Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1334

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2015
Datum publicatie
26-05-2015
Zaaknummer
14/02617
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:668, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:1758, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer(exces) en putatief noodweer. ‘Garantenstellung’. ’s Hofs oordeel dat het beroep op noodweer(exces) moet worden verworpen omdat de gedragingen van verdachte (politieambtenaar) niet geboden zijn geweest ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt i.h.b. in aanmerking gekomen dat - naar het Hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld - X en Y zo kort na het gebukt passeren van het gat in de winkeldeur zijn neergeschoten dat er geen sprake van kan zijn geweest dat X en Y in de richting van verdachte bleven doorlopen, zodat van enige concrete dreigende agressie gericht tegen verdachte niet is gebleken. In het licht van deze vaststellingen geeft ’s Hofs oordeel dat het beroep op putatief noodweer moet worden verworpen omdat niet kan worden gezegd dat verdachte redelijkerwijs mocht vermoeden dat hij werd aangevallen, evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij verdient opmerking dat het Hof bij de beoordeling van het beroep op putatief noodweer betekenis mocht toekennen aan verdachtes capaciteiten gezien in het licht van hetgeen in een situatie als de onderhavige - gelet op zijn beroep, opleiding en training - mag worden verwacht van een politieambtenaar (de zgn. ‘Garantenstellung’).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/707
NJB 2015/1100
NJ 2015/271 met annotatie van
JIN 2015/137 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
NBSTRAF 2015/144
SR-Updates.nl 2015-0236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 mei 2015

Strafkamer

nr. 14/02617

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 7 maart 2014, nummer 21/003574-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij [betrokkene 1] heeft mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het tweede en het derde namens de verdachte voorgestelde middel

2.1.

De middelen keren zich tegen de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer(exces) en putatief noodweer. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij op 9 februari 2010 te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, een kogel heeft afgevuurd op [betrokkene 1], die zich bevond in de aan de Korte Bisschopsstraat gevestigde Kijkshop en die net naar buiten was gekropen door een gat in de ruit van de toegangsdeur van de Kijkshop en zich aldaar bevond buiten de Kijkshop (in gehurkte positie) en waarbij verdachte zich bevond op geringe afstand van [betrokkene 1] en waarbij die kogel ondermeer de neusbrug en de keel van [betrokkene 1] heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. hij op 9 februari 2010 te Deventer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een pistool, een kogel heeft afgevuurd op [betrokkene 2] die zich bevond in de aan de Korte Bisschopsstraat gevestigde Kijkshop en die net naar buiten was gekropen door een gat in de ruit van de toegangsdeur van de Kijkshop en zich aldaar bevond buiten de Kijkshop (in gehurkte positie) en waarbij verdachte zich bevond op geringe althans enige afstand van [betrokkene 2] en waarbij die kogel door het linker bovenbeen van [betrokkene 2] is gegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, op de volgende bewijsvoering:

"Op dinsdag 9 februari 2010 omstreeks 4.45 uur vond een inbraak plaats in het winkelpand van de Kijkshop, gevestigd aan de Korte Bisschopstraat 5 te Deventer. Het winkelpand van de Kijkshop bevindt zich in een kelder onder de Hema. De twee inbrekers verschaften zich de toegang door middel van het stukslaan van de onderzijde van een glazen toegangsdeur. Na de inbraakmelding zijn de politieambtenaren [verdachte] (hierna: verdachte) en [verbalisant] ter plaatse gegaan. Op het ogenblik dat verdachte bij genoemd winkelpand post had gevat bij de voordeur kwamen beide inbrekers, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] via de trap naar boven en trachtten via de verbrijzelde glazen deur naar buiten te komen. [betrokkene 2] had een voorhamer in zijn handen en beiden hadden een muts over hun hoofd. Door verdachte is twee maal kort achter elkaar een schot gelost, waarbij [betrokkene 1] een schotwond in het gezicht heeft bekomen en [betrokkene 2] in zijn linkerbovenbeen is geraakt."

2.2.3.

