Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1601

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
13/06172
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:229, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:6935, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2016:4981
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rechtspersonenrecht. Coöperatie. Bepaling in statuten dat leden schadevergoeding moeten betalen bij uittreding. Doel en strekking eis van art. 2:60 BW, kenbaarheid en voldoende bepaalbaarheid van de aard en omvang verplichtingen. Berekening vergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1087
NJB 2015/1198
RvdW 2015/746
JWB 2015/216
RN 2015/71
RO 2015/53
AR 2015/1856
NJ 2015/437 met annotatie van P. van Schilfgaarde
JONDR 2015/839
JIN 2015/153 met annotatie van J. van der Kraan
JOR 2016/86 met annotatie van mr. M.A.J. Cremers
OR-Updates.nl 2015-0233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2015

Eerste Kamer

13/06172

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

A.

1. [eiser A1],
wonende te [woonplaats],

2. [eiseres A2]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [eiseres A3],
gevestigd te [vestigingsplaats],

4. [eiseres A4],
gevestigd te [vestigingsplaats],

5. [eiser A5],

wonende te [woonplaats],

6. [eiser A6],
wonende te [woonplaats],

7. [eiser A7],
wonende te [woonplaats],

8. [eiser A8],
wonende te [woonplaats],

9. [eiser A9],

wonende te [woonplaats],

10. [eiser A10],
wonende te [woonplaats],

11. [eiser A11],
wonende te [woonplaats],

12. [eiseres A12],
gevestigd te [vestigingsplaats],

13. [eiser A13]
,
wonende te [woonplaats],

14. [eiseres A14]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],

15. [eiser A15],
wonende te [woonplaats],

16. [eiser A16],
wonende te [woonplaats],

17. [eiser A17],
wonende te [woonplaats],

18. [eisers A18]
,
wonende te [woonplaats],

19. [eiseres A19]
,
wonende te [woonplaats],

20. [eiseres A20]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],

21. [eiser A21],
wonende te [woonplaats],

22. [eiseres A22],
gevestigd te [vestigingsplaats],

23. [eiser A23],
wonende te [woonplaats],

24. [eiseres 24],
gevestigd te [vestigingsplaats],

25. [eiser A25],
wonende te [woonplaats],

26. [eiser A26],
wonende te [woonplaats],

27. [eiser A27],
wonende te [woonplaats],

28. [eiseres A28],
gevestigd te [vestigingsplaats],

29. [eiseres A29],
gevestigd te [vestigingsplaats],

30. [eiseres A30]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],

31. [eiser A31],
wonende te [woonplaats],

32. [eiser A32]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],

33. [eiser A33],
wonende te [woonplaats],

34. [eiser A34],
wonende te [woonplaats],


a l s m e d e v a n

B.

1. [eiser B1],
wonende te [woonplaats],

2. [eiser B2],
wonende te [woonplaats],

3. [eiser B3],
wonende te [woonplaats],

4. de erven van
[eiser B4],
gewoond hebbende te [woonplaats],

5. [eiser B5],
wonende te [woonplaats],

6. [eiseres B6],
gevestigd te [vestigingsplaats],

7. [eiseres B7],
gevestigd te Lelystad,

8. [eiseres B8],
gevestigd te [vestigingsplaats],

9. [eiseres B9],
gevestigd te [vestigingsplaats],

10. [eisers B10]
,
wonende te [woonplaats],

11. [eiser B11],
wonende te [woonplaats],

12. [eiser B12],
wonende te [woonplaats],

13. [eiseres B13],
gevestigd te [vestigingsplaats],

14. [eiser B14],
wonende te [woonplaats],

15. [eiseres B15],
gevestigd te [vestigingsplaats],

16.[eiseres B16]

