Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2015:1090

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-04-2015
Datum publicatie
21-04-2015
Zaaknummer
13/02134
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:493, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen. HR herhaalt recente rechtspraak over de kwalificatie van witwassen, i.h.b. ECLI:NL:HR:2015:888. Het Hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de in de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde genoemde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het Hof heeft vervolgens kennelijk niet aannemelijk geoordeeld dat vorenbedoelde voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Gelet op hetgeen onder 1 bewezen is verklaard en in aanmerking genomen dat het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen o.m. heeft vastgesteld dat de verdachte die dag t.z.v. winkeldiefstal is aangehouden, zij heeft verklaard dat zij “winkeldiefstal (heeft) gepleegd” en zij toen als passagier heeft gezeten in de auto waarin vorenbedoelde goederen zijn aangetroffen, is het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is dat deze voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf niet (zonder meer) begrijpelijk. HR merkt nog op dat de onder 3.3 bedoelde rechtsregels niet slechts betrekking hebben op het geval dat de verdachte het misdrijf waaruit de desbetreffende voorwerp(en) afkomstig zijn zelf heeft gepleegd, maar ook op het geval dat sprake is van medeplegen van dit misdrijf door de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2015-0208
SR-Updates.nl 2015-0212
NJB 2015/881
RvdW 2015/617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 april 2015

Strafkamer

nr. S 13/02134

NA/DAZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 2 april 2013, nummer 21/001059-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Berndsen, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het onder 2 bewezenverklaarde en d e strafoplegging, tot ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en tot veroordeling tot straffen als opgelegd bij het bestreden arrest, met verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het onder 2 bewezenverklaarde "schuldwitwassen" oplevert.

3.2.1.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1. zij op 04 mei 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid cosmetica artikelen ter waarde van 1450,99 euro toebehorende aan winkelbedrijf Etos filiaal gelegen aan de Pieter Calandlaan 212 A welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen drie winkel medewerkers genaamd [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat zij, verdachte en haar mededaders zich van die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2] en die [betrokkene 3] hebben losgerukt of losgetrokken en die [betrokkene 3] met kracht op zijn oog, en op zijn hoofd hebben geslagen of gestompt en die [betrokkene 2] hebben geduwd en die [betrokkene 2] in haar onderarm hebben gebeten."

en

"2. zij op 4 mei 2011 te Amsterdam, voorwerpen, te weten een hoeveelheid goederen (waaronder make-up en/of toilet artikelen en/of huishoud artikelen en/of speelgoed en/of sieraden) voorhanden heeft gehad (in een personenauto, gekentekend [001]), terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

3.2.2.

De bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"5. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1], hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van doorzoeking personenauto, genummerd 2011112550-18, dossierpagina 016-017, gesloten en getekend op 4 mei 2011, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 4 mei 2011 te 19.45 uur heeft naar aanleiding van een aanhouding op heterdaad terzake winkeldiefstal met geweld een doorzoeking plaatsgevonden op het terrein van Wijkteam Meer Vaart te Amsterdam in een bij het incident in beslag genomen voertuig:
Object: personenauto

Merk/type: Fiat Brava 1.4 12v

Kleur: Blauw

Land: Nederland

Kenteken: [001]

Chassisnummer: [002]

Bouwjaar: 1997

Wij, verbalisanten, zagen dat er in de kofferbak van het voertuig vijf (5) tassen, wit rood van kleur, zogenaamde boodschappen tassen lagen. Drie (3) tassen waren volledig gevuld met goederen, twee (2) tassen waren leeg. Ook lag er in de kofferbak van het voertuig een witte plastic tas met goederen. Na onderzoek bleek dat alle goederen cosmetische artikelen betroffen.

