Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1243

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
13/02746
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:444, Contrair
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:606, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2013:3049, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Noodweer. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BM7508 m.b.t. het feit dat van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet kan worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Het Hof heeft het beroep op noodweer verworpen, omdat naar diens oordeel voor verdachte de reële mogelijkheid bestond om, nadat het eerdere conflict met het latere slachtoffer was beëindigd, weg te gaan en zich te onttrekken aan verder agressief gedrag van het latere slachtoffer. Dat oordeel is ontoereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de situatie voorafgaand aan het incident (waarbij zowel door verdachte als door het latere slachtoffer is geschoten), welke vaststellingen inhouden dat buiten het partycentrum sprake was van een ruzie waarbij onder meer verdachte en het latere slachtoffer waren betrokken, dat verdachte na afloop van die ruzie samen met een ander naar zijn auto is gelopen, dat verdachte vervolgens is teruggelopen in de richting van het partycentrum en bij de auto van een derde is gaan staan en dat het slachtoffer vervolgens in de richting van verdachte is gelopen, daarbij verbaal tekeer ging en een wapen bij zich had. De HR neemt bij zijn oordeel voorts in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat het eerdere conflict met het slachtoffer was beëindigd, dat het slachtoffer zelf, terwijl verdachte zich eerst naar zijn auto en vervolgens naar de auto van een derde had begeven, in de richting van verdachte is gelopen en dat uit ’s Hofs vaststellingen niet zonder meer volgt dat verdachte reeds op het moment dat hij naar zijn auto liep, wist dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich droeg. Tegen die achtergrond is niet begrijpelijk het kennelijke oordeel van het Hof dat sprake was van een dreigende aanranding waaraan verdachte zich had moeten onttrekken. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/1058
NJ 2015/258 met annotatie van
RvdW 2015/678
SR-Updates.nl 2015-0227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 mei 2015

Strafkamer

nr. 13/02746

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 april 2013, nummer 22/004363-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft bij conclusie en aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan in de mate als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer.

2.2.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 5 september 2010 te Zoetermeer, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen kogels afgevuurd op het lichaam van [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

2.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, zaaknummer 2010.09.03.32, d.d. 20 januari 2011, opgemaakt en ondertekend door de deskundige P.M.I. van Driessche, arts en patholoog. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 123 t/m 127):

als relaas van deze deskundige:

Overledene

Naam [slachtoffer]

Geboortedatum [geboortedatum] 1988

Geboorteplaats [geboorteplaats]

Bij sectie werd het lichaam van een jongeman gezien met in totaal minimaal 3 of maximaal 5 schotletsels, bij leven opgelopen door inwerking van uitwendig heftig perforerend geweld, die hebben geleid tot intern en extern zeer ernstig bloedverlies/verbloeding. Alle schotletsels aan de romp hebben ieder op zich en/of in combinatie geleid tot het overlijden. Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door verbloeding ten gevolge van schotletsel.

2. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2013 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik was op 4 september (het hof begrijpt: in de avond/nacht van 4 op 5 september) 2010 op het feest in het partycentrum Ons in Zoetermeer. Ik liep samen met [betrokkene 1] naar buiten. [betrokkene 1] en ik liepen in de richting van mijn auto. [betrokkene 1] werd door drie jongens tegen gehouden. Die vroegen iets aan hem. Ik liep een stukje door. Ik draaide me om en liep terug. [betrokkene 1], [betrokkene 2], [slachtoffer] en [betrokkene 3] waren in discussie. [betrokkene 1] en ik liepen op een gegeven moment richting mijn auto. Ik zag dat [betrokkene 3], [slachtoffer] en [betrokkene 2] in de richting van hun auto liepen. [betrokkene 1] pakte een vest uit de auto. Ik liep terug naar [betrokkene 4] en praatte met haar. Plotseling stond hij (het hof begrijpt: [slachtoffer]) bij mij en schreeuwde hij allemaal dingen tegen mij. Onder andere dat ik moest laten zien dat ik stoer was. Ik zei tegen [slachtoffer] dat ik geen ruzie met hem had en dat hij me met rust moest laten.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Haaglanden met nr. 2010/182028. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 17 september 2010 afgelegde verklaring van de verdachte:

Ik word [verdachte] genoemd.

4. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 september 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010/182028. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 278 t/m 284):

als de op 14 september 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 5]:

Ik ben vorige week in Groningen bij een verkeerscontrole gecontroleerd. Ik heb toen verteld dat ik getuige was geweest van een schietpartij bij het Partycentrum in Zoetermeer.

