Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1668

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
19-06-2015
Zaaknummer
14/02230
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:361, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 28 Wet WOZ en 26a, lid 2, AWR. Medebelanghebbendebeschikking voor echtgenoot van degene tot wie de waardebeschikking is gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1323
Belastingblad 2015/343 met annotatie van W.G. van den Ban
BNB 2015/202 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
V-N 2015/51.19 met annotatie van Redactie
FutD 2015-1519 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/1865 met annotatie van Mr. M.P. van der Burg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

Nr. 14/02230

19 juni 2015

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: het College) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 20 maart 2014, nr. AWB 13/4535 betreffende de ten aanzien van [X] te [Z ] (hierna: belanghebbende) gegeven beschikking op een verzoek als bedoeld in artikel 28 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) voor het jaar 2012 betreffende de onroerende zaak [a-straat] te [Z ]. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Het College heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 31 maart 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende en haar echtgenoot zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Zij wonen samen in de echtelijke woning te [Z ] (hierna: de woning). De woning staat als eigendom geregistreerd op naam van de echtgenoot.

2.1.2.

Bij beschikking van 29 februari 2012 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de woning op de voet van artikel 22 Wet WOZ naar de waardepeildatum 1 januari 2011 voor het kalenderjaar 2012 vastgesteld op € 259.000. De beschikking is bekendgemaakt aan de echtgenoot van belanghebbende. De echtgenoot van belanghebbende heeft tegen deze beschikking geen bezwaar gemaakt.

2.1.3.

Bij brief van 2 maart 2013 heeft de gemachtigde van belanghebbende de heffingsambtenaar verzocht om met betrekking tot de woning voor het jaar 2012 een ten name van belanghebbende gestelde beschikking als bedoeld in artikel 28 Wet WOZ (hierna: medebelanghebbendebeschikking) af te geven.

2.1.4.

De heffingsambtenaar heeft dit verzoek bij beschikking van 13 maart 2013 afgewezen.

2.2.

Voor de Rechtbank was in geschil of aan belanghebbende een medebelanghebbendebeschikking had moeten worden afgegeven. De Rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Tegen dit oordeel richten zich de middelen.

2.3.

Bij de behandeling van de middelen wordt het volgende vooropgesteld. Voor afgifte van een medebelanghebbendebeschikking is onder meer vereist dat de aanvrager van die beschikking aannemelijk maakt met betrekking tot de heffing van belasting te zijnen aanzien belang te hebben bij de vastgestelde waarde van een onroerende zaak. Van een dergelijk fiscaal belang is sprake indien de vaststelling van de waarde van een onroerende zaak op grond van de Wet WOZ voor het desbetreffende jaar van invloed is op enige van de aanvrager te heffen belasting (vgl. HR 11 april 2014, nr. 13/04507, ECLI:NL:HR:2014:835, BNB 2014/195).

2.4.

In het onderhavige geval heeft de Rechtbank geoordeeld dat sprake is van een fiscaal belang als hiervoor in 2.3 bedoeld. Daarbij is de Rechtbank ervan uitgegaan dat belanghebbende met betrekking tot de heffing van onroerendezaakbelasting en waterschapsbelasting te harer aanzien belang heeft bij de vastgestelde waarde. Dit oordeel, geeft, gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het tweede middel faalt dan ook.

2.5.

Doordat in artikel 30, lid 1, Wet WOZ is bepaald dat artikel 26a, lid 2, AWR van overeenkomstige toepassing is met betrekking tot de waardebepaling en waardevaststelling ingevolge de hoofdstukken III en IV van de Wet WOZ, kan onder omstandigheden de echtgenoot van degene tot wie de waardebeschikking is gericht zelf bezwaar maken tegen die beschikking. Deze mogelijkheid laat onverlet dat die echtgenoot een fiscaal belang kan hebben in de hiervoor in 2.3 bedoelde zin. Degene die een dergelijk belang heeft kan volgens artikel 28 Wet WOZ aanspraak maken op een te zijnen aanzien te nemen medebelanghebbendebeschikking. Anders dan het middel betoogt, geldt hierbij niet als eis dat die medebelanghebbende niet op de hoogte is of zou kunnen zijn van de ten aanzien van zijn echtgenoot genomen beschikking. Ook het eerste middel kan derhalve niet slagen.

3 Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie ongegrond,

verstaat dat de heffingsambtenaar van de gemeente Apeldoorn de gevraagde beschikking neemt, en

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1470 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2015.

Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn wordt een griffierecht geheven van € 493.