In het personengedeelte van het voertuig zagen wij een plastic tas met het opschrift ETOS, gevuld met cosmetische artikelen. Daarnaast zagen wij een doos aangebroken tissues op de hoedeplank staan. In deze aangebroken doos tissues zagen wij een met de handgeschreven lijst met hierop diverse adressen geschreven. Daarnaast lagen er losse cosmetische artikelen in de passagiersruimte. Wij zagen tevens dat er een uitgeschakeld navigatiesysteem van het merk Tom-Tom in het dasboardkastje van het voertuig lag. Wij zagen dat er een laadsnoer van een navigatiesysteem aangesloten was op de sigaretten plug en dat deze niet verbonden was met bovenstaand navigatiesysteem.

De tijdens de doorzoeking aangetroffen goederen zijn in beslag genomen.


6. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2], surveillant van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van inbeslagneming, genummerd 2011112550-17, dossierpagina 069-082, gesloten en getekend op 4 mei 2011, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

De genoemde voorwerpen zijn niet onder een persoon aangetroffen. De inbeslaggenomen goederen zijn aangetroffen in het voertuig voorzien van kenteken [001] op naam van de verdachte [medeverdachte] geboren op [geboortedatum].

Ik, rapporteur, heb de volgende voorwerpen in beslag genomen:

(...)

7. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3], hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van inbeslagneming, genummerd 2011112550-15, dossierpagina 059-062, gesloten en getekend op 4 mei 2011, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 4 mei 2011 heb ik, verbalisant, aangetroffen in de auto van de verdachte [medeverdachte] een papier, met daarop een lijst met adressen van Etos-winkels in Amsterdam.

(...)

8. Het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3], hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, genummerd 2011112550-31, voor zover inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant;

Op donderdag 23 juni 2011 stelde collega [verbalisant 4], werkzaam als digitaal rechercheur bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, een onderzoek in naar de aanwezige data en andere gegevens die zich in het hieronder genoemde navigatie apparaat bevonden.

Categorie omschrijving: Computer/bijz. electr. app. (4054742)

Object: Navigatiesysteem

Merk/type: Tomtom

Land: Nederland

Registratienummer: J64348102567

Uit dit onderzoek bleek onder andere dat de gebruiker van het navigatieapparaat een aantal adressen heeft geselecteerd danwel bezocht. Ik, verbalisant, heb gekeken naar locaties welke waren ingesteld in het navigatie apparaat. Ik heb gekeken of deze overeenkwamen met de adressen van Etos filialen welke op de lijst stonden die bij de verdachte [medeverdachte] in zijn auto was aangetroffen en in beslag was genomen (...). Ik zag dat alle adressen op de lijst door de gebruiker van het navigatie apparaat meerdere malen waren bezocht.

9. Het in de wettelijke vorm door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 3], respectievelijk adspirant agent en hoofdagent van politie Amsterdam-Amstelland, opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, genummerd 2011112550-20, gesloten en getekend op 4 mei 2011, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik ben aangehouden voor winkeldiefstal. Ik heb wel winkeldiefstal gepleegd. Ik was vandaag met [betrokkene 4] een vriend van mij en een man [betrokkene 5] en een vrouw [betrokkene 6] naar Amsterdam gekomen. Ik ging met [betrokkene 4] naar Amsterdam. [betrokkene 6] en [betrokkene 5] kwam ik tegen in Amsterdam. Zij zijn bij ons in de auto gestapt vlakbij het winkelcentrum waar wij zijn aangehouden. Wij zaten in een kleine blauwe auto. Ik ben wel betrokken bij de winkeldiefstal."

3.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van het bewijs voorts het volgende overwogen:

"Voorts heeft de raadsman bepleit dat zijn cliënte tevens dient te worden vrijgesproken van het haar onder 2 tenlastegelegde. Hiertoe heeft hij primair aangevoerd dat er geen bewijs is dat cliënte de wetenschap had van de goederen in de auto. Hij heeft subsidiair aangevoerd dat de goederen (mede) door cliënte begane misdrijf zijn verkregen. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2013 moet uit de motivering kunnen worden afgeleid dat de gedragingen van cliënte dan ook gericht moeten zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de goederen. Dit is in casu niet het geval.

