Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1664

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
14/01900
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:943, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:909, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afwijzingen getuigenverzoeken. 1. Verzoek horen R-C ter toetsing van de aan NN-getuige verleende status van bedreigde getuige. 2. Verzoek horen R-C over betrouwbaarheid van de door de bedreigde getuige afgelegde verklaring. Ad 1. HR herhaalt maatstaf uit ECLI:NL:HR:1998:ZD1214, NJ 1999/88. Het Hof heeft deze maatstaf niet miskend en zijn oordeel is gelet op hetgeen is aangevoerd ook niet onbegrijpelijk. Ad 2. Dit verzoek is een verzoek a.b.i. art. 331.1 jo 328 jo 315 Sv. Het Hof heeft de juiste maatstaf toegepast en zijn beslissing is, mede gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 226a
Wetboek van Strafvordering 226b
Wetboek van Strafvordering 226d
Wetboek van Strafvordering 226e
Wetboek van Strafvordering 315
Wetboek van Strafvordering 328
Wetboek van Strafvordering 331
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1267
NJ 2015/300 met annotatie van
RvdW 2015/785
NBSTRAF 2015/183
SR-Updates.nl 2015-0280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 juni 2015

Strafkamer

nr. S 14/01900

DAZ/ABO

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 april 2014, nummer 20/002530-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt over de afwijzingen door het Hof van de verzoeken tot het horen van de Rechter-Commissaris mr. Van Atteveld als getuige.

3.2.

De procesgang in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 20 tot en met 24. Kort gezegd komt die op het volgende neer. De Rechter-Commissaris mr. Van Atteveld heeft tweemaal - de tweede maal na vernietiging in hoger beroep van de eerste beslissing - een vordering van de Officier van Justitie die ertoe strekte een zogenoemde NN-getuige de status van bedreigde getuige te geven, afgewezen. In hoger beroep heeft de raadkamer van de Rechtbank ook de tweede beslissing van de Rechter-Commissaris vernietigd en aan de NN-getuige de status van bedreigde getuige als bedoeld in art. 226a Sv verleend. Bij appelschriftuur en herhaald ter terechtzitting van het Hof heeft de verdachte verzocht de Rechter-Commissaris als getuige te doen horen. Na afwijzing van dat verzoek heeft de verdachte het verzoek in een volgende terechtzitting herhaald, waarna het verzoek wederom door het Hof is afgewezen.

3.3.1.

Bij de stukken van het geding bevindt zich de voornoemde appelschriftuur. Deze houdt in:

"Ik ben voornemens de navolgende getuigen en/of getuige(n)-deskundige ter zitting te doen horen:

(...)

7. Mr. Drs. J.M.A. van Atteveld, rechter-commissaris te 's-Hertogenbosch;

De reden dat de verdediging de rechter-commissaris nader wenst te horen is zijn opmerking ten overvloede in zijn beschikking van 11 oktober 2011 waarin hij stelt dat uit zijn onderzoek is gebleken dat er 'voorts inhoudelijke redenen zijn' waarom hij van oordeel is dat de NN-getuige niet als bedreigde getuige moet worden gehoord, nu dit mogelijk een schending van het fair-trial beginsel met zich mee kan brengen.

Voorts heeft de rechter-commissaris het verzoek gedaan, bij een eventueel nieuw hoger beroep aanwezig te kunnen zijn bij de behandeling van dit beroep in de raadkamer. Aan dit verzoek is kennelijk geen gehoor gegeven.

Hieruit maakt de verdediging op dat de rechter-commissaris kennelijk zijn bedenkingen heeft bij het verlenen van de status van bedreigde getuige. De verdediging acht het van groot belang dat het hof kennis neemt van de visie van de rechter-commissaris in deze."

3.3.2.

Het Hof heeft - niet onbegrijpelijk - het verzoek aldus opgevat dat de Rechter-Commissaris mr. Van Atteveld dient te worden gehoord ter toetsing van de aan de NN-getuige verleende status van bedreigde getuige. Het Hof heeft de afwijzing van dat verzoek als volgt verwoord:

"2. NN-getuige

7. Getuige Van Atteveld

De verdediging heeft verzocht om het horen van getuige Van Atteveld, rechter-commissaris in deze zaak. Getuige Atteveld heeft de vordering van de officier van justitie tot het toekennen van de status van bedreigde getuige aan de NN-getuige afgewezen. De officier van justitie is hiertegen in hoger beroep gegaan. De raadkamer van de rechtbank 's-Hertogenbosch heeft de beslissing van getuige Atteveld vervolgens vernietigd en heeft aan de NN-getuige alsnog de status van bedreigde getuige toegekend.

(...)

