Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:129

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2015
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
14/00081
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2807, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2013:10047, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. 1. Schuld en causaliteit. 2. Verkeerde toepassing van art. 27 Sr. Ad 1. Snelheidswedstrijd tussen verdachte en X. Het Hof heeft o.b.v. onder meer diens vaststellingen geoordeeld dat ook verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen, dat verdachte schuld heeft aan het ongeval alsmede aan het overlijden van X ten gevolge daarvan en dat het ongeval en het (latere) overlijden van X ook aan verdachte is toe te rekenen. E.e.a. geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Ad 2. Aftrek voorarrest van voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en niet van de onvoorwaardelijk opgelegde taakstraf. Het Hof heeft in strijd met doel en strekking van art. 27.1 Sr beslist dat de door verdachte voor de tul van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd “bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in vermindering is gebracht” (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZD0625). De HR herstelt het verzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/235
NJ 2015/224 met annotatie van N. Keijzer
VR 2015/100
SR-Updates.nl 2015-0040
PS-Updates.nl 2019-0323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 2015

Strafkamer

nr. S 14/00081

CB/AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 20 december 2013, nummer 21/004524-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. B.P. de Boer en mr. A.J. van der Velden, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot correctie van de strafoplegging en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring, in het bijzonder tegen het oordeel van het Hof dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994, en het oordeel dat het ongeval, ten gevolge waarvan [betrokkene 1] is overleden, mede aan de verdachte is toe te rekenen.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij op 25 september 2011, te Spijk, gemeente Rijnwaarden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto merk Volkswagen, kenteken [001]), tezamen en in vereniging met [betrokkene 1], eveneens als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto merk Renault, kenteken [002]), rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Spijksedijk, zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen dat een aan zijn, verdachtes, schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij een ander (voornoemde [betrokkene 1]) werd gedood, hierin bestaande dat verdachte en/of voornoemde [betrokkene 1]; - in strijd met het gestelde in artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 hebben deelgenomen aan een straatrace, althans een snelheidswedstrijd, en - (daarbij) hebben gereden met een veel hogere snelheid dan de voor hen aldaar geldende maximum snelheid van 60 kilometer per uur, en - (daarbij) op korte afstand achter elkaar hebben gereden (over/op die Spijksedijk), en - (daarbij) met hoge snelheid heeft ingehaald waardoor, althans mede waardoor genoemde [betrokkene 1] het door hem bestuurde voertuig niet onder controle heeft gehouden, en - waardoor (het voertuig van) genoemde [betrokkene 1] (vervolgens) in een slip is geraakt, en - (vervolgens) in de naast die Spijksedijk gelegen berm is gegleden of gereden, in elk geval is terechtgekomen, en - (vervolgens) is gebotst tegen een aldaar geparkeerd staand motorrijtuig (personenauto merk Hyundai, kenteken [003]), en - (vervolgens) is terechtgekomen in de tuin van het perceel [a-straat] en daarbij is gebotst tegen een of meer in die tuin aanwezig goederen en/of groenvoorzieningen.

2. hij op 25 september 2011 te Spijk, gemeente Rijnwaarden op de openbare weg, Spijksedijk, heeft deelgenomen aan een wedstrijd met voertuigen."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte, op 19 oktober 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt en als doorlopende pagina's 11 t/m 15 gevoegd bij het op 26 oktober 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt ambtsedig proces-verbaal behorende bij het onderzoek "Kraan", voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op zondag 25 september 2011, ben ik samen met [betrokkene 2], mijn broertje, [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] naar Hellendoorn geweest. Wij zijn daar met de auto van mijn ouders heen gegaan. Toen we terugkwamen uit Hellendoorn zijn wij ook eerst naar huis gegaan om de auto van mijn ouders om te ruilen voor die van mij, dus de VW Polo, kleur zwart, type GN2 GTI, kenteken [001]. We zijn toen naar het kraantje aan de Spijksedijk gegaan. Met het kraantje bedoel ik een monument tegen over de steenfabriek de HUWA aan de Spijksedijk te Spijk. Wij waren met zijn vijven als eerste bij het kraantje. Toen kwamen [betrokkene 6] en [betrokkene 7] ook naar het kraantje. Later zag en hoorde ik dat [betrokkene 1] er aan kwam. De auto van [betrokkene 1] is een blauwe Renault Clio, type Williams.