Ik hoorde mensen schreeuwen naar elkaar. Ik zag dat een man, die later werd neergeschoten, met een zilverkleurig pistool in zijn handen stond. Hij zwaaide met het pistool in zijn rechterhand in het rond. Ik hoorde en zag dat deze man boos was en liep te schreeuwen. De man schreeuwde. "Ik ben niet bang. Ik ben helemaal klaar met jullie. Doe wat jullie willen doen. Ik ben helemaal voorbereid."

De jongen die later werd neergeschoten zei tegen [verdachte]: "Laat zien dat je stoer bent. Nu moet je laten zien dat je stoer bent"; daarbij haalde de jongen die later werd neergeschoten zijn pistool uit zijn rechter broekzak. Hij hield het pistool tegen de zijkant van zijn been naar beneden gericht.

Ik hoorde 8 knallen en keek waar de knallen vandaan kwamen.

Toen ik de knallen hoorde draaide ik mij om. Ik zag het licht van een pistool terwijl de knallen nog kwamen. Ik zag ook iets zwarts in één van de handen van [verdachte]. Ik begon toen te rennen. Toen zag ik het slachtoffer naar [verdachte] schieten. [verdachte] hield het wapen met één hand vast. Ik zag dat [verdachte] richtte en schoot in de richting van het slachtoffer.

[verdachte] is dik. Heeft een buik. Hij heeft een stoppelbaard. Hij had kort haar plat gekamd. Het haar was een paar centimeter lang. Zijn huidskleur is licht.

5. Een proces-verbaal van simultane fotobewijsconfrontatie (met één getuige) d.d. 28 oktober 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010/1820/28. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 174 t/m 178):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op donderdag 21 oktober 2010 heb ik naar aanleiding van een op 5 september 2010 gepleegde schietpartij te Zoetermeer een simultane fotobewijsconfrontatie gehouden, waarbij de getuige [betrokkene 5], werd geconfronteerd met 10 foto's van personen, waaronder een foto van de verdachte [verdachte].

6. Een proces-verbaal van tonen selectie bij simultane fotobewijsconfrontatie d.d. 21 oktober 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010/1820/28. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 180 t/m 181):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op donderdag 21 oktober 2010, omstreeks 13.50 uur, confronteerde ik als getuigenbegeleider op verzoek van de confrontatieleider [verbalisant], de getuige

[betrokkene 5]

Geboortedatum : [geboortedatum]-1988,

met een fotoselectie van 10 personen.

De getuige keek aandachtig naar de foto's en klikte gelijk nummer 5 aan.

De getuige antwoordde: "het is die".

Na afloop van de confrontatie deelde de confrontatieleider mij mede, dat de foto van de verdachte in de selectie op plaats 5 stond.

7. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 juni 2011. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 8 juni 2011 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik ben samen met [verdachte] op het feest geweest. Wij gingen naar buiten. Toen ik buiten was, werd ik ineens aangevallen door die jongen die is doodgeschoten en die jongen met één arm. Ik weet nu dat zij [slachtoffer] en [betrokkene 2] heten. Zij stonden voor mij en blokkeerden mijn doorgang. [slachtoffer] zei tegen mij: "Waarom heb jij hem vies aangekeken?" Hij wees daarbij op [betrokkene 2]. Vervolgens kwam [verdachte] erbij. [slachtoffer] of [betrokkene 2] maakte hem toen uit voor flikker en zei dat hij zich er niet mee moest bemoeien en beter door kon lopen. Ze gingen met hem bekvechten. Ik ben toen tussenbeide gekomen en ik heb gezegd: "Kom we gaan, laat dit probleem. Een jongen met rasta haar zei ook zoiets tegen [slachtoffer] en [betrokkene 2]. Hij nam ze mee in de richting van de auto's. Ik ben toen met [verdachte] naar onze auto gelopen. Daar heb ik mijn vest gepakt. [verdachte] ging vervolgens terug. Hij werd toen aangeroepen door een meisje in een auto. [verdachte] liep toen naar die auto. Ik ben met hem meegelopen. Toen we bij de auto stonden, stonden die [slachtoffer] en [betrokkene 2] opeens weer voor ons. Er ontstond toen een woordenwisseling. Het was vooral [slachtoffer] die tekeer ging. Hij richtte zich vooral tegen [verdachte]. Ik zag dat [slachtoffer] een pistool in zijn hand had.

8. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 11 mei 2011. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 11 mei 2011 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

Het was na het feest. Ik stond buiten. Ik stond bij een parkeerplaats. Ik heb gezien en gehoord dat de lichte man en de donkere man ruzie hadden. Ik zag en hoorde dat zij woorden met de mond hadden en dat zij schreeuwden. Ik hoorde de donkere man zeggen dat hij niet bang was om dood te gaan. Ik zag de lichte man naar de geparkeerde auto's lopen. Ik zag hem ook weer terug lopen. Ik zag toen dat zij schoten. Ik hoorde die klappen, dat geluid van een geweer, en ik zag ook vuur, van die rode lichtjes. U vraagt mij bij wie ik dat zag. Bij allebei, dus bij die lichte man en bij die donkere man. Ik kan niet zeggen bij wie ik dat het eerste zag. Hierna zag ik die lichte man met zijn arm gestrekt weglopen van de donkere man. Vervolgens zag ik dat iedereen ging rennen en daarna zag ik die donkere jongen op de grond liggen.

U vraagt mij of ik denk of de donkere en de lichte man allebei hebben geschoten.

Ik denk het wel. Dat denk ik omdat zij de enige twee waren die ruzie hadden. Ik heb ook bij allebei vuur gezien.

De rechter-commissaris vraagt mij of ik dat heel zeker weet. Ja.

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 april 2010 van de politie Haaglanden met nr. 2010 182028. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 154 t/m 157):

als de op 6 september 2010 afgelegde verklaring van [betrokkene 6]:

Op zondag 5 september 2010 was ik op het Antilliaans feest te Zoetermeer. Ik zag en hoorde dat een donkere man en een licht getinte man ruzie met elkaar hadden. De licht getinte man liep weg van de donkere man. Korte tijd later zag ik dat de licht getinte man terug kwam. Hij schoot met een pistool op de donkere man. Ik zag vuur komen uit het pistool. Ik zag dat de donkere man neerviel in het gras.

De licht getinte man, de man die schoot, omschrijf ik als volgt:

Het was een breed gespierde man. De man droeg een wit T-shirt. Op de voorzijde was het T-shirt voorzien van een zwarte print.

10. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 8 augustus 2011. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 8 augustus 2011 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 7]:

Ik zat achter in de auto in het midden. [betrokkene 8] zat achter het stuur. Ik keek daarbij naar [betrokkene 8]. Ik hoorde opeens schoten. Het waren wel iets van vijf of zes schoten. Ik keek naar buiten en toen zag ik [slachtoffer] (het hof begrijpt: [slachtoffer]) naar achteren komen. Hij deed twee of drie stappen achteruit en toen viel hij. Ik zag verder dat één van die twee mannen waar [slachtoffer] ruzie mee had, op hem schoot. Die man leek op [verdachte]. Ik herkende hem aan zijn shirt en aan zijn postuur. Ik zag dat die man schoot. U vraagt mij wat ik dan precies zag. Ik zag hem met een gestrekte arm en met een vuurwapen. Ik zag ook vlammen. U vraagt mij in welke hand [verdachte] het vuurwapen had. Rechts.

U houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard over een grote man die leek op [verdachte] en dat ik hem herkende aan zijn blouse en zijn postuur. Dat klopt, ik had [verdachte] eerder op het feest al gezien dus ik wist wat voor een shirt hij aanhad.

[verdachte] heeft geschoten."

2.4.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van de verdachte heeft - voor het geval het hof bewezen zou verklaren hetgeen de verdachte is ten laste gelegd - een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - betoogd dat het schieten van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft zijn vuurwapen op de verdachte gericht en heeft schoten in zijn richting gelost. Daartegen kon en mocht de verdachte zich verdedigen. De raadsman is van mening dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 5 september 2010 zijn buiten partycentrum "Ons" te Zoetermeer met een vuurwapen schoten afgevuurd tengevole waarvan [slachtoffer] is overleden.

Die nacht vond in het partycentrum een feest plaats. Na afloop van het feest ontstond buiten het partycentrum een ruzie, waarbij [betrokkene 1] en [betrokkene 2], het latere slachtoffer [slachtoffer] en de verdachte waren betrokken. [slachtoffer] en [betrokkene 2] keerden zich tegen de verdachte en er werd geschreeuwd. [slachtoffer] was die avond heel boos en agressief. Na deze ruzie is de verdachte, samen met [betrokkene 1], naar zijn auto gelopen. [betrokkene 1] heeft een vest uit die auto gepakt en hierna is de verdachte terug gelopen en heeft hij bij de auto van [betrokkene 4] gestaan. Vervolgens is [slachtoffer] in de richting van de verdachte gelopen. [slachtoffer] ging verbaal tekeer tegen de verdachte en hij had een wapen bij zich. Vervolgens hebben zowel [slachtoffer] als de verdachte op elkaar geschoten, waarbij [slachtoffer] dodelijk is geraakt.

Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn onder meer het al dan niet plotselinge karakter van de aanranding, de plaats waar de aanranding plaatsvond en het gedrag van de verdachte voorafgaand aan de aanranding.

Het hof is van oordeel dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt.

Hoewel ook het hof er van uitgaat dat [slachtoffer] op enig moment met een vuurwapen schoten heeft gelost, bestond er naar het oordeel van het hof voor de verdachte de reële mogelijkheid om, nadat het eerdere conflict met [slachtoffer] was beëindigd, weg te gaan en zich aan verdere agressief gedrag van [slachtoffer] te onttrekken.

Weggaan en aldus een nadere confrontatie voorkomen kon naar 's Hofs oordeel in de gegeven omstandigheden ook van de verdachte worden gevergd.

Immers, de agressie van [slachtoffer] was kennelijk gericht tegen de verdachte en niet tegen de andere aanwezige personen. De verdachte wist dat ook. De verdachte en [betrokkene 1] hebben op enig moment eerder die nacht aan [betrokkene 3] gevraagd om met [betrokkene 2] en [slachtoffer] te praten. [betrokkene 3] heeft toen ook daadwerkelijk gesproken met [betrokkene 2] en [slachtoffer], maar zij wilden niet naar hem luisteren.

Toen had de verdachte, gelet op de toestand van [slachtoffer], zich kunnen en ook moeten realiseren dat de situatie kon escaleren.

Dit klemt te meer, nu het hof - anders dan de verdediging heeft betoogd - op grond van de verklaringen van de getuigen [betrokkene 5], [betrokkene 9] en [betrokkene 10] ervan uitgaat dat de verdachte op enig moment heeft gezien dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had.

De verdachte is desondanks naar zijn auto gelopen en is daarna niet vertrokken hoewel hij daartoe wel in de gelegenheid was, maar hij is terug gelopen in de richting van het partycentrum waar [slachtoffer] zich bevond in het bezit van een vuurwapen, wetende dat [slachtoffer] het die avond op hem gemunt had, agressief was en ook een vuurwapen bij zich droeg.

Het verweer wordt verworpen."

2.5.

Van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding kan niet worden gesproken, indien degene die zich verdedigt zich aan de (dreigende) aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Bij beantwoording van de vraag of aan de verdachte het zogenoemde onttrekkingsvereiste kan worden tegengeworpen, komt het aan op de omstandigheden van het geval (vgl. HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BM7508, NJ 2010/301).

2.6.

Het Hof heeft het beroep op noodweer verworpen, omdat naar zijn oordeel voor de verdachte "de reële mogelijkheid [bestond] om, nadat het eerdere conflict met [slachtoffer] was beëindigd, weg te gaan en zich [te onttrekken] aan verdere agressief gedrag van [slachtoffer]" en "weggaan en aldus een nadere confrontatie voorkomen kon naar 's hofs oordeel in de gegeven omstandigheden ook van de verdachte worden gevergd".

Het Hof heeft omtrent de situatie voorafgaand aan het schietincident - waarbij zowel door de verdachte als door het slachtoffer is geschoten - vastgesteld:

- dat buiten het partycentrum sprake was van een ruzie waarbij onder meer de verdachte en het latere slachtoffer waren betrokken;

- dat de verdachte na afloop van die ruzie samen met [betrokkene 1] naar zijn auto is gelopen;

- dat de verdachte vervolgens is teruggelopen in de richting van het partycentrum en bij de auto van [betrokkene 4] is gaan staan;

- dat het slachtoffer vervolgens in de richting van de verdachte is gelopen, daarbij verbaal tekeer ging en een wapen bij zich had.

2.7.

Gelet hierop is 's Hofs verwerping van het beroep op noodweer ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat het eerdere conflict met het slachtoffer was beëindigd, dat het slachtoffer zelf - terwijl de verdachte zich eerst naar zijn auto en vervolgens naar de auto van een derde had begeven - in de richting van de verdachte is gelopen, en dat uit 's Hofs vaststellingen niet zonder meer volgt dat de verdachte reeds op het moment dat hij naar zijn auto liep, wist dat het slachtoffer een vuurwapen bij zich droeg. Tegen die achtergrond is niet begrijpelijk het oordeel van het Hof dat sprake was van een dreigende aanranding in voornoemde zin waaraan de verdachte zich had moeten onttrekken.

2.8.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2015.