Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1198

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
01-05-2015
Zaaknummer
14/04594
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:149
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:GHSHE:2014:3569
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Effectenlease. Verbintenissenrecht. Ingangsdatum wettelijke rente over de door de aanbieder van effectenleaseovereenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg (termijnbetalingen en aflossingen minus dividenduitkeringen). Dag van beëindiging effectenleaseovereenkomst of dag van betaling elk gedeelte van de inleg? Art. 6:119 lid 1 BW, art. 6:83 onder b BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/173 met annotatie van mr. T.M.C. Arons
NTHR 2015, afl. 4, p. 207
TvPP 2015, afl. 4, p. 117
NJB 2015/925
JWB 2015/175
RvdW 2015/628
RF 2015/72
JONDR 2015/671
RAV 2015/73
RCR 2015/61
JOR 2015/173 met annotatie van mr. T.M.C. Arons
NJ 2015/425

Uitspraak

1 mei 2015

Eerste Kamer

14/04594

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Dexia en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 719749/12-3198 van de kantonrechter te Bergen op Zoom van 17 april 2013;

b. de arresten in de zaak HD 200.129.702/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 juni 2014 en 9 september 2014.

De arresten van het hof zijn aan deze beslissing gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemd tussenarrest heeft het hof op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld:

“Wat is de ingangsdatum van de wettelijke rente over de door de aanbieder van effectenleaseovereenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg? Het gaat hierbij om termijnbetalingen en eventuele aflossingen (minus dividenduitkeringen) die de afnemer voorafgaande aan de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst(en) uit hoofde van die effectenleaseovereenkomst(en) heeft betaald.”

Beide partijen hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot beantwoording van de prejudiciële vraag als volgt:

De ingangsdatum van de wettelijke rente over de door de aanbieder van effectenleaseovereenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen (minus dividenduitkeringen)) die de afnemer voorafgaande aan de beëindiging van de effectenleaseovereenkomst(en) uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten heeft betaald, is de datum van beëindiging van de effectenleaseovereenkomst(en).

De advocaat van [verweerder] heeft bij brief van 13 maart 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beantwoording van de prejudiciële vraag

3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vraag gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.

(i) Dexia is de rechtsopvolger van Bank Labouchere N.V., die ook handelde onder de naam Legio-Lease.

(ii) Op of omstreeks 30 maart 1998 heeft [verweerder] door tussenkomst van Spaar Select B.V. (hierna: Spaar Select) met Labouchere (hierna aan te duiden als haar rechtsopvolger Dexia) twee gelijksoortige effectenlease-overeenkomsten gesloten (genaamd Maximaal Rendement Effect) met contractnummers [001] en [002] (hierna ook: de overeenkomsten).

(iii) Ingevolge de overeenkomsten heeft [verweerder] tweemaal een geldbedrag van ƒ 51.309,03 van Dexia geleend waarmee effecten (in vier fondsen) zijn aangekocht die [verweerder] van Dexia heeft geleaset. Over beide leningen was [verweerder] tijdens de looptijd van de overeenkomsten (180 maanden) rente verschuldigd tot een bedrag van ƒ 88.504,20 en administratiekosten van ƒ 1.800,--. Deze bedragen vormden tezamen de leasesom van ƒ 141.613,23. Deze leasesom diende voor elke overeenkomst als volgt te worden voldaan: een bedrag van ƒ 24.081,12 (de som van 60 maandelijkse termijnen minus 20% korting) op of omstreeks de eerste van de maand volgend op de dag van ontvangst van de overeenkomst; vanaf de 61e maand 120 opvolgende maandelijkse termijnen van ƒ 501,69; een bedrag van ƒ 100,-- op of omstreeks de 179e maand en een restantbedrag van ƒ 51.209,03 aan het einde van de overeenkomst.

(iv) De overeenkomsten zijn op 14 juli 2005 tussentijds beëindigd. Op de door Dexia per datum beëindiging gemaakte eindafrekeningen is vermeld dat [verweerder] een bedrag van € 8.754,16 (contractnummer [001]) respectievelijk € 8.849,54 (contractnummer [002]) aan Dexia is verschuldigd. Deze bedragen zijn niet door [verweerder] betaald.

(v) [verweerder] had op het moment van de beëindiging van de overeenkomsten (per saldo) in totaal (voor beide overeenkomsten) een bedrag van € 25.766,72 aan Dexia betaald. Blijkens een door Dexia overgelegd overzicht bestaat dit bedrag uit het verschil tussen de door [verweerder] aan Dexia betaalde termijnen, zijnde in totaal € 33.597,50 (€ 16.846,44 plus € 16.751,06) minus dividenduitkeringen, zijnde in totaal € 7.830,78 (tweemaal € 3.915,39).

(vi) Leaseproces B.V. (hierna: Leaseproces) heeft als gevolmachtigde van [verweerder] bij aan Dexia gerichte brief de nietigheid van de overeenkomsten ingeroepen.