2. De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik was met [betrokkene 7] aan het praten over welke auto sneller was. [betrokkene 7] stelde voor dat [betrokkene 1] en ik zouden gaan racen. [betrokkene 1] en ik wilde er eigenlijk niet aan mee doen, omdat het gevaarlijk is om op de Spijksedijk te racen. We hielden wel af en toe straatraces, maar niet op de Spijksedijk. We hebben ons echter laten overhalen door [betrokkene 7] en toch een wedstrijd gehouden op de Spijksedijk. Ik denk dat ik gedurende de race ongeveer honderd kilometer per uur reed. [betrokkene 1] heeft mij ter hoogte van de afslag van de steenfabriek vrij snel ingehaald. Na de inhaalmanoeuvre heb ik heel kort de achtervolging ingezet. Toen de afstand met [betrokkene 1] steeds groter werd, heb ik voor de bocht afgeremd.

3. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte, op 11 oktober 2011 in de wettelijke vorm opgemaakt en als doorlopende pagina's 69 t/m 75 gevoegd bij het op 24 januari 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt ambtsedig proces-verbaal met proces-verbaalnummer PL0796 2011110835-34, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte - zakelijk weergegeven - als volgt:

Nadat [betrokkene 1] mij voorbij was gereden ben ik achter hem aangereden en verhoogde mijn snelheid naar ongeveer 100 km per uur door gas bij te geven.

4. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige, op 5 september 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt en als doorlopende pagina's 71 t/m 76 gevoegd bij het op 26 oktober 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt ambtsedig proces-verbaal behorende bij het onderzoek "Kraan", voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 25 september 2011 stonden wij ([verdachte], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 6], [betrokkene 1] en [betrokkene 7]), ik denk rond 7 a 8 uur, bij het kraantje aan de Spijksedijk.

Toen hadden [verdachte], [betrokkene 1] en [betrokkene 7] een discussie over de auto van [betrokkene 1] en de auto van [verdachte]. Het ging erom welke auto er sneller zou zijn. Ik hoorde dat [betrokkene 1] zei dat zijn auto sneller was als die van [verdachte]. Ik hoorde dat [betrokkene 7] zei dat hij dat niet geloofde. Ik hoorde dat [betrokkene 7] voorstelde een race te houden.

De auto van [verdachte] was een Volkswagen Polo GTI, kleur zwart, [001].... De auto van [betrokkene 1] was een Renault Clio blauw van kleur, voorzien van een zogenaamd Williamsblok wat een snel type is.

Het was schemerig geworden. Het was toen goed weer, geen regen in ieder geval. De weg was droog. Er reed geen ander verkeer. Het is eigenlijk nooit druk op de Spijksedijk. Er staan 1 of 2 lantaarnpalen op de kruising waar je Spijk in kan en 1 of 2 lantaarnpalen bij wat huizen tussen het kraantje en de afslag Spijk. In de weg die ze zouden gaan rijden zit een flauwe bocht. Die flauwe bocht zit net voor die huizen die ik net heb vernoemd.

Ik had dus in de gaten dat ze daadwerkelijk gingen racen. Ik zag namelijk dat [betrokkene 1] en [verdachte] ieder in hun eigen auto stapten. Ik zag dat [verdachte] en [betrokkene 1] hun auto's hadden gepositioneerd op de Spijksedijk, dit naast elkaar en gelijk met elkaar. Ik zag dat [betrokkene 7] er tussen in stond. Ik zag dat [betrokkene 1] op de juiste kant van de weg stond en dat [verdachte] op de verkeerde helft stond. [verdachte] zou dus gaan spookrijden.

Ik hoorde dat de toerental van beide auto's werd opgejaagd door [verdachte] en [betrokkene 1]. Ik zag dat [betrokkene 7] met zijn armen boven zijn hoofd stond. Het startsein was dat als [betrokkene 7] zijn armen naar beneden zou doen. Ik hoorde gepiep van de banden daar [betrokkene 1] en [verdachte] snel optrokken. Ik zag dat de auto's van ons wegreden. Ik zag toen dat [betrokkene 1] al dik voor lag op [verdachte]. Ik denk dat [betrokkene 1] ongeveer 5 meter op [verdachte] voor lag. Dit was al vrij kort na de start.

