Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1655

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
13/04163
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:923, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:2135, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen, art. 420bis Sr. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:888. In het onderhavige geval gaat het om een onder verdachte in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 3.100,-. ’s Hofs bewijsvoering houdt in dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Voorts heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat niet “aannemelijk” is geworden dat dit geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Door en namens verdachte is ten verwere aangevoerd dat al het aangetroffen geld een legale herkomst had - en dus niet door eigen misdrijf is verkregen -, welk verweer door het Hof t.a.v. het bewezenverklaarde gedeelte is verworpen, terwijl de aanwezigheid van een handelshoeveelheid XTC-pillen en voorwerpen “vermoedelijk afkomstig van een hennepplantage” ook niet zodanig is dat daaruit z.m. volgt dat verdachte het geldbedrag kennelijk onmiddellijk door eigen eerdere verkoop van XTC-pillen of door hem gekweekte hennep heeft verworven of voorhanden heeft gehad. Het middel faalt.

Conclusie AG: anders

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/782
NJ 2015/340 met annotatie van N. Keijzer
NBSTRAF 2015/179 met annotatie van mr. C. van Oort
SR-Updates.nl 2015-0283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 juni 2015

Strafkamer

nr. 13/04163

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juni 2013, nummer 23/004750-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.S.A. Bovens, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 4 bewezenverklaarde "witwassen" oplevert.

2.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 4 bewezenverklaard dat:

"hij op 30 maart 2010, te Amsterdam een geldbedrag van 3.100 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal met nummer 2010079981-12 van 30 maart 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina's 1 t/m 5]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten dan wel één van hen:

Ik, 1e verbalisant ben samen met 2e, 3e en 4e verbalisant op 30 maart 2010 naar [a-straat 1] (het hof begrijpt: te Amsterdam) gegaan. De man die de deur opende gaf mij op te zijn genaamd [verdachte], geboren [geboortedatum] 1965, wonende [a-straat 1] te Amsterdam. Ik zag in de woonkamer een voorraadkast. Wij zagen in de voorraadkast twee koolstoffilters en zakken met tuinafval, waarschijnlijk afkomstig van een wietplantage.

Ik, 3e verbalisant, stelde een onderzoek in bij de voorraadkast. Ik pakte uit de kast een bruin gekleurde tas. Ik zag in deze tas een doorzichtig zakje met pillen. Ik zag zes zakjes gevuld met wit gekleurde pillen, ongeveer 100 pillen per zakje, verder zag ik een zakje met bruin gekleurde korrelige substantie. De aangetroffen pillen en de gekleurde korrelige substantie heb ik in beslag genomen. Ik zag verder in de kast een klein kistje zonder deksel liggen. Ik zag in dit kistje 9 patronen. Ik zag in een schoenendoos één patroon liggen. De patronen zijn van het kaliber 9 mm. Op een houten plank in de kast zag ik een blauwgekleurde handdoek, ik zag dat de handdoek om een vuurwapen was gewikkeld. Ik haalde de handdoek weg en zag een pistool, zwart van kleur, van het merk Beretta. Ik zag in de kast een doorzichtig doosje met hierin 18 gekleurde tabletten. Ik heb deze tabletten in beslag genomen. Ik zag in een gescheurde zak met lampenkappen die gebruikt worden bij wietplantages een wit gekleurde zak met hierin bankbiljetten. Ik zag dat het om euro's ging. Later bleek het te gaan om een bedrag van 24.450 euro. Ik, 3e verbalisant, heb dit geld inbeslaggenomen.

Ik, 1e verbalisant, stelde een onderzoek in in de schuur welke in de tuin van perceel [a-straat 1] staat. Ik zag dat de schuur een afmeting had van ongeveer vier bij twee meter. Ik zag dat de schuur vol stond met goederen die gebruikt worden bij wietplantages. Ik zag onder meer een zak vol met assimilatielampen en een regenton en twee grote koolstoffilters. Wij, 2e en 3e verbalisant, hebben een onderzoek ingesteld in de slaapkamer van de verdachte. Wij zagen een houten ladekastje staan. In de bovenste lade van deze kast zagen wij een stapel eurobiljetten liggen. Deze stapel bleek later te bestaan uit 88 biljetten van 10 euro en één biljet van 20 euro. Deze biljetten hadden een waarde van 900 euro.

(...)

6. Een geschrift, zijnde een uitkeringsspecificatie van de Gemeente Amsterdam Dienst Werk en Inkomen, gedateerd 23 maart 2010, geadresseerd aan en betreffende [verdachte] [doorgenummerde pagina 126]. Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Betaling rond de 26e op rekeningnummer [001] t.n.v. [verdachte]. € 863,86.