Het hof stelt het volgende vast:

- naar aanleiding van de onder 1 tenlastegelegde diefstal met geweld is bij een doorzoeking op het terrein van Wijkteam Meer en Vaart te Amsterdam een personenauto aangetroffen met het kenteken [001];

- in de auto met het kenteken [001] (op naam van medeverdachte [medeverdachte]) zijn zowel in de kofferbak als in het personengedeelte verschillende (grote hoeveelheden) goederen aangetroffen, waaronder cosmetica-artikelen;

- in de auto is een lijst met adressen van Etos vestigingen in Amsterdam aangetroffen (deels afgevinkt) en een Tom Tom waarin deze adressen zijn voorgeprogrammeerd;

- verdachte heeft op de dag van het aantreffen van de auto als passagier in die auto gezeten. Het door de raadsman genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2013 is naar het oordeel van het hof niet van toepassing op het onderhavige geval. Naar het oordeel van het hof kan het, gelet op de omstandigheden waaronder de goederen zijn getroffen en de hoeveelheid goederen, niet anders zijn dan dat die goederen
- middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig zijn. Aan verdachte is echter niet tenlastegelegd dat zij die goederen zelf heeft gestolen, noch is zulks feitelijk gebleken, zodat het hof niet aanneemt dat de goederen uit eigen misdrijf zijn verkregen. Het is dus niet nodig om vast te stellen dat de gedragingen van verdachte (kennelijk) ook gericht waren op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de goederen.

Nu vaststaat dat verdachte in de auto heeft gezeten en de goederen die zich in het personengedeelte van de auto bevonden voor haar zichtbaar moeten zijn geweest, heeft verdachte naar het oordeel van het hof die goederen voorhanden gehad. Gezien de bovengenoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte redelijkerwijs kon en moest vermoeden dat de goederen in de auto van misdrijf afkomstig waren. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen."

3.3.1.

Het middel doet een beroep op recente rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder het verwerven of voorhanden hebben van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen. Die rechtspraak komt er - kort gezegd - op neer dat in zulke gevallen bepaaldelijk eisen worden gesteld aan de motivering van het oordeel dat sprake is van (schuld-)witwassen in die zin dat dan uit die motivering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte het voorwerp niet slechts heeft verworven of voorhanden heeft gehad, maar dat zijn gedragingen ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf.

3.3.2.

Indien de feitenrechter zijn kwalificatiebeslissing in de hierboven onder 3.3.1 bedoelde zin heeft gemotiveerd, kan die motivering in cassatie worden getoetst. Maar ook indien de feitenrechter de bewezenverklaring zonder hierop gerichte motivering als (schuld-)witwassen heeft gekwalificeerd omdat zich (kennelijk) niet een geval voordoet als hiervoor onder 3.3.1 bedoeld, kan dat (kennelijke) oordeel in cassatie op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.

Het oordeel dat niet sprake is van een onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig voorwerp zal vooral niet begrijpelijk kunnen zijn indien:

(i) daarnaast sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel

(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf (vgl. met verdere verwijzingen HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:888, rov. 3.3.1 en 3.3.2).

3.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de in de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde genoemde voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het Hof heeft vervolgens kennelijk niet aannemelijk geoordeeld dat vorenbedoelde voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Gelet op hetgeen onder 1 bewezen is verklaard en in aanmerking genomen dat het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen onder meer heeft vastgesteld dat de verdachte die dag ter zake van winkeldiefstal is aangehouden, zij heeft verklaard dat zij "winkeldiefstal [heeft] gepleegd" en zij toen als passagier heeft gezeten in de auto waarin vorenbedoelde goederen zijn aangetroffen, is het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is dat deze voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, niet zonder meer begrijpelijk.

3.5.

Opmerking verdient nog dat de onder 3.3 bedoelde rechtsregels niet slechts betrekking hebben op het geval dat de verdachte het misdrijf waaruit de desbetreffende voorwerp(en) afkomstig zijn zelf heeft gepleegd, maar ook op het geval dat sprake is van medeplegen van dit misdrijf door de verdachte (vgl. ten aanzien van heling HR 19 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8801).

3.6.

Het middel slaagt.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2015.