(vii) Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033, NJ 2007/427) heeft het hof Amsterdam de (gewijzigde) WCAM-overeenkomst van 8 mei 2006 verbindend verklaard voor de ‘gerechtigden’ als bedoeld in art. 2 van die overeenkomst, met dien verstande dat een gerechtigde tot schadevergoeding binnen zes maanden na de aankondiging dat de beschikking onherroepelijk is geworden door een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW kon laten weten niet gebonden te willen zijn. Leaseproces heeft namens [verweerder] tijdig laten weten dat hij niet aan de verbindend verklaarde overeenkomst gebonden wil zijn. Uitgangspunt in het onderhavige geding is daarom dat [verweerder] niet gebonden is aan de verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst.

3.2.1

Partijen hebben, voor zover van belang, de volgende vorderingen ingesteld.

3.2.2

Dexia heeft in conventie gevorderd dat [verweerder] zal worden veroordeeld om aan haar te betalen een bedrag van € 5.867,31 (een derde van de op de eindafrekening vermelde schuld), te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. [verweerder] heeft in reconventie gevorderd te verklaren voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en jegens hem aansprakelijk is voor de gehele als gevolg daarvan door hem geleden schade. Hij heeft gevorderd Dexia te veroordelen tot betaling van de door hem betaalde inleg ten bedrage van € 25.766,72 met rente en kosten.

3.2.3

Het hof heeft, voor zover van belang voor de beantwoording van de prejudiciële vraag, het volgende overwogen.

3.2.4

Niet in geschil is (1) dat Dexia als aanbieder van de desbetreffende effectenleaseovereenkomsten, die door tussenkomst van Spaar Select zijn aangeboden, jegens [verweerder] is tekortgeschoten in haar tweeledige zorgplicht (haar waarschuwingsplicht en haar onderzoeks-plicht) (rov. 4.9.4), (2) dat Dexia als gevolg van de niet-nakoming van haar zorgplicht onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld en (3) dat zij uit dien hoofde aansprakelijk is voor de door [verweerder] geleden schade. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de financiële positie van [verweerder] destijds van dien aard was dat voldoening van de leasetermijnen en/of de mogelijke (maximale) restschuld, een onaanvaardbaar zware financiële last op [verweerder] legden (rov. 4.9.5).

3.2.5

Tussen partijen is wél in geschil de ingangsdatum van de wettelijke rente over de door Dexia aan [verweerder] (gedeeltelijk) te vergoeden inleg (de betaalde termijnen minus dividenduitkeringen). Daarover heeft het hof het volgende overwogen:

4.18.3

[verweerder] stelt dat Dexia voorafgaande aan het aangaan van de overeenkomsten de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden en daarmee onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld. Zonder dat tekortschieten van Dexia in haar zorgplicht zou [verweerder] de effectenlease-overeenkomsten niet hebben gesloten. In dat geval zou [verweerder] geen schade hebben geleden in de vorm van de betaalde inleg. [verweerder] stelt dat de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is geworden op het moment waarop de schade wordt geleden dan wel geacht moet worden te zijn geleden, zijnde de dagen waarop hij de respectieve betalingen heeft betaald. De te vergoeden schade bestaat, aldus [verweerder], daarom tevens uit de wettelijke rente over de betaalde inleg over de tijd dat Dexia met de voldoening daarvan in verzuim is.

4.18.4

Dexia stelt daarentegen, onder verwijzing naar het arrest van het hof Amsterdam van 1 december 2009 (GHAMS:2009:BK4978), dat de wettelijke rente over de betaalde inleg pas is verschuldigd op het moment dat een opeisbare verbintenis tot schadevergoeding is ontstaan, zijnde de dag waarop de effectenlease-overeenkomsten zijn geëindigd. Pas dan blijkt dat de wederpartij schade heeft geleden tot vergoeding waarvan Dexia is gehouden, aldus Dexia.

3.2.6

Het hof heeft vervolgens de hiervoor in 2 vermelde prejudiciële vraag gesteld.

3.3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vraag dient tot uitgangspunt dat Dexia als aanbieder van de effectenleaseovereenkomsten onrechtmatig tegenover [verweerder] heeft gehandeld (zie hiervoor in 3.2.4 onder (2)). Ook is uitgangspunt dat de financiële positie van [verweerder] destijds van dien aard was dat voldoening van de leasetermijnen of van de mogelijke (maximale) restschuld een onaanvaardbaar zware financiële last op [verweerder] legde. In een zodanig geval kan – behoudens zwaarwegende aanwijzingen van het tegendeel – ervan worden uitgegaan dat de afnemer van het desbetreffende product (hierna ook: de afnemer) zonder dat onrechtmatig handelen de overeenkomst niet zou hebben gesloten en dient de aanbieder – behoudens een vermindering van de vergoedingsplicht op grond van art. 6:101 BW (eigen schuld) – als schade te vergoeden de nadelige financiële gevolgen voor de afnemer van het aangaan van de overeenkomst. Onder die schade moet niet alleen de eventuele restschuld worden begrepen, maar ook de reeds betaalde rente en, in voorkomende gevallen, de reeds betaalde aflossing alsmede de in rekening gebrachte kosten. (HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182 ([A]/Dexia), HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2811, NJ 2012/183 (Levob/[B]), HR 9 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2822, NJ 2012/184 (Stichting Gesp/Aegon))