Uitkering: WWB bijstandsnorm alleenstaande."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 4 voorts het volgende overwogen:

"Op 30 maart 2010 zijn bij verdachte thuis geldbedragen van € 24.450,- en € 900,- aangetroffen. Het geldbedrag van € 24.450,- lag in een afgesloten kast waarin eveneens een handelshoeveelheid XTC-pillen, een vuurwapen met munitie, alsmede koolstoffilters en tuinafval, vermoedelijk afkomstig van een hennepplantage, zijn aangetroffen. Het geld lag in een stuk gescheurde zak met lampenkappen die gebruikt plegen te worden bij een wietplantage. Het bedrag van € 900,- (in een stapel kleine coupures) lag in een ladenkastje in de slaapkamer van de verdachte. De verdachte ontving volgens de gegevens van het DWI in maart 2010 enkel een bijstandsuitkering. Voorts heeft de verdachte ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij aan zijn (broodjes)zaak, die hij blijkens nadien overgelegde stukken tot eind 2009 had, alleen verlies heeft overgehouden en dat hij met het (naar het hof begrijpt: aangetroffen) geld zijn schulden wilde betalen.

Het hof constateert dat in de onderhavige zaak geen direct bewijs is verkregen dat het bij de verdachte aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is. De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden zijn echter van dien aard, dat deze - in onderling verband beschouwd - het vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Derhalve mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet en verifieerbaar is en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

De verdachte heeft op de terechtzitting bij de rechtbank verklaard dat hij een bedrag van € 15.000,- contant heeft ontvangen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor de overname van zijn broodjeszaak. Dit gegeven hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2], als getuigen bevestigd ten overstaan van de raadsheer-commissaris.

Op de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2013 heeft de raadsman namens de verdachte kopieën van drie schuldbekentenissen aan het hof overgelegd. Blijkens deze stukken zou de verdachte op 22 februari 2010 de inboedel/inventaris van zijn broodjeszaak voor een bedrag van € 4.250,- hebben verkocht aan [betrokkene 3]. Verder zou verdachte op 21 januari 2010 een bedrag van € 3.000,- hebben ontvangen van [betrokkene 4], als aflossing van een schuld van € 13.000,- in verband met de verkoop van een auto. Genoemde bedragen van € 15.000,-, € 4.250,- en € 3.000,- zouden onderdeel uitgemaakt hebben van het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag.

Het hof overweegt dat het in een dermate laat stadium overleggen van deze verklaringen - die bovendien niet origineel zijn - verschillende vragen oproept, maar zal de verklaringen - mede in aanmerking genomen dat uit het dossier blijkt dat de verdachte aan - onder andere - psychische problemen lijdt en aannemelijk is dat hij niet in staat is steeds gestructureerd en tijdig te doen wat van hem wordt (of kan worden) verlangd - in het voordeel van de verdachte bij het oordeel betrekken.

De verdachte heeft hiermee uiteindelijk enigszins concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaringen afgelegd over de herkomst van een bedrag van in totaal € 22.250,-.

De verdachte heeft met betrekking tot het resterende deel van het aangetroffen geld, te weten € 3.100,-, geen verklaring kunnen of willen geven. Het kan dan niet anders zijn dan dat het bedrag van € 3.100,- - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig is en dat de verdachte daarvan op de hoogte was.

Naar het oordeel van het hof is het ten laste gelegde witwassen daarom wettig en overtuigend bewezen voor wat betreft een gedeelte van het tenlastegelegde bedrag."

2.2.4.

Het Hof heeft het onder 4 bewezenverklaarde gekwalificeerd als "witwassen".

2.3.1.

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

2.3.2.

Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven onder 2.3.1 bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 2.3.1 bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel

(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf. (Vgl. met verdere verwijzingen HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, rov. 3.3.1 en 3.3.2.)

2.3.3.

In het onderhavige geval gaat het om een onder de verdachte in zijn woning aangetroffen geldbedrag van € 3.100,-. 's Hofs bewijsvoering houdt in dat het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Voorts heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat niet in voormelde zin "aannemelijk" is geworden dat dit geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Door en namens de verdachte is ten verwere aangevoerd dat al het aangetroffen geld een legale herkomst had - en dus niet door eigen misdrijf is verkregen -, welk verweer door het Hof ten aanzien van het bewezenverklaarde gedeelte is verworpen, terwijl de aanwezigheid van een handelshoeveelheid XTC-pillen en voorwerpen "vermoedelijk afkomstig van een hennepplantage" ook niet zodanig is dat daaruit zonder meer volgt dat de verdachte het geldbedrag kennelijk onmiddellijk door eigen eerdere verkoop van XTC-pillen of door hem gekweekte hennep heeft verworven of voorhanden heeft gehad.

2.4.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is vastgesteld op 27 mei 2015 en gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2015.

Mr. Jörg is buiten staat dit arrest te ondertekenen.