[eiseres B16],
gevestigd te [vestigingsplaats],

17. [eiser B17],
wonende te [woonplaats],

18. [eiseres B18],
gevestigd te [vestigingsplaats],

19. [eiser B19],
wonende te [woonplaats],

20. [eiseres B20],
gevestigd te [vestigingsplaats],

21. [eiser B21]
,
wonende te [woonplaats],

22. [eiser B22],
wonende te [woonplaats],

23. [eiseres B23]
,
gevestigd te [vestigingsplaats],

24. [eiser B24],

wonende te [woonplaats],

25. [eiser B25],
wonende te [woonplaats],

26. [eiser B26],
wonende te [woonplaats],

27. [eiser B27],
wonende te [woonplaats],

28. [eiseres B28],

gevestigd te [vestigingsplaats],

29. [eiser B29],
wonende te [woonplaats],

30. [eiser B30],
wonende te [woonplaats],

31. [eiseres B31],
gevestigd te [vestigingsplaats],

32. [eiseres B32],
gevestigd te [vestigingsplaats],

33. [eiser B33],

wonende te [woonplaats],

34. [eiser B34],
wonende te [woonplaats],

35. [eiser B35],
wonende te [woonplaats],

36. [eiseres B36],

gevestigd te [vestigingsplaats],

37. [eiseres B37],
gevestigd te [vestigingsplaats],

38. [eiseres B38],
gevestigd te [vestigingsplaats],

39. [eiser B39],
wonende te [woonplaats],

a l s m e d e v a n

C.

1. [eiser C1],
wonende te [woonplaats],

2. [eiseres C2],
gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [eiser C3],
wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie, verweerders in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. S.M. Kingma,

t e g e n

DRENTS OVERIJSSELSE COÖPERATIE KAAS B.A., handelend onder de naam D.O.C. Kaas,
gevestigd te Hoogeveen,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de melkveehouders en DOC.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaken 76441/HAZA 09-874, 76453/HAZA 09-877 en 77206/HAZA 10-2 van de rechtbank Assen van 22 december 2009, 31 maart 2010 en 3 november 2010;

b. het arrest in de zaak 200.082.447/01, 200.082.453/01 en 200.082.471/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 oktober 2012 en 10 september 2013.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof hebben de melkveehouders beroep in cassatie ingesteld. DOC heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor DOC mede door mr. F.M. Dekker.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping in het principaal en incidenteel cassatieberoep.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

( i) De melkveehouders waren tot 1 januari 2008 lid van DOC. Zij hebben hun lidmaatschap, met inachtneming van de in de statuten opgenomen opzegtermijn van drie maanden, tegen die datum opgezegd.

(ii) De destijds geldende statuten van DOC bepaalden onder meer:

“Artikel 13

1. Het gewone lid van wie het lidmaatschap, anders dan door overlijden van het lid-natuurlijke persoon, is geëindigd, is verplicht op eerste schriftelijke aanmaning van de directie een schadevergoedings-bedrag aan de coöperatie te betalen. De omvang van het te betalen bedrag zal door een door de directie aan te wijzen deskundige worden bepaald op het bedrag van de schade die de coöperatie ten gevolge van het uittreden van dat lid zal lijden, een en ander op basis van grondslagen die met inachtneming van relevante regelgeving casu quo jurisprudentie in het huishoudelijk reglement zullen worden vastgesteld met dien verstande dat de hoogte van dit bedrag maximaal vier procent (4 %) van het melkgeld dat het betreffende lid gemiddeld per jaar in de vijf voorafgaande boekjaren heeft ontvangen kan bedragen en dat indien een lid met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste een jaar opzegt, geen schadevergoeding kan worden gevorderd.”

(iii) Het huishoudelijk reglement bevatte in het jaar 2007 geen grondslagen voor het bepalen van de omvang van het te betalen bedrag als bedoeld in art. 13 lid 1 van de statuten.

(iv) Op de ledenraadvergadering van DOC van 25 oktober 2007 zijn de grondslagen voor de omvang van het te betalen bedrag als bedoeld in art. 13 lid 1 van de statuten vastgesteld. De grondslagen zijn vervolgens opgenomen in art. 7 van een nieuw huishoudelijk reglement, dat per 1 januari 2008 in werking is getreden.

