Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1114

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-04-2015
Datum publicatie
24-04-2015
Zaaknummer
11/03038
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:60, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Financieel recht. Geldt bij executoriale verkoop van effecten de prospectusplicht (art. 5:2 Wft)? Art. 3 lid 1 Richtlijn 2003/71/EG (Prospectusrichtlijn). Vervolg op HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7006 en HvJEU 17 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2226.

Wetsverwijzingen
Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht 5:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2015/870
JWB 2015/168
Ondernemingsrecht 2015/59 met annotatie van C.W.M. Lieverse
RvdW 2015/797
JONDR 2015/670
NJ 2016/47 met annotatie van Redactie, V.P.G. de Serière
NTHR 2015, afl. 4, p. 206
JOR 2015/171
OR-Updates.nl 2015-0167
mr. drs. S.J. Hoes-Weishut, mr. H. de Rooij en mr. A.E.E. Verspyck Mijnssen annotatie in UDH:FR/12422
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 april 2015

Eerste Kamer

11/03038

EV/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. ALMER BEHEER B.V.,
gevestigd te Oosterhout,

2. DAEDALUS HOLDING B.V.,
gevestigd te Oosterhout,

VERZOEKSTERS tot cassatie,

advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes,

t e g e n

1. [verweerster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [verweerster 2],
gevestigd te [vestigingsplaats], België,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. D.M. de Knijff.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Almer Beheer c.s. en [verweerders]

1 Het verdere verloop van het geding in cassatie

Voor het verloop van het geding in cassatie tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenbeschikking van 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7006, NJ 2012/549 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) van 17 september 2014, ECLI:EU:C:2014:2226.

Het geding in cassatie is op verzoek van [verweerders] hervat. Partijen hebben afgezien van het geven van een nadere schriftelijke toelichting.

De nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2 Verdere beoordeling van het middel

2.1.1

De Hoge Raad verwijst voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, naar rov. 3.1.2 van zijn hiervoor in 1 genoemde tussenbeschikking van 28 september 2012.

2.1.2

In de zojuist genoemde tussenbeschikking is overwogen dat het in dit geding, kort gezegd, gaat om de vraag of in het kader van een executoriale verkoop van effecten de in art. 5:2 Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) omschreven prospectusplicht van toepassing is (rov. 3.1.1). Art. 5:2 Wft vormt de implementatie van art. 3 lid 1 van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten, Pb L 345/64 (hierna: de Prospectusrichtlijn).

De Hoge Raad heeft over art. 3 lid 1 en art. 1 lid 2, punt h, van de Prospectusrichtlijn de volgende prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU:

“1. Dient art. 3 lid 1 van de Prospectusrichtlijn aldus te worden uitgelegd dat de daarin opgenomen prospectusplicht in beginsel (dat wil zeggen afgezien van de in de richtlijn opgenomen vrijstellingen en uitzonderingen voor bepaalde gevallen) ook van toepassing is op een executoriale verkoop van effecten?

2. (a) Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, dient dan het begrip “de totale tegenwaarde van de aanbieding” als bedoeld in art. 1 lid 2, punt h, van de Prospectusrichtlijn, aldus te worden uitgelegd dat bij een executoriale verkoop van effecten uitgegaan moet worden van de, met inachtneming van het bijzondere karakter van een executieverkoop, redelijkerwijs te verwachten opbrengst, ook indien de redelijkerwijs te verwachten opbrengst aanzienlijk onder de waarde in het economisch verkeer ligt?

(b) Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt, maar het antwoord op vraag 2(a) ontkennend luidt, hoe moet dan “de totale tegenwaarde van de aanbieding” als bedoeld in art. 1 lid 2, punt h, van de Prospectusrichtlijn uitgelegd worden, in het bijzonder bij een executoriale verkoop van effecten?”

2.2

Het HvJEU heeft naar aanleiding van de eerste vraag voor recht verklaard:

“Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van richtlijn 2001/34/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2008/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008, moet aldus worden uitgelegd dat de verplichting om een prospectus te publiceren voordat effecten aan het publiek worden aangeboden niet van toepassing is op een executoriale verkoop van effecten zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is.”

Ten aanzien van de tweede vraag (vragen 2(a) en 2(b)) heeft het HvJEU vastgesteld dat deze vraag, gelet op het antwoord op de eerste vraag, niet beantwoord hoeft te worden.

2.3.1

De beantwoording door het HvJEU van de eerste door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vraag brengt mee dat art. 5:2 Wft, dat immers de implementatie vormt van art. 3 lid 1 van de Prospectusrichtlijn en daarom op overeenkomstige wijze dient te worden uitgelegd, geen verplichting inhoudt om ten behoeve van de in dit geding aan de orde zijnde executoriale verkoop van effecten een prospectus te publiceren.

2.3.2

In dit geding hebben [verweerders] primair betoogd dat de prospectusplicht van de Wft niet van toepassing is op een executoriale verkoop van effecten. De rechtbank heeft dat standpunt aanvaard. Het hof heeft de juistheid van dat standpunt in het midden gelaten, maar wel – overeenkomstig het subsidiaire standpunt van [verweerders] – geoordeeld dat de onderhavige executoriale verkoop in ieder geval onder de vrijstelling als bedoeld in art. 53 lid 2 Vrijstellingsregeling Wft valt. Onderdeel 1, dat is gericht tegen het oordeel van het hof omtrent de vrijstelling van de prospectusplicht, kan, gelet op het hiervoor in 2.3.1 overwogene, bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

2.4

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Almer Beheer c.s. in de kosten van het geding in cassatie, daaronder begrepen de kosten verband houdende met de behandeling van de zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 781,34 aan verschotten en € 4.000,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, A.H.T . Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 april 2015.