Op een gegeven moment zei [betrokkene 2]: "Zo, hoor je dat?". [betrokkene 2] zei dat hij een klap had gehoord. Toen kreeg [betrokkene 6] een telefoontje. [betrokkene 6] schreeuwde toen: "Stap in de auto er is iets mis". We zijn in de auto gestapt en reden in dezelfde richting als waarin de race vertrokken is. We zijn diezelfde route gereden als dat ze met de straatrace gingen. Wij kwamen toen aan bij de flauwe bocht, ter hoogte van de huizen, die ik hiervoor heb omschreven. Wij reden door die flauwe bocht. Ik zag dat [verdachte] toen met een moordgang ons tegemoet kwam en voorbij reed. Hij ging in de richting van het kraantje. Ik keek naar links of dat [verdachte] was. Dat bleek zo te zijn. Ik keek toen naar rechts en daar zag ik de auto van [betrokkene 1] tegen een boom staan. Ik zag dat een paal, ongeveer 2 meter van de weg af, was omgereden.

Ik riep tegen [betrokkene 4] dat hij moest stoppen omdat ik de auto van [betrokkene 1] tegen die boom zag staan. Ik sprong uit de auto en rende richting de auto van [betrokkene 1]. Ik zag dat zijn auto erg beschadigd was. Ik zag dat de hele auto in elkaar zat. Ik heb [betrokkene 1] nog gezien. Hij was buiten bewustzijn. Hij zat nog wel in de auto.

5. Het ambtsedig proces-verbaal van verhoor getuige, op 10 oktober 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt en als doorlopende pagina's 81 t/m 84 gevoegd bij het op 26 oktober 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt ambtsedig proces-verbaal behorende bij het onderzoek "Kraan", voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 25 september 2011 zijn wij ([betrokkene 2], [verdachte], [betrokkene 3], [betrokkene 5]) naar het kraantje gegaan. Dat was rond 19.00 uur ongeveer. Het kraantje is de oude hijskraan opgesteld als monument langs de dijk. Dat is de Spijksedijk. Op een gegeven moment zag ik [betrokkene 1] aan komen rijden. [betrokkene 1] reed in een Renault Clio, type Williams, kleur blauw. Hij kwam ook naar ons toe.

Nadat we de dag hadden besproken, hoorde ik, dat [betrokkene 1] en [verdachte] een discussie kregen over wie een snellere auto had. Die discussie hadden ze wel vaker. Volgens mij hadden ze nu voor eens en altijd besloten om deze discussie uit de wereld te helpen door te gaan racen tegen elkaar.

Ik zag dat [betrokkene 1] met zijn Renault en [verdachte] met zijn Volkswagen Polo, kleur zwart, type GTI naast elkaar op de weg gingen staan. Dan bedoel ik de Spijksedijk. Ze zouden dan vanaf het kraantje, langs Spijk, richting Tolkamer racen.

Net toen ze wegtrokken keek ik toch om en ik zag toen dat [betrokkene 1] een klein stukje voor [verdachte] lag. Ik dacht na een minuut kreeg, of [betrokkene 7], of [betrokkene 6] telefoon van [verdachte] dat [betrokkene 1] van de dijk af was gereden. Wij zijn toen in onze eigen auto's gestapt om daar naar toe te gaan.

Ik reed voor op in de richting van Tolkamer. Ik heb niet goed gezien waar het gebeurd was en ik was dus in eerste instantie de plek van het ongeval voorbij gereden. Ik zag toen in de binnenspiegel dat [betrokkene 6] wel stopte bij een huis dat aan de dijk staat. Dat huis staat naar mijn schatting ongeveer 600 meter vanaf het kraantje aan de rechterzijde van de weg. Ik zag dus dat [betrokkene 7] het stukje dijk afrende richting de auto van [betrokkene 1]. Ik ben ook naar beneden gelopen. Wij zagen dat [betrokkene 1] buiten bewustzijn was.