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank met aanvulling van gronden bevestigd. In dat vonnis is het beroep op noodweer en putatief noodweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweer toekomt, en heeft daarbij gewezen op het feit dat een beroep op noodweer ook kan slagen in het geval sprake is van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Er dient beoordeeld te worden of een redelijk denkend persoon, die geplaatst wordt in dezelfde omstandigheden als verdachte, ook zo zou hebben gehandeld als verdachte heeft gedaan. Gelet op de feiten en omstandigheden van het geval dient deze vraag naar het oordeel van de raadsman bevestigend te worden beantwoord. Het was donker, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] waren met zijn tweeën en doken plotseling op en renden op verdachte af. De afstand tussen hen en verdachte was gering. Verdachte had [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tweemaal gesommeerd om te blijven staan, maar zij bleven desondanks met dezelfde snelheid op hem afkomen. Zij hadden hun gezichten bedekt en [betrokkene 2] had een grote voorhamer vast. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het door verdachte aangewende geweld voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tijd om een ander middel te gebruiken was er niet. De tijd vanaf het moment waarop [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bovenaan de trap verschenen tot het moment waarop zij onder de deur door liepen bedroeg slechts enkele seconden. Pepperspray, de wapenstok of de blote vuisten waren niet afdoende om zich te verdedigen tegen de twee mannen, waarvan er één een dodelijk wapen bij zich droeg.

Indien de beoordeling van de feiten niet leidt tot de slotsom dat een redelijk denkend persoon, die geplaatst zou worden in dezelfde omstandigheden als verdachte, ook zo zou hebben gehandeld als verdachte heeft gedaan dan dient de subjectieve beleving van de verdachte van die omstandigheden beoordeeld te worden. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte op basis van de feiten en omstandigheden redelijke gronden had om in de veronderstelling te verkeren dat hij mocht handelen zoals hij heeft gedaan. Gelet op de feiten en omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat verdachte in de veronderstelling heeft verkeerd dat hij zich diende te verdedigen, zodat hem een beroep op putatief noodweer toekomt. Ook dan geldt dat het door verdachte aangewende geweld voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Gelet op het voorgaande dient verdachte, volgens de raadsman, te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. (...)

Het oordeel van de rechtbank

(...)

Wil sprake zijn van noodweer dan dient allereerst vast te komen staan dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van, in dit geval, verdachte. Ook een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding wordt beschouwd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Daarbij geldt dat uit objectieve omstandigheden moet kunnen worden afgeleid dat iemand daadwerkelijk op het punt staat om tot de aanval over te gaan. De rechtbank is van oordeel dat daar in het onderhavige geval geen sprake van is geweest. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hadden weliswaar net een inbraak gepleegd en voldeden niet aan de sommaties van verdachte om te blijven staan, van enige concrete dreigende agressie gericht tegen verdachte is niet gebleken op het moment dat verdachte in hun richting schoot, te weten op het moment dat zij net gebukt onder de toegangsdeur vandaan kwamen. Het feit dat zij, komend vanaf de trap in de kelder van de Kijkshop in de richting kwamen van de toegangsdeur waar, buiten, ook verdachte stond is daartoe niet voldoende. De beide mannen zijn daarbij zo kort na het gebukt passeren van het gat in de winkeldeur neergeschoten, dat er geen sprake van kan zijn geweest dat deze mannen, zoals verdachte heeft verklaard, "in zijn richting bleven doorlopen". De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.

Subsidiair is door de raadsman van verdachte betoogd dat hem een beroep op putatief noodweer toekomt. Van putatief noodweer is sprake wanneer men verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Iemand komt, met andere woorden, een beroep op putatief noodweer toe indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden die hem redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. Een beroep op putatief noodweer dient met een objectieve ex tunc toets te worden beoordeeld: "Zou de gemiddelde rechtsgenoot geplaatst in de situatie van verdachte, ook in de veronderstelling hebben verkeerd dat hij werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen?". In dit geval betekent dit dat moet worden beoordeeld of een andere politieambtenaar, met een gelijke ervaring en opleiding als verdachte, eveneens in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat hij werd aangevallen. In dat kader komt betekenis toe aan de zogenaamde Garantenstellung. Op grond van deze Garantenstellung kunnen aan politieambtenaren op grond van hun beroep, opleiding en training andere eisen worden gesteld dan een normale burger. Van een politieambtenaar kan worden gevergd dat hij in precaire situaties meer dan een gewone burger zelfbeheersing en tactisch inzicht heeft en in het geval van een confrontatie met verdachten niet te snel naar zijn dienstwapen zal grijpen, maar in staat blijft afgewogen beslissingen te nemen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte tweemaal kort achter elkaar gericht op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft geschoten toen zij, nadat zij een inbraak hadden gepleegd, door de gebroken deur gebukt naar buiten kwamen. Zij hadden hun gezichten bedekt en [betrokkene 2], die als tweede naar buiten kwam, droeg een voorhamer bij zich. Verdachte heeft verklaard dat er sprake was van een redelijk goede verlichting. Er brandde verlichting in de Kijkshop en op straat.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] geen gedragingen zijn verricht op grond waarvan verdachte kon en mocht aannemen dat hij werd aangevallen, danwel dat er een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanval bestond. Hoewel buiten twijfel staat dat het voor verdachte een stressvolle situatie is geweest en hij heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde, is de rechtbank, op grond van de hierboven geschetste Garantenstellung, van oordeel dat van verdachte, als politieambtenaar, redelijkerwijs kon worden gevergd dat hij de spanning zou beheersen en in deze situatie niet naar zijn wapen zou grijpen. Aldus kan niet worden gezegd dat verdachte redelijkerwijs mocht vermoeden dat hij werd aangevallen en de rechtbank verwerpt daarom ook het beroep op putatief noodweer.