( v) Bij brief van 3 oktober 2007 heeft DOC de melkveehouders onder meer bericht:

“De statuten van de coöperatie geven aan dat wanneer de opzegging binnen een termijn van 1 jaar voor het einde van het boekjaar wordt gedaan, er een vergoeding aan de coöperatie dient te worden betaald voor de schade die de coöperatie ten gevolge van het uittreden van het betreffende lid zal lijden. Zie hiervoor artikel 13 van de statuten. De maximale hoogte van deze vergoeding is hierin eveneens omschreven. We zullen voor 1 december a.s. de hoogte van dit bedrag vaststellen. Indien met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste een jaar voor het einde van het boekjaar wordt opgezegd, kan geen schadevergoeding worden gevorderd.

Wij betreuren doch respecteren uw besluit tot opzegging van het lidmaatschap van DOC Kaas en zullen de komende maanden een en ander conform de statuten afwerken.”


(vi) Hierna heeft Ernst & Young Accountants (hierna: Ernst & Young) op verzoek van de directie van DOC berekeningen van de omvang van de schade gemaakt als bedoeld in art. 13 lid 1 van de statuten. In een brief van Ernst & Young aan DOC van 29 november 2007 is het volgende vermeld:

“De externe deskundige dient vast te stellen of de schade als gevolg van de opzeggingen door de veehouders ten minste gelijk is aan 4% van het melkgeld dat de betreffende leden gemiddeld per jaar in de 5 voorafgaande boekjaren van de coöperatie hebben ontvangen. De schadevergoeding zal volgens artikel 7 van het huishoudelijk reglement worden gebaseerd op minder dekking vaste kosten, vermindering toevoeging aan de algemene reserve (winstderving), kosten bijkoop kaas c.q. melk, schade marktposities en overige relevante kosten.

Wij hebben de volgende uitgangspunten gehanteerd:

• Vaste kosten worden gedefinieerd als kosten die onafhankelijk zijn van de verwerkte hoeveelheid melk.

• De aangevoerde veehoudersmelk vermindert in 2008 als gevolg van de opzeggingen met ruim 100 miljoen kg.

• De vaste kosten zijn ontleend aan de jaarrekening van DOC Kaas B.A. over 2006. Deze jaarrekening hebben wij op 27 april 2007 voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring

• De vaste kosten voor 2007 en 2008 zijn minimaal gelijk aan 2006.

• De verwachte hoeveelheid aangevoerde veehouders-melk over 2007 is ontleend aan de door de directie opgestelde prognose.

Doordat in 2008 minder melk wordt aangevoerd dan wanneer bedoelde veehouders lid waren gebleven, moeten de vaste kosten door minder kilogrammen worden gedragen. Afname van de aangevoerde veehoudersmelk met ruim 100 miljoen kg leidt tot aanzienlijk minder dekking van vaste kosten. Dit bedrag overtreft de berekende schadevergoeding ruimschoots. De berekende schade is daarmee ten minste gelijk aan 4% van het melkgeld dat betreffende leden gemiddeld per jaar in de 5 voorafgaande boekjaren van de coöperatie hebben ontvangen. Hierbij is nog geen rekening gehouden met mogelijke schade uit hoofde van vermindering toevoeging aan de algemene reserve (winstderving), kosten bijkoop kaas c.q. melk, schade marktposities en overige relevante kosten.”

(vii) Ieder van de melkveehouders heeft een (ongedateerde) brief gekregen, waarmee hij op de hoogte is gebracht van de ten aanzien van hem berekende schadevergoeding, met daarbij een factuur, gedateerd op 30 november 2007, voor het bedrag van die schadevergoeding, met onder meer de volgende standaardtoelichting:

“Zoals reeds aangekondigd in de brief waarin wij uw opzegging van het lidmaatschap van DOC kaas hebben bevestigd, brengen wij u hierbij op de hoogte van de berekende schadevergoeding die u aan DOC kaas dient te betalen a.g.v. uw opzegging. Deze berekende schadevergoeding is gebaseerd op 4% van het gemiddelde melkgeld over de afgelopen 5 jaar of indien van toepassing een kortere periode. De maanden november en december 2007 en de nabetaling over 2007 zijn ingeschat.

De schadevergoeding is berekend op € (...) (vrijgesteld van BTW).

