Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1245

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
13/06184
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:288, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. Met de vaststelling van de omstandigheid dat verdachte overeenkomstig hetgeen in het UJD staat vermeld “een aantal malen een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen in verband met vermogensdelicten” heeft het Hof als onderdeel van zijn motivering van de straf, kennelijk in antwoord op hetgeen door de raadsman omtrent de strafdocumentatie was aangevoerd, tot uitdrukking gebracht dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelet op alle omstandigheden van het geval nog steeds opportuun is te achten. Gelet op het geheel van de overige in aanmerking genomen factoren is de straf aldus toereikend gemotiveerd.

Een door het Hof genoemde eerdere veroordeling was t.t.v. het bestreden arrest niet onherroepelijk. Aan de klacht dienaangaande is evenwel het belang komen te ontvallen. Tegen voormelde veroordeling is door verdachte beroep in cassatie ingesteld. Het cassatieberoep is bij arrest van de HR van heden verworpen. Daardoor is het arrest van het Hof onherroepelijk geworden. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2015/685
SR-Updates.nl 2015-0234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 mei 2015

Strafkamer

nr. 13/06184

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 3 december 2013, nummer 21/005191-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het vijfde middel

3.1.

Het middel klaagt over de strafmotivering.

3.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 29 oktober 2010 tot en met 15 november 2010 te Almere en te Maarssen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [betrokkene 1] heeft gedwongen tot afgifte van een hoeveelheid geld (te weten een totaalbedrag van 16.750,00 Euro), toebehorende aan [betrokkene 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij heeft gezegd dat hij een wapen bij zich droeg en dat hij dit wapen nodig had om zichzelf te beschermen tegen de woekeraars en dat hij de woekeraars op [betrokkene 1] af zou sturen, althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking;

en

hij op tijdstippen in de periode van 03 februari 2010 tot en met 15 november 2010 te De Meern, gemeente Utrecht en/of te Almere en/of te Maarssen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaarmaking van een geheim [betrokkene 1] heeft gedwongen tot afgifte van een hoeveelheid geld (te weten een totaalbedrag van 132.895,00 Euro, toebehorende aan [betrokkene 1], welke bedreiging hierin bestond dat hij heeft gevraagd of zijn vrouw en kinderen er iets van af wisten en/of heeft gezegd dat hij naar zijn huis zou komen en/of dat hij het bekend zou maken en/of dat hij het zijn vrouw zou vertellen (terwijl hij wist dat [betrokkene 1] niet wilde dat aan zijn vrouw en/of kinderen bekend zou worden dat hij (chat)contact had gehad met (iemand die zich voordeed als) een (jonge) vrouw en/of dat hij (grote) geldbedragen had overgemaakt en/of overhandigd), althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking."

3.2.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"De verdediging kan zich niet verenigen met de door de rechtbank gehanteerde strafmaat. Indien uw Hof tot een bewezen verklaring komt stelt de verdediging dat een werkstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf passend en geboden is. Het feit dateert van 2010. Inmiddels is het meer dan drie jaar geleden. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf is nu niet meer opportuun mede omdat cliënt nimmer voor deze zaak gedetineerd is geweest, niet eerder veroordeeld is voor afpersing en/of afdreiging en geen uitgebreide Strafdocumentatie heeft. Sowieso verliest cliënt bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn baan."

3.2.3.

Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden. Het Hof heeft ten aanzien van de strafoplegging het volgende overwogen:

"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft het slachtoffer gedurende een periode van ruim negen maanden geld afhandig gemaakt door middel van afpersing en afdreiging. Dit is opgelopen tot een totaalbedrag van ruim € 150.000,= euro. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van 18 november 2013 blijkt dat het bewezenverklaarde een enorme impact op het slachtoffer en zijn gezin heeft (gehad), zowel in financieel als in emotioneel opzicht.

Uit het op naam van verdachte gestelde uittreksel justitiële documentatie van 30 oktober 2013 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een bedreiging en dat verdachte een aantal malen een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen in verband met vermogensdelicten. Bij arrest van het hof van heden in de zaak met parketnummer 21-005695-13 wordt verdachte veroordeeld voor het medeplegen van een straatroof.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het bewezenverklaarde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt. Hoewel het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank, acht het hof de straf zoals die door de rechtbank is opgelegd passend en geboden."

3.2.4.

Het in deze strafmotivering vermelde Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 oktober 2013, maakt onder 'volledig afgedane zaken betreffende misdrijven' melding van een onvoorwaardelijke veroordeling tot een geldboete van € 250,- door de politierechter te Utrecht van 1 februari 2013 voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Naar aanleiding van een transactievoorstel uit 2005 wegens diefstallen heeft de verdachte 30 uur werkstraf verricht. Ook heeft de verdachte in 2005 een transactie betaald van € 125,- wegens winkeldiefstal. Voorts wordt vermeld dat aan de verdachte schriftelijke waarschuwingen zijn gegeven op 27 mei 2011 met betrekking tot een diefstal van een auto, op 25 maart 2009 met betrekking tot heling en op 21 oktober 2008 met betrekking tot diefstal uit een woning.

3.3.1.

Met de vaststelling van de omstandigheid dat de verdachte overeenkomstig hetgeen in het Uittreksel Justitiële Documentatie staat vermeld "een aantal malen een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen in verband met vermogensdelicten" heeft het Hof als onderdeel van zijn motivering van de straf, kennelijk in antwoord op hetgeen door de raadsman omtrent de strafdocumentatie was aangevoerd, tot uitdrukking gebracht dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelet op alle omstandigheden van het geval nog steeds opportuun is te achten. Gelet op het geheel van de overige in aanmerking genomen factoren is de straf aldus toereikend gemotiveerd.

3.3.2.

De door het Hof genoemde veroordeling met parketnummer 21-005695-13 was ten tijde van het arrest niet onherroepelijk. Aan de klacht dienaangaande van het middel is evenwel het belang komen te ontvallen. Tegen voormelde veroordeling is door de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Het cassatieberoep is bij arrest van de Hoge Raad van heden, nr. 13/06188, verworpen. Daardoor is het arrest van het Hof onherroepelijk geworden. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter- van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2015.