Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1520

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
14/02402
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:409
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:8332, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:559, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:10363, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Ontbinding overeenkomst. Vordering tot ongedaanmaking ontvangen prestaties, art. 6:271 BW. Waardevergoeding, art. 6:272 BW. Appelprocesrecht. Gevolg van niet-instellen incidenteel hoger beroep tegen vonnis in reconventie voor verweer in conventie.. Samenloop gevorderde renteschade en wettelijke rente, art. 6:119 BW. Berekening renteschade.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 236
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119
Burgerlijk Wetboek Boek 6 271
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1200
Bb 2015/47.1
RvdW 2015/748
JWB 2015/213
NJ 2015/352 met annotatie van T.F.E. Tjong Tjin Tai
RCR 2015/69
JBPR 2015/62 met annotatie van mr. drs. B.T.M. van der Wiel
TvPP 2015, afl. 5, p. 146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2015

Eerste Kamer

14/02402

EE/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

AIS VLIEGOPLEIDINGEN B.V.,
gevestigd te Lelystad,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mr. D.M. de Knijff en mr. M.S. van der Keur,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als AIS en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 187207/HA ZA 11-789 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 september 2011 en 1 februari 2012;

b. de arresten in de zaak 200.104.504/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 februari 2013, 5 november 2013 en 28 januari 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 19 februari 2013 en 28 januari 2014 heeft AIS beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 januari 2014 en tot afdoening zoals onder 2.30 van de conclusie omschreven.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 6 maart 2008 hebben AIS en [verweerder] een schriftelijke “Leerovereenkomst AIS vliegopleidingen” (hierna: de overeenkomst) afgesloten. In deze overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1– Opleiding

1.1

AIS Vliegopleidingen verzorgt ten behoeve van de leerling een geïntegreerde opleiding tot verkeersvlieger (…).

1.2

Het programma als bedoeld in artikel 1.1. is onderverdeeld in 5 fases:

(…)

1.3

Naar het oordeel van AIS Vliegopleidingen met goed gevolg doorlopen van een fase, alsmede hetgeen vermeld in artikel 1.1, is telkens voorwaarde voor de toelating tot een opvolgende fase, tenzij door de partijen uitdrukkelijk schriftelijk anders is overeengekomen.

(…)

Artikel 3 – Opleidingsprogramma

(…)

3.2 (…)

Indien de leerling extra onderwijs of vliegonderricht nodig heeft, dit ter beoordeling van AIS Vliegopleidingen, zijn de kosten hiervan voor rekening van de leerling (…).

(…)

Artikel 4 – Voortijdige beëindiging

4.1

Indien de leerling de opleiding voortijdig beëindigt zal AIS Vliegopleidingen niet gehouden zijn de reeds vooruitbetaalde lesgelden te restitueren.

4.2

Indien naar het oordeel van [het] de Head of Training de studieresultaten beneden de door AIS Vliegopleidingen gestelde norm zijn en blijven kan AIS Vliegopleidingen de overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen en zal AIS Vliegopleidingen niet gehouden zijn de reeds vooruitbetaalde lesgelden te restitueren.

(…)

Artikel 5 – Duur van de opleiding

5.1

De duur van de opleiding is circa 18 maanden.

(…)

Artikel 12 – Prijzen

12.1

De prijs welke de leerling is verschuldigd inzake de opleiding bedraagt € 97.500,- (zeven en negentig duizend vijfhonderd euro).

(…)”

(ii) [verweerder] heeft aan AIS een bedrag van € 97.500,-- betaald.

(iii) [verweerder] heeft gedurende een periode van ongeveer 20 maanden fase 1 als bedoeld in artikel 1.2 van de overeenkomst doorlopen, zonder goed gevolg.

(iv) AIS heeft [verweerder] naast het reguliere programma extra begeleiding gegeven en extra toetsen afgenomen.

(v) Bij brief van 1 maart 2011 heeft [A] namens AIS aan [verweerder] geschreven:

“In 2008 ben jij gestart met de vliegopleiding bij AIS Flight Academy. Helaas hebben wij moeten constateren, dat jouw studieresultaten niet hebben voldaan aan het gewenste niveau. Hierom hebben wij moeten besluiten jouw studieovereenkomst te ontbinden conform artikel 4.1 en 4.2 van genoemde overeenkomst. (…)”

3.2.1

In deze procedure heeft [verweerder] gevorderd AIS te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 83.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2011 en van een bedrag van € 15,67 per dag als gevolg van rentebetalingen vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst op 1 maart 2011. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat, nu hij er niet in is geslaagd fase 1 van de opleiding met succes af te ronden, AIS is gehouden de reeds vooruitbetaalde en niet gebruikte lesgelden te restitueren. AIS heeft in reconventie veroordeling van [verweerder] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 5.627,-- wegens door haar aan [verweerder] gegeven extra theorielessen en extra examens.