Nadat de jaarcijfers van DOC kaas over 2007 zijn vastgesteld door de ledenraad zal de definitieve schadevergoeding worden bepaald. Het eventuele verschil tussen het bovengenoemde bedrag en de definitieve vaststelling van de schadevergoeding zal worden verrekend met de nabetaling van het melkgeld over 2007.

U wordt vriendelijk verzocht de bijgaande factuur m.b.t. de schadevergoeding voor 31 december 2007 te betalen. Indien het bedrag niet voor deze datum door DOC kaas is ontvangen zal het bedrag met de eerstvolgende melkgeldafrekening worden verrekend.”

(viii) De melkveehouders hebben bezwaar gemaakt tegen de door DOC aangekondigde verrekening.

(ix) Ernst & Young heeft in een brief aan DOC van 28 januari 2008 een nadere toelichting gegeven op haar brief van 29 november 2007. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“Bij het opstellen van de berekening van de schade hebben wij de volgende uitgangspunten gehanteerd:

(…)

• De in rekening gebrachte schadevergoeding bedraagt maximaal 4% van het melkgeld dat het betreffende lid gemiddeld per jaar in de 5 voorafgaande boekjaren van de coöperatie heeft ontvangen. Deze schadevergoeding bedraagt in totaal € 1.522.000.

(…)

• De aangevoerde veehoudersmelk vermindert in 2008 als gevolg van de opzeggingen met 119,2 miljoen kg.

• Eind 2007 heeft DOC Kaas nieuwe veehoudersmelk aangetrokken voor een verwacht totaal van 35 miljoen kg melk (17 miljoen ledenmelk en 18 miljoen leveranciersmelk). Daarnaast heeft DOC Kaas contracten afgesloten met derden voor de levering van 17,5 miljoen kg melk. Deze contracten eindigen op 31 maart 2008.

• In 2007 is 920,2 miljoen kg kaasmelk verwerkt. Deze hoeveelheid is ontleend aan de door de directie opgestelde productieoverzichten.

(…)

• De verwachte vaste kosten voor 2007 bedragen € 32,9 miljoen. Deze kosten zijn ontleend aan de door de directie opgestelde voorlopige cijfers van DOC over 2007. Hierop heeft nog geen accountantscontrole plaatsgevonden.

Doordat in 2008 minder melk wordt aangevoerd dan wanneer bedoelde veehouders lid waren gebleven moeten de vaste kosten door minder kilogrammen worden gedragen. De vaste kosten per 100 kg kaasmelk voor 2007 kunnen op basis van bovenstaande uitgangspunten worden berekend op € 3,578 (zijnde de totale vaste kosten 2007 ad € 32,9 miljoen gedeeld door de verwerkte hoeveelheid kaasmelk van 920,2 miljoen kg, vermenigvuldigd met een factor 100 om op de kostendekking per 100 kg kaasmelk te komen). Afname van de aangevoerde veehoudersmelk c.q. kaasmelk met genoemde 119,2 miljoen kg leidt tot minder dekking van vaste kosten ad. € 4.265.000 (zijnde 119,2 miljoen kg melk vermenigvuldigd met de vaste kosten per 100 kg kaasmelk ad € 3,578 gedeeld door factor 100). Op basis van deze gegevens is ons eerste schrijven gebaseerd.

Na onze eerste rapportage hebben de volgende ontwikkelingen plaatsgevonden: DOC Kaas heeft genoemde schade weten te beperken door het
werven van nieuwe leden, leveranciers, en (kortlopende)contracten. Het totaal van leveranties bedraagt naar verwachting 52,5 miljoen kg melk (35 miljoen kg van leden en leveranties en 17,5 kg miljoen op contractbasis). Deze additioneel verkregen melk leidt tot een vaste kosten dekking van € 1.878.000 (zijnde 52,5 miljoen kg melk vermenigvuldigd met de vaste kosten per 100 kg kaasmelk ad € 3,578 gedeeld door factor 100).

Het totaal aan minder gedekte vaste kosten bedraagt € 2.387.000 (zijnde € 4.265.00 minus € 1.878.000) en is daarmee ten minste gelijk aan 4% van het melkgeld dat betreffende leden gemiddeld per jaar in de 5 voorafgaande boekjaren van de coöperatie hebben ontvangen, zijnde € 1.522.000.”