6. Het proces-verbaal van verhoor door de raadsheer-commissaris op donderdag 3 oktober 2013, voorzover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik zat met mijn vriendin aan de andere zijde van de Rijn. Aan de overkant was de dijk. Vanaf enig moment zag ik twee auto's. De achterste auto ging snel. Ongeveer tegenover mij haalde de achterste auto de eerste auto in. De inhalende auto reed flink hard. Hij trok ver door in zijn versnelling. Ik hoorde de motor niet, maar er kwam veel kabaal uit de uitlaat. De auto die weg is gereden, reed al tamelijk hard. De inhalende auto had dus niet hoeven in te halen. Tijdens de inhaalactie is de voorste auto niet langzamer gaan rijden. Ik kon goed zien dat ze snel waren. Op het moment dat de inhalende auto voorop reed (dit was ter hoogte van waar ik mij bevond), zag ik heel kort zijn remlichten branden. En toen zag ik dat de auto draaide. Het licht van de auto weerscheen in de lucht. Daarna hoorde ik een knal. Ik denk dat ik de auto's gedurende een afstand van tussen de 200 en 350 meter heb zien rijden. Dat is een schatting. Ik zat op een eiland dat de Rijn in steekt. Dat eiland bevindt zich aan de overkant van de Rijn tussen de plek van de inhaalactie en het ongeval. Rechts van mij werd ingehaald. Links van mij vond het ongeval plaats. Van het begin af aan had je het idee dat de twee bij elkaar hoorden. Als vrienden die samen ergens naar toe reden en zich moesten bewijzen. Het weggedeelte waarover de auto's niet kort achter elkaar reden was 200 meter. Omdat ze allebei zo hard reden dacht ik dat ze bij elkaar hoorden. De ene wilde de andere ook per se inhalen. Dat was echter niet nodig geweest. In het normale verkeer doe je dat niet. Daarom kwam ik op het idee dat ze bij elkaar hoorden.

7. Het ambtsedig proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, BHV-nummer 2011110835, op 28 november 2011 in de wettelijke vorm opgemaakt en als bijlage gevoegd bij het op 24 januari 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt ambtsedig proces-verbaal met proces-verbaalnummer PL0796 2011110835-34, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op zondag 25 september 2011 omstreeks 20.20 uur had er een ongeval plaats gevonden op de Spijksedijk te Spijk. Hierbij was de inzittende van het ongevalvoertuig levensbedreigend gewond geraakt en enkele dagen na het ongeval aan zijn verwondingen overleden.

Het verkeersongeval had plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer opengestelde weg: de Spijksedijk, gelegen buiten de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Spijk in de gemeente Rijnwaarden.

Het verkeersongeval had plaatsgevonden ter hoogte van perceelnummer 23.

Het ongeval vond gezien de rijrichting van het voertuig, merk Renault, plaats in een flauwe bocht naar rechts van de Spijksedijk.

Voor personenauto's bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 60 km/h.

Voor wat betreft de toestand van en het onderhoud aan de weg hebben wij geen bijzonderheden ontdekt die van belang waren voor de oorzaak, de toedracht of de gevolgen van het ongeval.

Het tijdstip dat het ongeval werd gemeld was 20:21 uur.

Het tijdstip van zonsopkomst 07:29 uur.

Het tijdstip van zonsondergang 19:31 uur.

Geen straatverlichting ter plaatse en droog en helder weer.

De personenauto, merk Renault, type Clio Williams en kenteken [002], verkeerde in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud en vertoonde geen gebreken die eventueel de oorzaak of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.

Op zondag 25 september 2011 omstreeks 20:20 uur heeft de bestuurder van de Renault in voorwaartse richting gereden over de Spijksedijk te Spijk, komende uit de richting van de Dijkhoevestraat en gaande in de richting van Lobith. Op een bepaald moment heeft deze bestuurder de controle verloren over zijn voertuig en is het voertuig rechts om zijn verticale as gaan roteren. Vervolgens is de Renault zijdelings de rechter berm in gegleden. In de berm is de Renault vervolgens met de linkerzijde, tegen de rechterzijde van de aldaar geparkeerd staande personenauto, merk Hyundai, kenteken [003], gebotst. Tengevolge van de hoge mate van energie, welke nog aanwezig was in de Renault, is de Renault via de voorzijde van de Hyundai en geheel los van de bodem, vervolgens de tuin ingeworpen van het perceel [a-straat] te Spijk. In de tuin is de Renault uiteindelijk op zijn linkerzijkant tot stilstand gekomen. Hierbij werden door de Renault op en/of rond het erf van het perceel [a-straat] te Spijk een ijzeren toegangshek, een houtenspeeltoestel, houten erf afscheidingsdelen en wat groen voorzieningen vernield.

Op dinsdag 27 september 2011 om 16:30 uur, op de afdeling intensive care van het UMC Radboud ziekenhuis te Nijmegen, vond de schouw plaats van het slachtoffer, dat tengevolge van het verkeersongeval was overleden. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van politie, waren hierbij aanwezig.

Het slachtoffer was genaamd: [betrokkene 1].

Als conclusie gaf de schouwarts aan:

"Het slachtoffer is overleden tengevolge van ernstig hersenletsel, welke goed te verklaren is ten aanzien van het ongeval"."