Het verzoek van de verdediging om getuige Van Atteveld te horen, komt feitelijk neer op het openbreken van de procedure tot het al dan niet toekennen van de status van bedreigde getuige aan een getuige. Dit is in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

De verdediging heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die erop duiden dat in de procedure tot het toekennen van de status van bedreigde getuige aan de NN-getuige, sprake is geweest van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde op grond waarvan de procedure nietig zou moeten worden verklaard. Dat de raadkamer ervan heeft afgezien de rechter-commissaris te horen levert in elk geval niet een dergelijke schending op. Het staat ter discretie van de raadkamer om de rechter-commissaris al dan niet te horen over diens zienswijze omtrent de vraag of de status van bedreigde getuige al dan niet moet worden verleend.

Het hof wijst het verzoek tot het horen van getuige Van Atteveld dan ook af.

(...)"

3.4.

Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de wetgever de beantwoording van de vraag of een getuige terecht als een bedreigde getuige in de zin van artikel 226a Sv is aangemerkt, heeft willen onttrekken aan het oordeel van de zittingsrechter, tenzij aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge de artikelen 226a en/of 226b Sv ten aanzien van een getuige gegeven bevel dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden, zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van artikel 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM (vgl. HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1214, NJ 1999/88).

3.5.

In het licht van de onder 3.4 omschreven maatstaf gaat de klacht dat het Hof de maatstaf van het verdedigingsbelang had dienen toe te passen niet op. In aanmerking genomen hetgeen is aangevoerd tot onderbouwing van het in de appelschriftuur gedane verzoek heeft het Hof door te oordelen dat "het openbreken van de procedure tot het al dan niet toekennen van de status van bedreigde getuige aan een getuige" waarop het verzoek neerkomt, in strijd is "met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen" deze maatstaf niet miskend. Dat oordeel is gelet op hetgeen is aangevoerd ook niet onbegrijpelijk. Het middel voor zover gericht tegen de eerste afwijzing van het getuigenverzoek faalt dus.

3.6.1.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2014 heeft de verdediging verzocht de Rechter-Commissaris mr. Van Atteveld als getuige te doen horen, behalve opnieuw over het toekennen van de status van bedreigde getuige aan NN, nu ook over de betrouwbaarheid van de door die getuige afgelegde verklaring. Ook dat verzoek heeft het Hof afgewezen. Het middel richt zich ook tegen die afwijzing.

3.6.2.

Het Hof heeft de afwijzing van het verzoek betrekking hebbend op de toetsing van de status van NN als bedreigde getuige verwoord als weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 24 sub 3 "Over 2(a)". Daarbij heeft het dezelfde gronden gehanteerd als hiervoor onder 3.5 vermeld.

3.6.3.

De afwijzing van het verzoek voor zover het de betrouwbaarheid betreft van de door de bedreigde getuige NN afgelegde verklaring heeft het Hof als volgt verwoord:

"Over 2(b)

Op grond van artikel 226e Sv onderzoekt de rechter-commissaris tijdens het verhoor de betrouwbaarheid van de bedreigde getuige en legt hij daaromtrent in het proces-verbaal rekenschap af. In de onderhavige zaak is dat onderzoek en de verantwoording daarvan - overeenkomstig de wettelijke regeling - opgedragen aan de rechter-commissaris mr. Van de Ven. Het in artikel 226e Sv voorgeschreven betrouwbaarheidsoordeel komt derhalve niet toe aan mr. Van Atteveld.

Daarnaast dient het hof - bij zijn oordeel of de verklaring(en) van NN tot bewijs kunnen worden gebezigd - zich als zittingsrechter zelfstandig een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van die verklaring(en). Het hof acht het niet noodzakelijk mr. Van Atteveld in dat verband te horen of van hem een nadere schriftelijke motivering te vernemen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, zoals hierna zal worden overwogen, het dossier voldoende informatie bevat waaraan het hof de verklaringen van NN op betrouwbaarheid kan toetsen.

Ook onderdeel 2(b) van het verzoek noopt niet tot het horen van mr. Van Atteveld.

Het herhaalde verzoek om mr. Van Atteveld te horen als getuige wordt daarom afgewezen."

3.6.4.

Het verzoek tot het doen horen van de Rechter-Commissaris mr. Van Atteveld "in verband met het oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van NN", dat voor eerst is gedaan ter terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 2014 heeft het Hof afgewezen. Dit verzoek is een verzoek in de zin van art. 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 328 Sv om toepassing te geven aan art. 315 Sv. Die bepalingen zijn ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing. Het Hof heeft niet een onjuiste maatstaf toegepast. Zijn beslissing is bovendien, mede gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

3.7.

Ook in zoverre faalt het middel.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2015.