3.2

In deze (drie, gevoegd behandelde en besliste) procedures vorderen de melkveehouders betaling van het aan hen toekomende melkgeld, zonder verrekening van enige schadevergoeding. Aan deze vordering hebben zij primair ten grondslag gelegd dat een toereikende grondslag voor die schadevergoeding ontbreekt en dat zij deze daarom niet verschuldigd zijn. Subsidiair hebben zij onder meer aangevoerd dat DOC geen schade heeft geleden door hun opzeggingen.

3.3.1

Het hof heeft beslist dat DOC op grond van art. 13 lid 1 van de statuten aanspraak kan maken op een schadevergoeding van 1,84% van het gemiddeld melkgeld per jaar dat de melkveehouder in de vijf jaren voorafgaand aan de opzegging of, zo van toepassing, een kortere periode heeft ontvangen.

3.3.2

Hiertoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, bij tussenarrest als volgt overwogen.

Art. 2:60 BW bepaalt niet op welke wijze in de statuten van de coöperatie een verplichting tot betaling van een vergoeding bij uittreding moet worden vastgelegd. Gelet op art. 2:34a BW in verband met artikel 2:27 lid 4, onder c, BW, geldt voor het opleggen van die verplichting dat deze uit de statuten (voldoende) kenbaar moet zijn. Voor deze kenbaarheid is het van belang dat tenminste de aard van de verplichting wordt vermeld. (rov. 22)

De onderhavige schadevergoedingsverplichting is voldoende kenbaar uit de statuten van DOC. Uit art. 13 lid 1 is immers direct duidelijk dat het gaat om een verplichting tot vergoeding van de schade die DOC lijdt ten gevolge van de beëindiging van het lidmaatschap.Dat de grondslagen, op basis waarvan de deskundige de omvang van de schade dient te bepalen, niet in het huishoudelijk reglement van 2007 waren opgenomen, doet aan de kenbaarheid van die verplichting als zodanig niet af. (rov. 23)

Deze schadevergoedingsverplichting is ook voldoende bepaalbaar, in de zin dat het de leden voldoende houvast geeft ten aanzien van de omvang van die verplichting. Art. 13 bepaalt immers dat de uittreedvergoeding gelijk is aan de schade die de coöperatie lijdt ten gevolge van het uittreden van dat lid, met een bepaald maximum. Zowel bij de toetreding van de melkveehouders tot DOC als bij de opzegging van het lidmaatschap in 2007, was het voor de melkveehouders zonder meer duidelijk dat ze bij de beëindiging van het lidmaatschap rekening dienden te houden met ee n schadevergoedingsplicht tot maximaal vier procent van het jaarlijkse melkgeld dat de betreffende melkveehouder gemiddeld in de vijf voorafgaande boekjaren van DOC heeft ontvangen. (rov. 25)

Anders dan de melkveehouders veronderstellen, strekt de vordering van DOC niet tot betaling van een forfaitair bedrag, maar tot betaling van schadevergoeding. Daarbij gaat het om een schadeberekening op individuele basis. Aldus heeft DOC, bij gebreke van een nadere uitwerking in het huishoudelijk reglement, een invulling aan art. 13 lid 1 van de statuten gegeven die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar moet worden geacht. (rov. 27)

Bij de vaststelling van de schade kan de berekening van Ernst & Young tot uitgangspunt worden genomen, nu de daarin gehanteerde schadeberekeningsmethode niet afwijkt van hetgeen gebruikelijk is bij het berekenen van de schade in soortgelijke gevallen en de melkveehouders ook niet hebben betoogd dat de door Ernst & Young toegepaste methode van schadeberekening zich niet met de wettelijke uitgangspunten verdraagt. Ernst & Young heeft zich overigens beperkt tot de belangrijkste schadecomponent, namelijk de gelijkblijvende vaste kosten die over minder kilogrammen (melk)bestanddelen kunnen worden uitgesmeerd. Daarbij heeft Ernst & Young rekening gehouden met de inspanningen van DOC om vervangende melkleveranciers aan te trekken, waardoor een gedeelte van de aanvankelijk voorzienbare schade weer is goedgemaakt, doch volgens Ernst & Young bedraagt de totale schade ook na deze vermindering nog altijd meer dan het maximum van vier procent van het gemiddelde melkgeld van de betrokken melkveebedrijven. (rov. 35)

