Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1297

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2015
Datum publicatie
22-05-2015
Zaaknummer
12/05691
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:54, Contrair
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gemeenschap, art. 3:166 BW. Vordering tot verdeling gemeenschappelijk stuk grond, art. 3:185 BW. Bevoegdheid deelgenoot om onverdeeld aandeel in gedeelte van gemeenschappelijk stuk grond te vervreemden, art. 3:175 lid 1 BW. Aanwijzing gedeelte als afzonderlijke, te individualiseren zaak; medewerking gezamenlijke deelgenoten; art. 3:170 lid 3 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 166
Burgerlijk Wetboek Boek 3 170
Burgerlijk Wetboek Boek 3 175
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1054
RvdW 2015/668
RN 2015/61
JWB 2015/194
NJ 2015/335 met annotatie van S. Perrick
JOR 2015/255 met annotatie van mr. A. Steneker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2015

Eerste Kamer

12/05691

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres] ook h.o.d.n. [eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats]

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P. Quist,

t e g e n

1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],

2. [verweerster 2],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres], [verweerder 1] en [verweerster 2], en [verweerder 1] en [verweerster 2] tezamen als [verweerders]

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 225899/HA ZA 04-2540 van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2005;

b. het arrest in de zaak 105.003.818/01 van het gerechtshof 's-Gravenhage van 16 februari 2010.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep
in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Tegen [verweerders] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1. Deze komen, kort samengevat, op het volgende neer.

( i) [verweerder 1] bezat samen met [A] en [B] (laatstgenoemden hierna gezamenlijk: de mede-eigenaren) de onverdeelde eigendom van een perceel grond (hierna: het gezamenlijke perceel).

(ii) Het gezamenlijke perceel diende oorspronkelijk tot uitweg van drie naastgelegen percelen naar de openbare weg.

(iii) Een van de drie naastgelegen percelen (hierna: het naastgelegen perceel) is gekocht door [eiseres].

(iv) [eiseres] heeft op het naastgelegen perceel zes villa’s gebouwd. Een van de villa’s (hierna: [C]) is voor een klein deel gebouwd op een gedeelte van het gezamenlijke perceel (hierna: het betwiste stuk grond).

( v) Bij akte van 21 februari 2002 hebben de mede-eigenaren hun onverdeeld twee/derde aandeel in het betwiste stuk grond verkocht en geleverd aan [eiseres].

(vi) [verweerder 1] heeft bij akte van 15 januari 2004 onder meer zijn onverdeeld aandeel in het gezamenlijke perceel, inclusief het betwiste stuk grond, verkocht en geleverd aan [verweerster 2].

3.2.1

[eiseres] heeft gevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat de rechtbank op de voet van art. 3:185 lid 1 in verbinding met lid 2, aanhef en onder b, BW de wijze van verdeling vaststelt van het onverdeelde één/derde aandeel van [verweerders] in het betwiste stuk grond, door dit aandeel aan [eiseres] toe te delen, tegen een door [eiseres] aan [verweerders] te betalen vergoeding van € 1,-- per m², althans een vergoeding die de rechtbank billijk acht, althans een verdeling vaststelt die de rechtbank redelijk acht.

[eiseres] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zij voor twee/derde deel mede-eigenaar is van het betwiste stuk grond en dat zij recht en belang heeft dat stuk grond in volle eigendom te verkrijgen teneinde aan haar leveringsverplichting jegens de koper van [C] te voldoen.

[verweerders] hebben betwist dat [eiseres] rechtsgeldig eigenaar is geworden van het twee/derde aandeel in het betwiste stuk grond, nu de overdracht (en eventuele afsplitsing) daarvan zonder toestemming van [verweerder 1] heeft plaatsgevonden.

De rechtbank heeft de vordering van [eiseres] afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

“3.2 [verweerder 1], [B] en [A] hadden het perceel (…) in mede-eigendom. Het was geen bijzondere gemeenschap als bedoeld in art. 3:189 BW, zodat art. 3:190 BW niet van toepassing is. De beschikkingsbevoegdheid over het aandeel in de gemeenschap wordt geregeld in art 3:170 lid 3 en art. 3:175 BW.

3.3

Art. 3:175 BW regelt de bevoegdheid om over een aandeel in een gemeenschappelijk goed te beschikken. Bij de akte van 21 februari 2002 ging het echter niet over de beschikking over een aandeel in een gemeenschappelijk onroerend goed, maar over de beschikking over een aandeel in een gedeelte van een gemeenschappelijk onroerend goed. Hieraan moet een splitsing van het gemeenschappelijk onroerend goed in twee gedeelten voorafgaan. Op die splitsing is art. 3:175 BW niet van toepassing, maar is art. 3:170 lid 3 BW van toepassing. Voor die splitsing is toestemming van alle deelgenoten nodig. Dit is begrijpelijk want anders zou een deelgenoot tegen zijn wil door een splitsing van het goed in gedeelten met een vergroting van het aantal deelgenoten geconfronteerd kunnen worden.”