2.2.3.

Het Hof heeft voorts het volgende overwogen:

"Verdachte heeft op 25 september 2011 te Spijk samen met het latere slachtoffer [betrokkene 1] een snelheidswedstrijd gehouden op de Spijksedijk. Bij die snelheidswedstrijd heeft [betrokkene 1] verdachte eenmaal ingehaald en is verdachte vervolgens door extra gas te geven achter [betrokkene 1] aangereden. De snelheden liepen daarbij op tot 100 km/h terwijl op de dijk 60 km/h was toegestaan en dat alles terwijl het schemerde, het nagenoeg donker was en straatverlichting ontbrak. Kort voor de ongevalsplek is de afstand tussen de auto van verdachte en de auto van [betrokkene 1] vergroot waarna de auto van [betrokkene 1] in een flauwe bocht naar rechts van de weg is geraakt. Ten gevolge van dat ongeval is [betrokkene 1] overleden.

Volgens de verdediging was onderling afgesproken om, op een bepaald punt, te weten de afslag bij de steenfabriek, gelegen ruim voor de ongevalsplek te stoppen met de snelheidswedstrijd. Wat van een dergelijke afspraak ook zij: uit de verklaring van getuige [getuige 3] afgelegd bij de raadsheer-commissaris in samenhang met verdachtes eigen verklaring leidt het hof af dat verdachte niet ver voor de ongevalsplek afstand heeft genomen van [betrokkene 1]. [getuige 3] verklaart namelijk dat hij - kijkend naar de dijk waarover verdachte en [betrokkene 1] reden en over een geschatte afstand van 350 meter - niet alleen de inhaalactie van [betrokkene 1] bij verdachte heeft waargenomen, maar ook het moment waarop verdachte en [betrokkene 1] niet kort achter elkaar reden (volgens de verklaring van [getuige 3] reden beiden gedurende 200 meter niet kort achter elkaar). Nu verdachte zelf heeft verklaard dat hij na de inhaalactie van [betrokkene 1], ter hoogte van de afslag bij de steenfabriek, nog gas heeft bijgegeven, staat dus vast dat verdachte en [betrokkene 1] ook na het gestelde afgesproken punt achter elkaar hebben doorgereden. Het nadien afstand nemen van [betrokkene 1] door verdachte kort voor de ongevalsplek kan dus geen uitvloeisel zijn van een afspraak tussen verdachte en [betrokkene 1], zo die er al zou zijn geweest.

Op basis van de bewijsmiddelen (...) stelt het hof vast dat verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen. Gelet op de gevoerde verweren in hoger beroep zijn de vragen die het hof thans achtereenvolgens heeft te beantwoorden de volgende:

a) Heeft verdachte door zijn zeer onvoorzichtig verkeersgedrag ook schuld aan het verkeersongeval en het overlijden van [betrokkene 1] ten gevolge daarvan?

b) Is sprake van medeplegen aan het culpoos veroorzaken van een verkeersongeval en het overlijden van [betrokkene 1]?

c) Kan het zeer onvoorzichtige verkeersgedrag worden aangemerkt als roekeloos verkeersgedrag?

Het hof overweegt daaromtrent als volgt:

Naar het oordeel van het hof brengt een snelheidswedstrijd een onderlinge dynamiek met zich waarbij, gegeven het competitieve element van die wedstrijd, de ene gevaarlijke verkeersgedraging onlosmakelijk wordt gevolgd door de andere gevaarlijke verkeersgedraging. In die competitieve dynamiek ligt een bewuste en nauwe samenwerking besloten. Tevens valt in een dergelijke dynamiek redelijkerwijs te voorzien dat het onderling samenhangende, gevaarlijke verkeersgedrag tot een verkeersongeval kan leiden met ernstige gevolgen. Verdachte heeft ook zelf verklaard dat het gevaarlijk is op de dijk te racen.