Of Ernst & Young de schade op juiste wijze heeft berekend, is onvoldoende toetsbaar, nu de onderliggende stukken ontbreken. DOC dient daarom gegevens te verstrekken waaruit die juistheid blijkt. (rov. 37)

3.3.3

Bij eindarrest heeft het hof hierna, eveneens voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

Vooropgesteld moet worden dat de schade moet worden begroot door de vermogenspositie waarin DOC is komen te verkeren doordat de melkveehouders het lidmaatschap hebben opgezegd, te vergelijken met de hypothetische vermogenspositie waarin zij zou zijn komen te verkeren wanneer de melkveehouders het lidmaatschap niet, althans met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste één jaar, hadden opgezegd. Het schadebedrag dient, zo veel als mogelijk, concreet te worden begroot aan de hand van de stellingen van partijen, met name aan de hand van de cijfers zoals die inmiddels zijn gebleken. Niet in geschil is dat de schadevergoeding moet worden begroot aan de hand van (i) de vaste kosten die over minder kilogrammen leden dan wel veehoudersmelk kan worden verdeeld en (ii) de kosten van bijkoop melk derden ter compensatie van het verlies van de melk van de uittredende leden. (rov. 2.6)

In het door DOC overgelegde nadere rapport van Ernst & Young van 21 december 2012 wordt de afname van veehoudersmelk berekend ten opzichte van het door de raad van beheer van DOC vastgestelde budget voor 2008 (dat wil zeggen: de voor dat jaar begrote productie), dat door DOC niet is gehaald. Niet valt echter in te zien dat het budget uitsluitend door toedoen van de vertrekkende melkveehouders niet is gehaald, nu DOC - zoals zij
zelf ook stelt - het verlies aan veehoudersmelk heeft gecompenseerd met inkoop van melk bij [A]. Dat zij haar budget niet heeft gehaald, heeft te maken met omstandigheden die buiten de invloedsfeer van de melkveehouders vallen, waaronder een krimpende afzetmarkt. Het is derhalve niet juist, zoals ook de melkveehouders betogen, om bij de berekening van de afname van veehoudersmelk uit te gaan van de door DOC voor 2008 begrote hoeveelheid. (rov. 2.8)

Voor de berekening van de mindere dekking van de vaste kosten neemt het hof als uitgangspunt de daadwerkelijke vermindering van de hoeveelheid veehoudersmelk in 2008 ten opzichte van het voorgaande jaar. Onder veehoudersmelk verstaat het hof daarbij, evenals partijen, de aan DOC geleverde melk van de leden van de coöperatie alsmede van de melkveehouders die wel vaste leverancier zijn, maar geen lid van de coöperatie. Tot de veehoudersmelk behoort niet de extra aangekochte "losse" melk. De extra kosten van, in concreto de aankoop van melk van [A], is door DOC als aparte kostenpost opgevoerd, waarover het hof hierna zal oordelen. Tot de veehoudersmelk over 2008 behoort wel de melk van de nieuwe (in 2008 toegetreden) leden en vaste leveranciers. (rov. 2.9)

Uit bijlage 2 van het nadere rapport van Ernst & Young volgt dat de plas verwerkte veehoudersmelk in 2007 in totaal 924 miljoen kg bedroeg. In 2008 bedroeg de totale melkplas 950,8 miljoen kg. Hierop dient de ingekochte melk van in totaal 49,9 miljoen kg in mindering te worden gebracht. Resteert een hoeveelheid van 901 miljoen kg (950,8 minus 49,9). De afname in veehoudersmelk in 2008 bedroeg derhalve 23 miljoen kg (924 minus 901). (rov. 2.10)

Het hiermee gemoeide theoretische dekkingsverlies voor de vaste kosten kan op basis van de eigen stellingen van DOC worden gesteld op € 700.000,-. (rov. 2.11)