De rechtbank overweegt daarbij dat er, naar het oordeel van de rechtbank, voor verdachte tijd en gelegenheid is geweest om ruimte te maken voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Zij moesten immers, één voor één, gebukt onder het 1 meter hoge gat in de glazen deur door. Verdachte had aldus een directe confrontatie met [betrokkene 1] en [betrokkene 2], waarin zij mogelijk tot een aanval op hem gericht zouden overgaan, kunnen voorkomen. Verdachte had door enkele stappen achteruit te zetten zich in een veiliger positie kunnen brengen door aldus de afstand tussen hem en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te vergroten. Daarbij had verdachte eventueel ook nog de gelegenheid om zich in veiligheid te brengen door achter de zojuist gearriveerde politieauto van zijn collega [verbalisant] te gaan staan. Vervolgens had hij hen, al dan niet met behulp van (dreiging met) het gebruik van pepperspray of een wapenstok kunnen trachten aan te houden of hij had, indien dit niet tot een aanhouding zou leiden, met collega [verbalisant] de achtervolging kunnen inzetten en daarbij assistentie van collega's kunnen vragen. Dergelijk handelen zou in lijn zijn geweest met de ambtsinstructie, om gebruik van geweld en de mate van het geweld zoveel mogelijk te beperken. Dat verdachte, zoals hij tegenover de rijksrecherche heeft verklaard, zich als politieambtenaar verplicht voelde om op te treden en dat hij boeven wilde vangen, neemt immers niet weg dat hij bij zijn taak als politieambtenaar zelf de regels goed in acht dient te nemen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich niet kan beroepen op enige rechtvaardigingsgrond dan wel schulduitsluitingsgrond zodat het bewezenverklaarde feit strafbaar is en verdachte ook een strafbare dader is."

2.2.4.

Het Hof heeft voorts het in de middelen bedoelde beroep op noodweerexces als volgt samengevat en verworpen:

"In hoger beroep is namens verdachte een beroep gedaan op noodweerexces, op grond waarvan het hof verdachte dient te ontslaan van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat verdachte zijn vuurwapen heeft gebruikt onder invloed van een hevige gemoedstoestand, door de onmiddellijk dreigende wederrechtelijke aanranding veroorzaakt.

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces dient verdachte te hebben gehandeld in een situatie waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging tegen een aanranding, maar is hij daarbij, als onmiddellijk gevolg van een hevige, door de (onmiddellijk dreigende) aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging, verder gegaan dan geboden is.

Het hof overweegt, onder verwijzing naar hetgeen in het hiervoor vermelde vonnis van de rechtbank is overwogen met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte, dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte geconfronteerd werd met een ogenblikkelijke (dreigende) wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 1] en [betrokkene 2], noch dat hij hieromtrent op verontschuldigbare wijze heeft gedwaald. Het beroep hierop wordt reeds hierom verworpen."

2.3.

Het oordeel van het Hof dat het beroep op noodweer(exces) moet worden verworpen omdat de gedragingen van de verdachte niet geboden zijn geweest ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Daarbij wordt in het bijzonder in aanmerking genomen dat - naar het Hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld - [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zo kort na het gebukt passeren van het gat in de winkeldeur zijn neergeschoten dat er geen sprake van kan zijn geweest dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de richting van de verdachte bleven doorlopen, zodat van enige concrete dreigende agressie gericht tegen de verdachte niet is gebleken.

2.4.

In het licht van deze vaststellingen geeft het oordeel van het Hof dat het beroep op putatief noodweer moet worden verworpen omdat niet kan worden gezegd dat verdachte redelijkerwijs mocht vermoeden dat hij werd aangevallen, evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij verdient opmerking dat het Hof bij de beoordeling van het beroep op putatief noodweer betekenis mocht toekennen aan verdachtes capaciteiten gezien in het licht van hetgeen in een situatie als de onderhavige - gelet op zijn beroep, opleiding en training - mag worden verwacht van een politieambtenaar (de zogenoemde 'Garantenstellung').

2.5.

De middelen falen.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2015.