3.2.2

De rechtbank heeft zowel de vordering van [verweerder], als die van AIS, afgewezen. In conventie heeft zij, voor zover in cassatie van belang, overwogen:

“4.8. [verweerder] stelt weliswaar dat zijn opleiding veel minder heeft gekost dan het reeds betaalde bedrag van EUR 97.500,-, met name omdat hij veel minder vlieguren heeft gemaakt, doch hij heeft ter comparitie erkend dat AIS hem naast het reguliere programma extra begeleiding heeft gegeven in de vorm van speciaal voor hem geschreven extra examens. Verder staat vast - naar blijkt uit de verklaring van [verweerder] ter comparitie - dat zijn opleidingsperiode bij AIS in totaal ongeveer 20 maanden heeft geduurd. [verweerder] heeft derhalve gedurende de gehele reguliere lesperiode (die conform de overeenkomst 18 maanden bedraagt) onderwijs genoten.”

In reconventie:

“4.13. Hiervoor in rechtsoverweging 4.8. is reeds geconstateerd dat [verweerder] gedurende de reguliere periode onderwijs heeft genoten. Daarnaast staat enerzijds vast dat AIS extra uren heeft besteed aan de opleiding van [verweerder] door het voorbereiden van extra examens. Anderzijds moet worden bedacht dat [verweerder] slechts 28 vlieguren heeft gemaakt terwijl de volledige opleiding 110 ‘echte’ vlieguren bevat. Hierdoor zijn kosten bespaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft AIS onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat door AIS zó veel extra tijd en uren zijn besteed aan de opleiding van [verweerder], dat daarmee méér kosten gemoeid zijn dan de bespaarde kosten. De vordering in reconventie zal dan ook worden afgewezen.”

3.2.3

Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en AIS veroordeeld tot (terug)betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 57.050,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2011 en tot betaling aan [verweerder] van een bedrag van € 15,67 per dag als gevolg van rentebetaling vanaf 13 mei 2011. Daartoe heeft het, voor zover van belang, als volgt overwogen.

Nu beide partijen ervan uitgaan dat AIS de overeenkomst heeft ontbonden en dat aldus de art. 4.1 en 4.2 van de overeenkomst niet van toepassing zijn, gaat ook het hof daarvan uit. Voor zover de verbintenissen uit de overeenkomst reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor deze nakoming in stand, maar ontstaat tussen partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW). Aldus geldt dat voor zover AIS nog niet jegens [verweerder] heeft gepresteerd, laatstgenoemde een deel van de door hem betaalde lesgelden behoort terug te krijgen. [verweerder] heeft slechts fase 1 doorlopen. De aard van deze prestatie sluit uit dat zij ongedaan wordt gemaakt. Aldus treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van haar waarde op het tijdstip van ontvangst (artikel 6:272 BW). (rov. 4.4-4.5 tussenarrest 19 februari 2013 ) AIS heeft haar stelling dat de door haar geleverde prestatie moet worden gewaardeerd op tenminste het door [verweerder] betaalde lesgeld van € 97.500,-- onvoldoende onderbouwd. Derhalve moet worden bepaald welk gedeelte van dat bedrag betrekking heeft op die reeds geleverde prestatie (fase 1). Aangezien AIS geen beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van haar vordering in reconventie, kan bij de bepaling van het bedrag dat door AIS aan [verweerder] moet worden terugbetaald geen rekening worden gehouden met de waarde van de door haar gegeven extra begeleiding en het afnemen van extra toetsen. (rov. 4.6-4.7 tussenarrest 19 februari 2013)

Het lesgeld van € 97.500,-- dient te worden betaald voor vijf fases. Het hof stelt vast dat voor de gemaakte vlieguren een bedrag van € 5.450,-- moet worden gerekend en begroot de kosten van overhead voor het volgen door [verweerder] van fase 1 gedurende ongeveer 20 maanden ex aequo et bono op € 35.000,--. Dit brengt mee dat AIS van het door [verweerder] betaalde lesgeld ad € 97.500,-- een bedrag van € 57.050,-- dient terug te betalen. AIS heeft de vordering tot betaling van rentekosten onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat ook deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. (rov. 2.1, 2.3 en 2.4 eindarrest)

3.3.1

Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het hof dat AIS wat betreft fase 2 tot en met 5 van de opleiding niet heeft gepresteerd en dat [verweerder] daarom recht heeft op terugbetaling van een deel van het lesgeld. Het betoogt, samengevat, dat AIS de overeengekomen prestatie, te weten het verzorgen van onderwijs gedurende achttien maanden, heeft verricht en dat [verweerder] wegens onvoldoende presteren in fase 1 niet tot enige verdere prestatie gerechtigd was.