Met betrekking tot de door DOC gestelde schade als gevolg van het feit dat zij elders melk heeft moeten bijkopen om haar begroting 2008 te halen, geldt dat zij bij die inkoop (49,9 miljoen kg bij [A]) per saldo een lager bedrag heeft betaald dan zij aan de melkveehouders verschuldigd zou zijn geweest. Door de bijkoop heeft DOC derhalve geen schade geleden. (rov. 2.12-2.19)

De totale schade die DOC door de opzeggingen heeft geleden, bedraagt dus € 700.000,--. Dit bedrag is lager dan het maximumbedrag dat DOC van alle opzeggende melkveehouders had kunnen vorderen, namelijk 4% van het gemiddelde melkgeld per jaar (over de - als hoofdregel - voorafgaande vijf jaar voor de opzegging) van de vertrekkende melkveehouders, dat is berekend op € 1.522.000,--. Het bedrag van € 700.000,-- gedeeld door 1.522.000,-- vermenigvuldigd met 4% komt neer op afgerond 1,84%. (rov. 2.20)

Het komt dus erop neer dat DOC gerechtigd is om aan elk van de vertrekkende melkveehouders een bedrag in rekening te brengen, gelijk aan 1,84% van het gemiddeld ontvangen melkgeld per jaar over - als hoofdregel - de vijf jaar voorafgaand aan de opzegging. (rov. 2.22)

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1.1

Onderdeel 1 keert zich tegen het hiervoor in 3.3.2 weergegeven oordeel van het hof in rov. 22-27 van zijn tussenarrest dat DOC op grond van art. 13 lid 1 van de statuten aanspraak kan maken op schadevergoeding wegens de uittreding door de melkveehouders, en dat het ontbreken van de in die bepaling genoemde regeling van de grondslagen van die schadevergoeding in het huishoudelijk reglement daaraan niet in de weg staat. Het onderdeel betoogt primair dat het hof heeft miskend dat op grond van art. 2:60 BW een uittredingsvoorwaarde in haar geheel in de statuten moet zijn opgenomen, althans dat zo’n voorwaarde ook wat betreft de grondslagen van een te betalen uittreedvergoeding in de statuten moet zijn opgenomen. In elk geval bestaat volgens het onderdeel onvoldoende grondslag voor zo’n vergoeding als de in de statuten voorgeschreven regeling in het huishoudelijk reglement niet is tot stand gekomen.

4.1.2

Art. 2:60 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat bij de statuten van de coöperatie voorwaarden kunnen worden verbonden aan de uittreding. Die voorwaarden moeten volgens de bepaling in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie. Voorts moet de vrijheid van uittreding daarbij behouden blijven. Een voorwaarde die verder gaat dan geoorloofd is, wordt in zoverre voor niet geschreven gehouden.

4.1.3

Naar het hof terecht heeft beslist, is aan de eis van art. 2:60 BW dat de uittredingsvoorwaarde is opgenomen in de statuten, voldaan als uit de statuten voor de leden deze voorwaarde kenbaar is en de aard en omvang van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor hen bepaalbaar zijn. In dat geval is immers aan het doel en de strekking van die eis voldaan.

4.1.4

Het hof heeft geoordeeld dat uit art. 13 lid 1 van de statuten van DOC voldoende kenbaar is dat sprake is van een verplichting tot vergoeding van de schade die DOC lijdt ten gevolge van de beëindiging van het lidmaatschap (rov. 23 tussenarrest). Voorts heeft het hof geoordeeld dat deze schadevergoedingsverplichting ook voldoende bepaalbaar is (rov. 25). Uit zijn overwegingen volgt voorts dat uit art. 13 lid 1 van de statuten voldoende duidelijk blijkt hoe de schadevergoeding berekend moet worden, namelijk als een concrete schadevergoeding, overeenkomstig de wettelijke uitgangspunten, en dat DOC daarom aanspraak kan maken op die vergoeding (rov. 25, 27 en 35 tussenarrest en rov. 2.6 eindarrest). In dat oordeel ligt besloten dat de omstandigheid dat in het onderhavige geval nog geen gevolg was gegeven aan de bepaling in art. 13 lid 1 van de statuten dat de grondslagen van de schadevergoeding in het huishoudelijk reglement zullen worden vastgesteld, niet verhindert dat aan de eisen van art. 2:60 BW is voldaan.