3.3

Middel I (cassatiedagvaarding onder 7-14 en 24-28) klaagt dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat een gemeenschappelijk onroerend goed dient te worden gesplitst voordat kan worden overgegaan tot de beschikking over een aandeel in een gedeelte daarvan, en dat op die splitsing art. 3:170 lid 3 BW van toepassing is en daarvoor de toestemming van alle deelgenoten is vereist. Het hof heeft miskend dat op de overdracht van een aandeel in een gedeelte van een gemeenschappelijk goed art. 3:175 lid 1 BW van toepassing is, nu hetgeen geldt voor het meerdere (het mogen beschikken over een aandeel in het gehele goed) ook geldt voor het mindere (het mogen beschikken over een aandeel in een gedeelte van dat goed), aldus de klacht.

3.4.1

Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.

3.4.2

Het hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat de gemeenschap die tussen [verweerder 1] en de mede-eigenaren bestond, niet een bijzondere gemeenschap was als bedoeld in art. 3:189 BW (rov. 3.2). Dit betekent dat in het onderhavige geval sprake is van een gemeenschap waarop slechts de bepalingen van afdeling 3.7.1 (art. 3:166-188) BW van toepassing zijn.

3.4.3

Art. 3:170 lid 3 BW bepaalt dat uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd zijn tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed dan de handelingen die worden vermeld in de leden 1 en 2 van deze bepaling. Blijkens de parlementaire geschiedenis ziet lid 3 van deze bepaling op beschikkingshandelingen die geen beheersdaden zijn (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 581 en 589).

Art. 3:175 lid 1 BW bepaalt dat ieder van de deelgenoten over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed kan beschikken, tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit. Deze bepaling bestrijkt ingevolge art. 3:166 lid 1 BW zowel het geval dat de gemeenschap slechts één goed omvat, als het geval dat de gemeenschap uit meer dan een goed bestaat. In laatstgenoemd geval kan iedere deelgenoot op de voet van art. 3:175 lid 1 BW onder het aldaar genoemde voorbehoud mede over zijn aandeel in elk goed afzonderlijk beschikken (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 599).

3.4.4

De vervreemding van een gedeelte van een gemeenschappelijk stuk grond brengt mee dat het desbetreffende gedeelte wordt afgesplitst van het grotere geheel. Anders dan het hof in rov. 3.3 heeft geoordeeld, is niet vereist dat aan een dergelijke vervreemding een fysieke of juridische splitsing in gedeelten van het stuk grond voorafgaat. Wel is noodzakelijk dat het desbetreffende gedeelte ten behoeve van de vervreemding wordt aangewezen als afzonderlijke, te individualiseren zaak. Een dergelijke aanwijzing betreft het gemeenschappelijke stuk grond als geheel en dient daarom te worden aangemerkt als een handeling waartoe ingevolge art. 3:170 lid 3 BW uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd zijn. Dat is niet anders in het geval dat slechts één deelgenoot op de voet van art. 3:175 lid 1 BW wenst te beschikken over zijn eigen onverdeeld aandeel in een gedeelte van een gemeenschappelijk stuk grond, nu een zodanige beschikkingshandeling niet mogelijk is zonder dat dit gedeelte door aanwijzing wordt geïndividualiseerd.

3.5.1

Het hof heeft, in cassatie onbestreden, tot uitgangspunt genomen dat het hiervoor in 3.1 onder (i) genoemde gezamenlijke perceel niet reeds bestond uit een samenstel van enkele afzonderlijke, geïndividualiseerde stukken grond (waaronder het betwiste stuk grond). Voorts ligt in het oordeel van het hof besloten dat [verweerder 1] en de mede-eigenaren het betwiste stuk grond niet gezamenlijk – met inachtneming van art. 3:170 lid 3 BW – hebben aangewezen als een tot de gemeenschap behorende afzonderlijke, te individualiseren zaak ten aanzien waarvan ieder van de deelgenoten over zijn aandeel kan beschikken. Bij die stand van zaken heeft het hof terecht geoordeeld dat de mede-eigenaren niet bevoegd waren tot vervreemding van hun onverdeeld twee/derde aandeel in het betwiste stuk grond.

3.5.2

Het vorenstaande brengt mee dat de klacht faalt.

3.6

De overige klachten van middel I en de klachten van de middelen II en III kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.E. Drion, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 22 mei 2015.