3.3.2

Het onderdeel faalt. Het betoog dat de verbintenis van AIS bestond uit het verzorgen van opleiding gedurende achttien maanden en dat van verdere verbintenissen geen sprake was, stuit af op de andersluidende uitleg die het hof aan de overeenkomst heeft gegeven. Het hof heeft geoordeeld dat de overeenkomst strekte tot het verzorgen van een opleiding tot verkeersvlieger in vijf fases. Deze uitleg, waarin niet de verwachte duur van de opleiding de kern van de prestatie is, is niet onbegrijpelijk. Hiervan uitgaande heeft het hof kunnen oordelen dat op AIS uit hoofde van art. 6:271 BW de verplichting is komen te rusten een gedeelte van het vooruit betaalde lesgeld aan [verweerder] terug te betalen, nu de daar tegenover staande verbintenis tot het geven van onderwijs in zoverre ten gevolge van de ontbinding was vervallen.

3.4.1

Onderdeel 3 komt op tegen het oordeel van het hof dat bij het bepalen van de omvang van de verbintenis tot waardevergoeding geen rekening wordt gehouden met de waarde van de door AIS gegeven extra begeleiding en het afnemen van extra toetsen, omdat AIS geen incidenteel appel heeft ingesteld van de afwijzing van haar, daarop betrekking hebbende, reconventionele vordering. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat deze waardering binnen de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep valt, omdat AIS de extra begeleiding en examens mede ten grondslag heeft gelegd aan haar verweer tegen de terugbetalingsvordering van [verweerder] in conventie.

3.4.2

Het onderdeel slaagt. Het verweer van AIS strekte niet ertoe dat haar vordering alsnog zou worden toegewezen, maar dat haar extra inspanningen om [verweerder] fase 1 met succes te doen afronden in aanmerking zouden worden genomen bij de, met het oog op de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering van [verweerder] noodzakelijke, waardering van de door haar verrichte prestatie. Het hof heeft miskend dat AIS daartoe geen incidenteel beroep behoefde in te stellen.

3.5.1

Onderdeel 4 is gericht tegen de toewijzing van wettelijke rente over het door AIS aan [verweerder] terug te betalen bedrag van € 57.050,--, naast de vergoeding van een bedrag van € 15,67 per dag als renteschade. Het betoogt dat wanneer de werkelijke renteschade wordt vergoed, er geen grond is om ook wettelijke rente toe te kennen.

3.5.2

Ingevolge art. 6:119 BW kon [verweerder] ter zake van de vertraging in de voldoening van de ongedaanmakingsverbintenis door AIS in beginsel slechts aanspraak maken op de wettelijke rente en niet (tevens) op de vergoeding van de in verband met die vertraging door hem betaalde rente. Waar AIS een dergelijk verweer niet heeft gevoerd, mocht het hof daaruit afleiden dat AIS aanvaardt dat in plaats van wettelijke rente deze door [verweerder] betaalde rente wordt toegewezen. Het hof had evenwel dienen te oordelen dat niet daarnaast ook nog wettelijke rente over het door AIS terug te betalen bedrag is verschuldigd. Het onderdeel slaagt dus.

3.6.1

Onderdeel 5 klaagt dat het hof ten onrechte de rente heeft toegekend over het door [verweerder] teruggevorderde bedrag (€ 83.500,-). Nu het hof het door [verweerder] teveel betaalde bedrag op een lager bedrag (€ 57.050,--) heeft bepaald, had het het bedrag van € 15,67 ook naar beneden moeten bijstellen. De betwisting van de rentevordering door AIS, inhoudend dat deze niet toewijsbaar is omdat geen sprake is van door [verweerder] teveel betaalde opleidingskosten, was in dat kader afdoende.

3.6.2

De klacht is gegrond. [verweerder] heeft aan zijn vordering tot vergoeding van renteschade ten grondslag gelegd dat hij over het door hem ter financiering van de opleidingskosten geleende bedrag 6,85% rente moet betalen en dat AIS deze schade dient te vergoeden voor zover zij het teveel betaalde lesgeld ten onrechte onder zich heeft gehouden. Uitgaande van een aan hem terug te betalen bedrag van € 83.500,-- heeft [verweerder] deze schade berekend op 6,85% x € 83.500,--/365 per dag. Nu het hof een bedrag van € 57.050,- toewijsbaar heeft geoordeeeld, had het, gelet op het door AIS op dit punt gevoerde verweer, de door AIS te vergoeden renteschade moeten vaststellen op 6,85% x € 57.050,--/365 = € 10,71 per dag.

3.7

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 februari 2013 en 28 januari 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van AIS begroot op € 2.716,70 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 juni 2015.