In casu was de aanleiding van de onderlinge competitie een discussie over de snelheid van de auto's van verdachte en [betrokkene 1]. Met die gedachte (het vergelijken van de snelheid van elkaars auto's) zijn verdachte en [betrokkene 1] de wedstrijd aangevangen. Vervolgens is verdachte met hoge snelheid voorop gaan rijden, is verdachte ingehaald door [betrokkene 1] en heeft verdachte daarna nog zijn snelheid verder verhoogd. Er was derhalve sprake van een wisselwerking tussen de onderlinge verkeersgedragingen. Het in die onderlinge competitie van de weg raken van [betrokkene 1] en diens (latere) overlijden, is naar het oordeel van het hof niet alleen toe te rekenen aan [betrokkene 1] zelf, maar ook aan verdachte. Verdachte heeft derhalve schuld aan het ongeval alsmede aan het overlijden van [betrokkene 1] ten gevolg daarvan. Tevens kan naar het oordeel van het hof gesproken worden over het gezamenlijk en in vereniging plegen van de verschillende gevaarlijke verkeersgedragingen, zodat verdachtes handelen kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van het culpoos veroorzaken van het verkeersongeval met dodelijk gevolg. Dat verdachte kort voor het ongeval afstand heeft genomen van [betrokkene 1] staat aan diens schuld aan het dodelijk ongeval niet in de weg. De snelheidswedstrijd was namelijk reeds aangevangen en verdachte heeft daaraan in ieder geval tot zeer kort voor het ongeval geparticipeerd. Verdachte mocht en kon er daarom niet op rekenen dat [betrokkene 1], zo hij het afstand nemen van verdachte zo kort voor het ongeval al heeft kunnen waarnemen, op basis daarvan zijn gevaarlijke verkeersgedrag onmiddellijk zou staken, temeer daar het afstand nemen door verdachte, zoals hiervoor overwogen, geen uitvloeisel kan zijn geweest van een eventuele onderlinge afspraak.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal merkt het hof het verkeersgedrag van verdachte en [betrokkene 1] niet aan als roekeloos. Het hof heeft daartoe in het bijzonder gelet op de verkeerssituatie ter plekke, te weten een tamelijk brede weg, alsmede de afwezigheid van ander verkeer ten tijde van de snelheidswedstrijd. De gereden snelheid, het inhalen en de onderlinge gerichtheid kunnen onder die omstandigheden naar het oordeel van het hof weliswaar worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig rijgedrag maar niet zonder meer als roekeloos rijgedrag."

2.3.

Het Hof heeft voor zijn oordeel dat de verdachte het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft begaan, mede in aanmerking genomen dat:

(i) de verdachte en [betrokkene 1] hebben deelgenomen aan een snelheidswedstrijd waarbij de snelheden opliepen tot 100 km/u, terwijl ter plaatse een maximum snelheid van 60 km/u was toegestaan en terwijl het nagenoeg donker was en straatverlichting ontbrak;

(ii) een snelheidswedstrijd een onderlinge dynamiek met zich meebrengt waarbij, gegeven het competitieve element van die wedstrijd, de ene gevaarlijke verkeersgedraging onlosmakelijk wordt gevolgd door de andere gevaarlijke verkeersgedraging;

(iii) de verdachte, nadat hij was ingehaald door [betrokkene 1], voorbij het volgens de verdediging afgesproken eindpunt van de wedstrijd gas bij heeft gegeven, zodat vaststaat dat de verdachte en [betrokkene 1] ook nadat punt met hoge snelheid achter elkaar hebben doorgereden;

(iv) de verdachte kort voor het ongeval afstand heeft genomen van [betrokkene 1] en dit geen uitvloeisel kan zijn van een afspraak tussen de verdachte en [betrokkene 1];

(v) de verdachte tot zeer kort voor het ongeval aan de snelheidswedstrijd heeft deelgenomen en er niet op mocht rekenen dat [betrokkene 1], zo hij het afstand nemen van de verdachte al heeft kunnen waarnemen, zijn gevaarlijk verkeersgedrag onmiddellijk zou staken.

Het Hof heeft op basis van onder meer deze vaststellingen geoordeeld dat ook de verdachte zich zeer onvoorzichtig heeft gedragen, dat de verdachte schuld heeft aan het ongeval alsmede aan het overlijden van [betrokkene 1] ten gevolge daarvan en dat het ongeval en het (latere) overlijden van [betrokkene 1] ook aan de verdachte is toe te rekenen.

Een en ander geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

2.4.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd overeenkomstig art. 27 Sr de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering te brengen bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf.

3.2.

Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Het Hof heeft daarbij in strijd met doel en strekking van art. 27, eerste lid, Sr beslist dat de door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd "bij de [eventuele] uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht" (vgl. HR 28 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0625, NJ 1997/408). De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de bepaling van de aftrek van de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd;

beveelt dat de tijd welke de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op de taakstraf in mindering zal worden gebracht, in dier voege dat voor iedere dag twee uren zullen worden afgetrokken van het totaal aantal uren;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2015.