3.3.2

Ingevolge art. 6:119 lid 1 BW is Dexia wettelijke rente verschuldigd over de door haar aan [verweerder] te betalen schadevergoeding gedurende de tijd dat zij met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Nu de verbintenis tot schadevergoeding voortvloeit uit een door Dexia gepleegde onrechtmatige daad, was zij met de voldoening daarvan op grond van art. 6:83, aanhef en onder b, BW zonder ingebrekestelling in verzuim vanaf het moment waarop de schade werd geleden.

3.3.3

De wettelijke rente is daarom telkens verschuldigd vanaf elk moment waarop schade wordt geleden. Het voorgaande betekent voor de onderhavige inleg, bestaande uit termijnbetalingen en eventuele aflossingen, dat de wettelijke rente over elk betaald gedeelte van de inleg verschuldigd wordt vanaf de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte.

3.4.1

Dexia heeft op zichzelf terecht aangevoerd dat het enkele feit dat zij onrechtmatig tegenover [verweerder] heeft gehandeld, nog niet meebrengt dat zij tegenover hem daadwerkelijk schadeplichtig is geworden. De mogelijkheid bestaat immers in het algemeen dat de benadeelde, naast schade als gevolg van deze onrechtmatige daad, tevens uit dezelfde of uit andere soortgelijke transacties voordeel heeft verkregen, welk voordeel op de voet van art. 6:100 BW bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht (zie HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4012, NJ 2013/40 ([C]/Dexia)).

Anders dan Dexia voorstaat, volgt hieruit echter niet dat als peildatum voor de renteberekening over een eventueel resterende vordering tot schadevergoeding van [verweerder] de datum heeft te gelden waarop de effectenleaseovereenkomsten zijn geëindigd. Op zichzelf is juist dat pas na beëindiging van die overeenkomsten – indien daartoe aanleiding is: mede met toepassing van de art. 6:100 BW (voordeelstoerekening) en 6:101 BW (eigen schuld) – kan worden vastgesteld of schade is geleden en, zo ja, de eventuele schade van de afnemer kan worden berekend. Maar indien de rechter met inachtneming van het hiervoor overwogene uiteindelijk tot het oordeel komt dat de afnemer van het desbetreffende product schade heeft geleden, dient deze schade te worden berekend vanaf het moment dat deze is geleden. Dat betekent dat de wettelijke rente telkens verschuldigd wordt vanaf het moment waarop een schadepost ontstaat (vgl. de MvA II bij art. 6:119 BW, Parl. Gesch. Boek 6, p. 475). Daaraan doet niet af dat de effectenleaseovereenkomsten pas op een latere datum zijn geëindigd.

3.4.2

Als bezwaar van meer praktische aard heeft Dexia voorts nog aangevoerd dat een dergelijke wijze van schadeberekening in de praktijk omslachtig, tijdrovend en dus kostbaar is, en dat het veel eenvoudiger is om de wettelijke rente over het per beëindigingsdatum te betalen saldo te berekenen. Dit weegt volgens Dexia extra zwaar omdat het gaat om (zeer) talrijke gevallen.

3.4.3

Dit bezwaar – wat daarvan zij – is onvoldoende grond om degenen die schade hebben geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van Dexia het recht op vergoeding van een gedeelte van die schade te onthouden. Voor zover over de berekening van de rente in een concreet geval geschil bestaat, kan de rechter Dexia - mede omdat alle relevante gegevens zich in haar domein bevinden - gelasten een voor de wederpartij en hemzelf op alle onderdelen duidelijke renteberekening in het geding te brengen (zowel wat grondslagen daarvan betreft als wat de uitwerking daarvan aangaat), die als uitgangspunt kan dienen voor het verdere debat tussen partijen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

beantwoordt de prejudiciële vraag aldus dat de wettelijke rente over de door de aanbieder van effectenleaseovereenkomsten aan de afnemer te vergoeden inleg, bestaande uit termijnbetalingen en eventuele aflossingen (minus dividenduitkeringen) die de afnemer voorafgaande aan de beëindiging van de effectenleaseovereenkomsten uit hoofde van die effectenleaseovereenkomsten heeft betaald, verschuldigd is telkens vanaf het moment waarop een desbetreffend gedeelte van de inleg daadwerkelijk is voldaan;

begroot de kosten van deze prejudiciële procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv aan de zijde van beide partijen op nihil aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beslissing is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 1 mei 2015.