Deze oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, verweven als zij zijn met beoordelingen van feitelijke aard, in cassatie verder niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

4.1.5

Alle klachten van het onderdeel stuiten op het vorenstaande af.

4.2.1

Onderdeel 2 is gericht tegen het hiervoor in 3.3.3 weergegeven oordeel van het hof in rov. 2.9-2.11 van zijn eindarrest dat DOC als gevolg van de uittreding door de melkveehouders een schade heeft geleden van € 700.000,-- door een mindere dekking van haar vaste kosten. De onderdelen 2.1 en 2.2 stellen aan de orde dat het hof bij de berekening van deze schade buiten beschouwing heeft gelaten de extra (“losse”) melk die DCO in 2008 heeft aangekocht van [A] (49,9 miljoen kg). Volgens de onderdelen is dit onbegrijpelijk nu de vaste kosten mede door deze melk gedekt werden.

4.2.2

Zoals hiervoor vermeld, heeft het hof vastgesteld dat de schadevergoeding waarop DOC aanspraak kan maken, berekend moet worden door een vergelijking van haar vermogenspositie zonder en met de uittreding door de melkveehouders (rov. 2.6 eindarrest). Overeenkomstig het uitgangspunt van de rapporten van Ernst & Young, heeft het hof die schade in de eerste plaats berekend aan de hand van de dekking van de vaste kosten per 100 kg melk: een lagere hoeveelheid verwerkte melk (productie) leidt tot een lagere dekking van de vaste kosten en aldus kan de schade per 100 kg melk worden berekend. Anders dan Ernst & Young is het hof bij deze benadering niet uitgegaan van een vergelijking met de door DOC voor 2008 begrote productie, maar van een vergelijking met de daadwerkelijke productie in 2007, dit omdat niet blijkt dat DOC de voor 2008 begrote productie niet heeft gehaald als gevolg van de uittreding door de melkveehouders (rov. 2.8 eindarrest).

4.2.3

In de aldus door het hof gevolgde benadering moet sprake zijn geweest van een verlaging van de productie die moet zijn toe te schrijven aan de uittreding door de melkveehouders, zoals het hof ook zelf tot uitgangspunt heeft genomen blijkens onder meer rov. 35 van zijn tussenarrest (hiervoor weergegeven in 3.3.2) en zijn hiervoor in 4.2.2 weergegeven oordeel in rov. 2.8 van zijn eindarrest. Tegen deze achtergrond klagen de onderdelen terecht dat niet begrijpelijk is waarom het hof de extra (“losse”) melk die DOC in 2008 heeft aangekocht van [A], bij de schadevaststelling buiten beschouwing heeft gelaten. Indien DOC een vermindering van haar productie als gevolg van het wegvallen van de levering van melk door de melkveehouders heeft kunnen compenseren door het bijkopen van melk, valt immers in beginsel niet in te zien dat de uittreding door de melkveehouders heeft geleid tot een lagere dekking van de vaste kosten. In dat geval kan DOC nog wel schade hebben geleden doordat de prijs die zij elders heeft moeten betalen, hoger was dan die welke zij verschuldigd was aan de melkveehouders. Naar het hof evenwel in rov. 2.12-2.19 van zijn eindarrest heeft vastgesteld, was dit ten aanzien van de van [A] aangekochte melk niet het geval.

4.3

In verband met het hiervoor overwogene en hetgeen hierna wordt beslist ten aanzien van het middel in het incidentele beroep, behoeven de overige onderdelen van het middel geen behandeling.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep voor zover gericht tegen het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 16 oktober 2012;

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 september 2013;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt DOC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de melkveehouders begroot op € 6.378,-- aan verschotten en
€ 2.600,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt DOC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de melkveehouders begroot op € 68,07 aan verschotten en
€ 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 juni 2015.