze feiten en omstandigheden geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de bewezenverklaarde brandstichting in de Volkswagen Polo niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is de bewezenverklaring toereikend gemotiveerd.

2.6.

Het middel faalt.

3 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.

4 Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie maanden en drie weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is vastgesteld op 27 mei 2015 en gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2015.

Mr. Jörg is buiten staat dit arrest te ondertekenen.